Mezelf prijzen? Dat wordt dan een etiket ‘onbetaalbaar’

  

zapnimf3klein.jpg  “Als de blutsen in uw prak een weergave zijn van uw levensblutsen, mag u zich gelukkig prijzen.”
Ik ben vast niet de enige die stil werd van deze mooie woorden van Dryade.
Zo stil zelfs, dat mijn schrijfzin mij even heeft achtergelaten – hij had nog ergens een boodschapje te doen – en dat ik nu geconcentreerd luister hoe die bovenstaande woorden rondjes draaien in mijn hersenpan.
  
Gelukkig mag uw prak blutsen van uw weergave.
Als u uw weergave prijst, mag u levensblutsen.
Zijn levensblutsen gelukkig van prak?
Blutsen uw levens in de prak… mag gelukkig!
Uw prijzen zijn als blutsen van levens.
Prak weer een gave in uw blutsen. 
(maar dan in kringetjes)
  
Mijn levensblutsen zijn inderdaad van die aard dat zelfs een beginneling plaatslager die blikschade zou kunnen fiksen. Niks onoverkomelijks dat deze olijke olibrius heeft moeten verwerken.
Bij het maandelijkse dipje, kan ik kiezen tussen velerlei sauzen* om mijn sores in te dompelen, van pikant tot zoetzuur, maar steeds met een heilzaam effect.
Bijna oktober, en hier zit ik tussen de pot choco en de kaas (zoals altijd is mijn koelkast leeg als de kinders wezen pappieën) op mijn terras te ontbijten, de geluiden van de natuur te savoureren.
Bekijk het coloriet groen dat bespeeld wordt door zachte splinters zonlicht.
Snuif vocht, vermengd met blad, lucht en naturel…
Zie mijn groezelige ramen waaronder mijn residentie verscholen zit en schrijf er met krachtige vingerstreken op : 
“Ja Dryade, ik prijs mij gelukkig!”
(’t Moet niet altijd ‘Kilroy was here’ zijn.)
  
* K, D, S, L, D, V, B… voel jullie aangesproken!
  

Mijn unieke wagenpark… euh…prak

  
zapnimf1kleindonkerroze-op-paars.jpg    En zo ga ik onverstoord verder, ondanks de kleine onderbreking door een euvel dat ondertussen alweer verholpen is.
(Yeah yeah… I love you, pa!)
De gehechtheid aan mijn blutsenbundel op wielen.
In het decennium dat hij ook alweer meegaat, is hij een vijftal keer gemarkeerd door onverlaten die niet binnen de lijntjes bleven van hun parkeerstek. Die grove motoriek toch, het blijft moeilijk, alsook de kleine attentie om hun scabreuze geknots even kenbaar te maken. Evenveel maal vertrok ik bedremmeld huiswaarts en de daders, met flinke voorsprong, naar een andere richting, nog snel even de noorderzon meegritsend.
Dus rest er mij niks anders dan mobiel globetrotten met een bumper die bijna kan tippen aan de craquelé van ‘De zigeunerjongen met traan en hond’ in de huiskamer bij tante Philomène.
  
Precies twee maanden omniumloos, reed manlief (toen nog wel, allebei zelfs) bravoureus doorheen de windstille dag en een drukke bomenlaan, toen de volgende singulariteit hem van het rijvak deed schuiven : een uit de kluiten gewassen stam mikte zichzelf de straat op, net wanneer er een grijs busje langsreed, meer gespecifieerd : het onze.
Van in profiel leek, wat we voorheen vervoermiddel noemden, op de letter L.
De L van :  Louche lancering van lukraak losgescheurd levenloos listig landschapselement legde laconiek langgekoesterde lentetocht lam.
Afgezien van een overgeslagen hartslagje en twee maanden een vervangwagen, die geen zeskoppige familie kon herbergen, konden we nadien, verrijkt met een sappig verhaal, in driekwart hernieuwd plaatwerkwonder weer onze rijdende gangetjes gaan.
In een van die gangetjes, die plots versmalden, reed ik enige jaren later vlotjes taterend tegen een bijzit, stuntsgewijs achterwaarts een ijzeren hek tegen de vlakte. Mijn eerste eigengecreëerde deuk. Ik koester ze nog steeds.
Mijn volgende twee wapenfeiten ontsponnen zich bij de noorderburen. Telkens in hetzelfde gezelschap, zij die mij nu als zap-klap aanspreken, eerdergenoemde vriendinnen met hun respectievelijk kroostschap. Alles bij mekaar geteld toch wel zo’n twintig hoofdjes, die uitgezonderd de chauffeurs, zich mengen in eender welke auto na eender welke stop.
Ons doel lag die keer in Roosendaal : het ‘Vrouwenhof’ (hoe toepasselijk), een speeltuin van formaat mét parkeerterrein.
De ambtenaar, bevoegd voor de ruimtelijke ordening ervan, mogen ze voor mijn part een week zonder broek tussen een troep opgehitste gorillawijfjes gooien.
Dan wil ik niet eens zeuren over de engheid van die plaatsen.
Of dat je er niet in één keer in of uit geraakte.
Of over die betonnen bultjes die het geheel omzoomden.
Neenee, ik doel op de totaal nutteloze plaatsing van houten paaltjes tussen de vakken.
Het was toen ik me voornam om gemakshalve achteruit in zo’n gat te manoeuvreren dat ik bij het uitzwenken zo’n pokkeding ramde. En het uiteraard niet eens merkte, immers, ik had het te druk met meezingen op een loeiharde Hooverphonic.
“How,” dacht ik, “dit lijkt me wel een hardnekkig betonnen bultje,” en ik kweelde verder, luider dan mijn gaspedaal vroemde.
Tot ik C., u kent ‘De schreeuw’ van Edvard Munch wel, boven mijn motorkap zag uitstijgen.
Goed, ik parkeerde vervolgens mijn monovolume vakkundig hoe het wel hoorde en deed of die kuil van het patineren er altijd al was geweest.
Tjonge, dat was lachen – ik ietsje minder uitbundig dan de rest – tot het ons daagde dat de speeltuin gesloten was.
Om het geheel nog een afrondend tintje te geven, verloor ik op de terugweg mijn slijkkap op het Nederlandse wegdek.
Onze volgende trip op dezelfde uitheemse bodem, bracht ons naar ‘Het kraaiennest’. Een museumpje en uitkijktoren over de geschiedenis van de Markiezaatplaat nabij Bergen op Zoom.
Aan de voet van het heuveltje kan je je kar kwijt, alwaar ook de wandeling naar de vogelhut start. Allemaal activiteiten geschikt voor ons zootje ongeregeld, probeert u het vooral zelf ook eens.
De aanblik van mijn tronie moet geld waard geweest zijn, toen ik bij aankomst op het weitje een Hollands vehikel knus in het mijne gedraaid zag.
Eén bezitter van een Opel had aan de overkant op de helling zijn rijtuig een ruimte bemachtigd zonder zich om de handrem te bekommeren.
Statistisch gezien zou het krel van S. de klap hebben moeten opvangen, maar de dolende auto had zich liever met een bochtje tegen het zapmobiel genesteld.
De opgetrommelde eigennaar evenaarde zijn voertuig en wrong zich eveneens in allerlei bochten :
“Ach, mefrouwtje, zo errug is het niet. Hier heppie het kappie van mijn trekkie. Sjullen we dan nu gesjellig even weer plaats ruimen?”
Hij stapte in en stoof weg.
Ik mag dan al bulken van assertiviteit, deze keer moest die het onmiskenbaar afleggen tegen mijn verbouwereerdheid.
Twintig kilometer later had die eerdere verkleuring boven de bumper een kluwen barsten in de vorm van de Nijldelta aangenomen. Uhu.
De laatste akkefiet, was uiteraard niet mijn schuld. De stiekemerd achter mij had zich gecamoufleerd in hetzelfde schemerige voordenoengroen als dat van de omgeving.
Mijn ochtendrijritueel verloopt altijd volgens hetzelfde stramien.
Een gesloten overweg blokkeert de rijbaan waarlangs ik vanuit linkse positie mezelf tussen de wachtrij tracht te wrikken. Doorgaans verloopt dat zeer soepel. Slagbomen openen, ik zet me dwars op de verkeerde kant langs de weg en de eerstvolgende vriendelijkerd laat me ertussen voor ik in de flank gegrepen wordt door een wagen die daarvoor nog aan de overzijde van het spoor stond.
Sja, en dan stuit je op een nurk in een lullige luxevoiture natuurlijk, die geen aanstalten maakt om je even vanuit je hachelijke positie voor te laten. 
Teneinde een botsing te vermijden, liet ik me terug in het zijstraatje bollen.
Natuurlijk ben ik niet zo dommig van niet in mijn achteruitkijkspiegel te loeren.
Natuurlijk was ik alert en wakker.
“Plok!”
Ojee, tegen een wagen die amper te onderscheiden was van het decor dus.
Lach maar vrienden, lach maar…
Uw zapnimf distantiëert zich toch maar mooi van het gepeupel met haar unieke schrootmassa… en nog steeds aan bonus malus nul!
En nu u weer.
  

De nasmaak van een excentriek

  
zapnimf1kleindonkerroze-op-wit.jpg    Het kwam niet dramatisch genoeg over, vermoed ik.
Ik schrijf nu eenmaal zeer sec.
Het verhoopte gevolg bleef dan ook uit. Ik die dacht van na de werkuren te kunnen kiezen uit tientallen uitgedoste elektriciens, die in reactie op het vorige bericht met welriekende ruikers roze rozen, waarin ze schalks hun spanningsmeter, schroevendraaiers en condooms in zouden verstoppen, op mijn stoep hun belangeloze diensten aanbiedende, onderwijl een aireke van Claude François duimend op mijn bel.
Het mocht niet zijn.
  
Poging nummer twee dan.
De enige zap met piemel lag sloompjes te badderen met zo’n warm lucht blazertje op zichzelf gericht wat verderop in diezelfde ruimte.
“Zoemzoemzoem”… ijselijk gegil… vier ijselijke gillen… “boenkeboenke” (dat ben ik die de trap op storm)… “kwak” en nog eens “kwak” (dat ben ik die de deur opengooi en het geluid dat mijn jongste fabriceert, die aan de andere kant onzacht gesandwicht wordt tussen de deur en de muur). Veel aandacht kon ik niet besteden aan het hoopje trui met kind want waarlijk, er stond een stopcontact te fikken.
De laatste keer dat we zulk een vuur zagen, was toen die daar in het bad ooit de rododendrons van de buren liet vlammen, de minipyromaan!
Maar deze keer lag hij angstig en onschuldig in het water, hij vergat er zelfs zijn lid bij af te dekken. 
Om maar te illustreren dat de commotie compleet was.
Niet vooraleer ik er een slinkse blik op geworpen had, wie weet op welke ramp we nog moeten wachten tot ik nog eens kan meten of mijn zoon zich naar behoren ontwikkelt, ging ik beneden mijn zekeringenkast manipuleren.
Wat overbleef was het nerveuze gegiechel van de meiden, een verschrompeld kereltje dat ondertussen zijn strategische plek weder had gevonden, een blakervlek die sterk geleek op de broddeltattoo van de ex en een zielig weentje vanachter de deur.
Ter wiedergutmachung heb ik dan maar beloofd dat ze om beurt mijn borsthaar mogen scheren… in de keuken.
    
Het zat het arme wichtje die dag echt niet mee.
De voorpret die ze had om gisterennamiddag mee te mogen lopen met de scholencross werd de bodem ingeslagen door allerlei egoïstische motieven van haar nimfige mama, die daarbij de tijd uit het oog was verloren.
Haar als een snelwandelaar, kont achteruit en voetzolen op de grond, een zondagarmpje trekkende – “Schiet op schat, straks kom JIJ nog te laat.” – buitelden we het sportterrein op. Om nog juist de groep te kunnen aanmoedigen waar ze bij had moeten hobbelen.
D’r beteuterde snoet accordeerde nochtans schitterend bij haar te kleine turnbroek met vetlaagje erover. Wat zeurde ze nou? 
Zapje twee en drie liepen iets later prima wedstrijden, terwijl ik de ander wat extra aanhaalde en paaide met schuldige kusjes.
  
Mijn voormalige gemaal (God weet hoe graag ik hem gisteren werkelijk had kunnen malen) had gesms’t dat hij zich in zo’n lamentabele virale geïnfecteerde toestand bevond dat we het zonder zijn aanmoedingen moesten doen. Hij die de zelfgemaakte prentjes op zijn lijf vergaart bij de meeneemchinees, had echter in plaats van zijn kat, zijn nieuwe eega gestuurd ter supportering.
Niet dat iemand dat erg vindt, maar wel dat zijn ziektekiemen niet van die aard waren dat ze hem beletten van een pissige mail te sturen, waarbij hij een lelijke draak stak met mijn stipte moederschap.
  
Een draak van een pedagogiek, 
de wraak van mijn ellentriek,
het leedvermaak van mijn publiek…
Het vraagt niet
de noodzaak van een repliek.
  

Slechte contacten allerhande

  
zapnimf1kleinlichtroze-op-donkerroze.jpg    Mijn laaiend succes bij automobilisten hebben we ondertussen kunnen ontrafelen.
Een van de remlichten doet het niet meer.
Pffft, als het dat maar is.
Het voorbije seizoen zat ik meer in de piepzak. Een autocontrole kondigde zich aan en mijn particuliere garagist, hij met het hoofd als een biljartbal die van de ‘Baraque de Fraiture’ lijkt gestuiterd, sprak zijn vrees uit over mijn slaagkansen zonder minirok en torenhoge kosten. Het gaatje in mijn keuringskaart wegwerken – speling op de assen vooraan – zou me zevenhonderd euro armer maken. Alle onderdelen van mijn reeds 172 000 km bollende kar blijken met quatro’s aan mekaar te zitten, zodat een stuk vervangen eigenlijk neerkomt op een halve auto reconstrueren.
Halvelings keek ik al uit naar een nieuw/tweedehands exemplaar, de andere halve kant gericht naar de validiteit van mijn uit te besteden armdom.
In samenspraak besloten we dat de beste garage de keuringsdienst zelf is en met een bang hartje schokte ik die bijna die loopput in.
De kortgerokte dame gezeten op vierwielaandrijving voor me ontving bijkomende aandacht. Als twee hyperkineten wierpen die techniekers zichzelf in allerlei bochten, hun theoretisch kennis erbij sleurend en dansend van hot naar haar. Aandoenlijk.
Tot een van die aanstellerige overals na een kwartier mijn gesnurk opving, of mijn claxon, dat kan ook, waar mijn knikkebollende kruin tegen die tijd op steunde.
Als een versneld filmpje van Benny Hill (tereutetetetetereuteutetetetereutetetetereuuu) dook hij zonder mijn vorige kaart te vragen onder mijn chassis, reutelde een paar bevelen en gaf teken dat ik plaats moest ruimen voor zijn hervatte interesse voor de ‘echte’ mevrouw.
Een wave voor de hormonen der testosteronboys! Voor hen die mijn vorige tekortkomingen kwijtscholden en reduceerden tot nul! (In werkelijkheid mocht ik nog eens terugkomen voor een kapot dimlicht, maar welke sacherijn struikelt dààr over?)

Opluchting stroomde in flinke drommen in me, immers, ik ben gehecht aan ieder plekje bluts in die blikken trommel.

Drie ervan dateren van nog niet zo lang geleden, maar de oorzaak (zeg maar gauw, ’t is weer een vrouw) en beschrijving van deze mediocre wederwaardigheden hou ik voor een later tijdstip want op dit eigenste moment maken we de zelfontbranding van een stopcontact in de badkamer mee, met vier gillende zappies eromheen.
Excuseert u mij.
  

Exerceren in exorbitant existeren

  
zapnimf1kleinlichtroze-op-paars.jpg    Vandaag wijd ik me aan ‘existentiële’ vragen, heel af en toe mag dat.
    
1.Waarom kotst de kat onder de kast van mijn kamer op mijn kleurig karpet?Terwijl dat voor beesten (als ze niet tot het mensenras horen toch) verboden terrein is.
Meer zelfs : waarom vind ik in die brij een nog niet verteerde kikkerpoot? Zal ik wel met poezendelicatessen komen aandraven van uit de supermarkt, gaat hij mijn vijverfauna wat verorberen. Dit doet me denken aan een verrassende vertelling naar Roald Dahl.
Mevrouw, sterk uitgelachen door haar man, dacht dat haar kat de reïncarnatie van Mozart was. Na veel vijven en zessen kwam de arme man aan zijn eind ergens geregen aan de scherpe zijde van een keukenmes met aan de andere kant zijn vrouw eraan vast, omdat zij dacht dat arme Mozart naar het hiernamaals was geholpen door haar eega.
(Wie nooit ‘Gelijk oversteken’ heeft gelezen van Roald Dahl, zou zich, onder leiding van mijn autoriteit, nu zeer sterk verplicht moeten voelen om dat wel te doen.)
Maar?
Sam Gooris, de immer brakende telg van de Paffs, die leeft toch nog in zijn huidige vorm?
  
2. Waar leg ik mijn grenzen?  
Meestal gewoon naast mij neer.
  
3. Waarom hebben die vervelende vliegen de gewoonte om te copuleren in mijn buurt?
Stink ik naar stront ofzo?
  
4. Waarom knoei ik toch zo met de tijd?  
Vanmorgen, na alle ochtendrush, zat ik wat onbeweeglijk te wezen in de zetel, toen er plots een diepe rust mij overkwam. Die duurde vier uur lang en verdwaasd opende ik mijn ogen met zicht op vier nog op te vouwen wasmanden, een afwas van een week, een megaboodschappenlijst en twee hongerige katten, die uitgerekend vandaag geen zin hadden om kikkers hun maag in te kauwen.
“Ach, morgen is er weer een dag om al dan niet te verslapen”, redeneerde ik en ik maakte mij en mijn slaapkop klaar voor een marathonpersoneelsvergadering van vier tot zeven.
Of hoe anderen kunnen aanmodderen met mijn tijd.
Oeverloos gepalaver over onbenullige onderwerpen, verzanden in uitzichtloze discussies, opgeluisterd door een slappe lach die ik moest ondergaan na een absurde opmerking van een collega tot alle tranen aan mij onttrokken waren.
Soms kan klooien leuk zijn.
Trouwens, tijd knoeit ook met mij. Formeel vastgesteld bij de laatste telling van de rimpels.
  
5. Als ik alle bovenstaande stof overloop… mag ik dan nog wel gelukkig zijn?
JA!
Ik heb twee katten (en halve kikkers), 
zo nu en dan placht ik nog eens een boek te lezen,
mijn grenzen blijven in de buurt,
als ik al naar uitwerpselen ruik, heb ik er zelf geen last van,
ik kan nog lachen, zelfs bij uitgesponnen vervelende aangelegenheden!
Pfoehff!
Moefie moefie!
*kijk een keer gelukzalig existentieloos*
  

Andermans, eurosong- en eigen kids

  
zapnimf1kleinlichtroze-op-wit.jpg    Hedenavond, dames en heren, kamp ik met de gevolgen van een overdosis kinderen.
Nochtans had ik die lijdensweg niet zo voor mezelf uitgestippeld.
Een vrijdag wisselen met een maandag op het emplooi, dat leek me een aangename afwisseling zodat ik het volgende weekend reeds van de vrijdagochtend kan genieten van mijn kidsloze einde van de week.
Iedere lid van het zorgteam werd opgetrommeld want de oudste kleuters kregen vandaag een rekenbegriptest onder hun neus geduwd. Een makkie!
Dacht ik.
Per vijf verwijderden we ze uit hun klas, dropten ze ergens op een leeg plaatsje en ik las mijn instructies af en zij zouden netjes met hun potlood het juiste aankruisen en bollen bijtekenen.
Dacht ik.
Geen tien meter van hun juf gescheiden of drie vijfde van die kinders voelden hun blaas opspelen. Uitstel is geen afstel en urineren is een basisbehoefte, dus vooruit met de plasser dan maar!
De potloodjes die ik ronddeelde, hadden succes ; ieder oor, neusgat, speekselklier, oog van het buurkindje, kreeg er wel eentje te verduren. Maar ik bleef mijn eigen kalme zelve en begon aan mijn uiteenzetting : 
“Leg je afdekkaartje boven het rijtje met de ballen.”
“Juuuuuuuuuf, welke ballen? Ik heb kabouters, vissen, boten, eendjes, maar geen ballen!”
De ballen aan MIJN lijf smolten op dat moment zowat in zweet. Twee van die ukkepukken hadden van hun kleuterzorgleerkracht de bundel meegekregen voor het einde van het schooljaar.
Niks wat een spurtje naar de originelen en vervolgens naar de kopiëermachine niet kan oplossen, maar bij terugkomst… o gruwel!
Wie nu denkt aan een verrinneweerd klaslokaal… louw loene! Die braafjes zaten als versteend nog netjes op de vierkante decimeters waar ik ze neergepoot had, hun snot daarentegen had besloten van in alle viscositeit de uitlichaamse omgeving te gaan verkennen.
Niet dat ik iets tegen neusprut heb. Integendeel!
Niks geweldigers dan na een dagje boswandelen het zand en stof in pellen uit je neus te pulken op een mensloos geografisch stukje (en niet zoals veel mannelijke soortgenoten voor het rode licht, nog liefst als ik ernaast voorsorteer), er een miniatuurzapnimfje van te boetseren en na enige spielerei de voormalige uitscheiding met duim en wijsvinger tegen een boom te katapulteren.
Ha! Ik voel uw opgetrokken wenkbrauwen van herkenning tot hier!
Eigen brokstukken eerst! Met die van vreemden heb ik weinig geestelijke verwantschap. Fysieke wel. Deze morgen dus nog. Vijf kleuterneuzen verder begonnen we dan eindelijk aan de proef :
“Zet een kruis door de doos knikkers die één knikker meer heeft dan het voorbeeld.” (Iedereen duidt de doos aan met één knikker)
“Zet een kruis door de voorlaatste fles.” (Allemaal krassen ze hun potlood over de laatste fles)
“Er staat al één bolletje in de ballon, teken erbij tot er vier bollen in de ballon zijn.” (Allen versieren hun ballon met vier bollen extra)
Nou, tot daar mijn overschatting van de vijf/zesjarige. Een dik kruis erover!
En toen was er pauze!
Met een mok koffie over de speelplaats drentelen en rustig een oogje in het zeil houden op die welopgevoedde schatjes van ons dorpsschooltje.
Of toch bijna allemaal… die ene snoodaard die een kraantje in het jongenstoilet vermassacreerde daar gelaten. Het volgende kwart uur stond ik met een vloerwisser en mijn enkels in het water driftig wateropspettende bewegingen te maken, binnensmonds te foeteren dat ik eigenlijk vandaag helemaal niet had hoeven te werken en dat mijn koffie aan het evolueren was van koud naar kouder.
De rest van de dag zag ik vooral nog meer snottebellen die nog net vasthingen aan zogezegde pasgenezen leerlingen en wiens achterstand door mijn toedoen netjes slonk.
Een Pruisisch dagje op school sluit bij voorbaat uit dat de eigen zaps hun getergde moeder ontzien. Het eten was vanzelfsprekend weer niet te vreten, het huiswerk kon niet zonder mijn controle, er moest gelezen worden met de jongste, gedichten ingestudeerd, zinnen ontleed, krulzappie kreeg een stuk of wat driftbuien, maar de meest gemene streek die ze me geleverd hebben, was het stiekem tapen van ‘Eurosong for kids’ gisteren.
Een half uur lang werd ik gedwongen van mee luchtgitaar te spelen op iets dat luistert naar ‘Fireflies’, de tijd die erop volgde fungeerde ik als achtergrondkoor van iemand die “tiptiptiptiptiedetiedie” zong, geplaybackt door mijn drie meiden en net voor ik (uitgeteld) hen (opgenaaid) in bed duwde, hielden we nog een stonde acrobatisch rock ’n roll dansen, waarbij ik mijn levende delen zwierde en smeet, heimelijk hopende dat ze het plafond zouden raken en iets minder levend(ig) zouden neder dalen.
Soms is een mens ook niks gegund.
Uitgezonderd snot. 
  

Spijt

  
zapnimf1kleinpaars-op-zwart.jpg  De plicht riep.
Ik negeerde haar.
Met branie.
  
Schuld bekende.
Ik lachte haar weg.
Ze bleef.
  
Slaap wilde me overmeesteren.
Ik vocht ertegen.
En won.
  
Mijn gevoel liet me in de steek.
Behalve dat slechte.
  

Tuinieren met zap : bosjes, rododendrons en kuilen

  
zapnimf1kleinwit-op-lichtroze.jpg    Zo heel sporadisch durf ik mij wel eens op chat te begeven.
Altijd een gevaarlijke onderneming.
Met soms korte leuke gesprekjes :
  
[10:32] <chatmens> ik zou graag eens mijn warme zaad tegen je amandelen schieten
[10:33] <ik> dat is zéér vriendelijk van u…
[10:33] <chatmens> slik je door ?
[10:33] <ik> …maar in dit geval prefereer ik toch maar mijn eigen warme chocomelk
    
Zeg nog eens dat er geen originele openers meer de ether in worden gestuurd!
Ach, waar is de tijd dat ik nog geheel onbevangen hoteldebotel was van ieder masculien chatwezen dat zonder dt-fouten kon schrijven?
Ondertussen heb ik mijn sociale kring duchtig uitgebreid en zijn een aantal van die chatkennissen uitgegroeid tot net ietsje meer dan het kennisschap en heb ik er enkele fantastische vriendinnen aan overgehouden en een zeldzame keer zelfs een minnaar.
De eerste keer dat me dat overkwam, flapperde ik nog als een onschuldig meiske wat doelloos rond in cyberspace en dacht dat mijn toekomstig leven nog enkel en alleen zou bestaan uit moeder wezen en verder gapende leegte.
Dat schriftelijke medium lag me wel. Om speedy (reactie op vorig stukje) even gerust te stellen, wil ik benadrukken dat ik ‘klap gelijk nen Antwerpse dokwerker’, maar dat het met mijn cacoëthes scribendi niet eens zo slecht gesteld is.
Na mijn eerste messenpuntje aandacht van een ander chatindividu was ik meteen verkocht dus. Er volgden mails en zelfs bij uitzondering een telefoontje met langs zijn kant een behoorlijke Limburgse tongval. 
Na maanden van zweven en lullig doelloos rondkaatsen, zeventien jaar later dan de vorige keer – best wel een hevige gewaarwording – prikten we een datum ter eerste keer monsteren.
“Vrouwen denken na en mannen denken voor”, meldde ooit een dierbaar iemand me, dus liet ik hem onversaagd ontbieden naar mijn eigen woonst.
Op het afgesproken tijdstip kletterde er inderdaad een motorrijder voorbij.
Voorbij.
En terug.
En weer voorbij.
Stuivend het pad van de buren op.
Vanuit mijn strategische opstelling in de bosjes zag ik dat allemaal gelaten gebeuren, hoe hij afstapte en de buurman vriendelijk begroette.
Joehoe! Die vent kwam wel voor mij è è è! Ingrijpen was geboden! Met grote venijnige passen gooide ik het vege lijf doorheen de rododendrons en tierde de twee kerels iets toe dat geleek op : 
“Dat is een heel mooi huis waar je jezelf heen hebt gebracht, maar ik woon wel dààr (wijzend naar mijn krot).” 
Twee verbaasde koppen staarden me aan, maar mijn uitvaren was nog niet ten einde, oh neen. Zwanzend beet ik de buurman toe : 
“G., mooi hoor, dan heb ik eens een date en dan ga jij die aan het lijntje houden, jij durver!” 
Ondertussen had ik zijn planten zichtbaar doorploegd en stond ik tussen hen in. Ola, afspraakkletskop sloeg niet tegen, precies zoals op dat wazig fotootje dat ik ooit doorgestuurd had gekregen en ik glimlachte breed naar hem ondersteund door een verleidelijke “haaaaai”.
Hij stak zijn hand uit om de mijne te schudden, maar ik had zoiets van :
“Maar menneke toch, wij kennen mekaar toch beter dan dat, greep hem vervolgens bij zijn nekvel en kuste hem vol op de mond.”
De kerel in kwestie keek alsof hij Murat Kaplan voorbij zag schaatsen in roze tutu en piepte in zuiver Antwerps dialect :
“Ow, ik heb hier het groot lot gewonnen, geloof ik.”
Fijne sportieve reactie wel van de motogast, want ondertussen hadden mijn hersens een signaal opgevangen dat klonk als : “Tietaatietaatietaaaaaaaa… dit is geen Limburgs!!”
Ik keek van de een naar de ander, de ander keek naar de een en allebei keken ze naar mij, zo een vijftal keer na elkaar. Net het volgen van een tennismatch.
“Kennen jullie mekaar dan?” vroeg mijn stem die voor de gelegenheid twee octaven hoger lag.
Dwaas speurde ik naar een diepe put om mezelf in te werpen. Met een zinkbaar stuk grond was ik ook al tevreden geweest.
Gelukkig besloot toen een van ons drieën om in de lach te schieten en om niet te onbeleefd te lijken, deden de andere twee gul mee.
“Euh… als je me zoekt… ik woon dus daar.” en ik droop af in de richting van mijn vinger.
Geen vijf minuten later rolde er een motor mijn oprit op en nog voor de helm verwijderd was van een kaal hoofd, stak ik mijn rechterhand ostentatief vooruit :
“Dag, ik ben zapnimf en ik kan niet eens Donald Duck nadoen.”
  

Als u het leest… dan geldt het niet meer!

  
zapnimf1wit-op-donkerroze.jpg    Bijna een maand vertoef ik op het virtuele circuit van de webloggende verteller.
Een magnifiek rariteitenkabinet, geschikt als kweekvijver voor de ‘afrit negens’ van ons medialandschap als je het mij vraagt. Niemand die mij wat vraagt uiteraard, maar vanuit mijn plots opgedoken ‘ikvoelmijkeinormaal’-gevoel, ga ik u mijn visie op de idiosyncrasieën van weeweeweebloggers toch niet onthouden.
Gestroomlijnde figuren alvast, want ik vermoed dat er meer dan één hoek af is.
Moppen aftappen van het net, als volwassene melige plaatjes posten zoals ik ze herken uit het mapje briefpapier van mijn zevenjarige spruit, de wereld willen meedelen dat de zoon van Danny Fabry zich verslikt heeft in een visgraat… bedenk het zo gek en het bestaat!
Er lummelt er zelfs een rond die denkt dat ze het niks dat haar leven vult kan verheffen tot leesmaterie! Stel je voor! Zonder prentjes dan nog! 
Mocht je haar die kritiek ooit aan de hand doen… ze zou je nog “Less is more!” durven toebitsen… tot je de barokke zinnen met tussenwerpsels van hier tot in Tokio zou lezen.
Maar kijk, dat is nu net het leuke eraan… een behoorlijk percentage leest niet, maar komt gewoon in je gastenboek iets nietszeggend typen dat in codetaal eigenlijk “reclame voor mezelf” betekent. Geen oordeel, neenee, gewoon : “Ik ben op wandel en ik hou hier even rust.” Als ie nu maar niet peinst dat hij nog een dorstlesser bovenop krijgt. Tenzij een bidon met een doos laxatiefjes erin.
Of nog banaler : de weekend/weekdaggroeten. Het schijt krijg ik daarvan! Zelfs als ik geen bedorven stoofvlees heb gegeten.
Is iemand in het ware leven al eens op een onbekende gebotst die zomaar out of the blue je een prettig weekend toewenste?
Euh… nu ik het zeg… ja, ik, daarstraks nog!
Voor de bestorming van mijn wagen kan plaatsvinden na schooltijd, moeten er nog een paar obstakels overwonnen worden en een ervan is een fietspad. Nadat ik de zapjes al eens een keer uit een aan iemand anders toebehorende spakenbundel heb moeten plukken, zijn ze geneigd van een herhaling ervan te ontlopen.
Doodgemoedereerd (wat een woord, klinkt als een jeugdtrauma!) kwam er een rasta aangefietst. Sexy wel, die doodgemoedereerde rasta’s op fiets, vooral als ze hoffelijk stoppen om de vruchten van mijn schoot en het omhulsel ervan de meters naar het vehikel te laten overbruggen. Nog steeds erotisch aantrekkelijk zette hij zich terug in gang, schonk mij een glimlach en de boodschap dat ik er nog een prettig weekend van moest maken.
Lief!
Nuja, nog liever had ik iets gehoord in de trant van : “Gij ferme brok, laat ons die kinderen opsluiten in je voertuig en ga met mij een cuba libre drinken bij mij thuis, alwaar we mekaar éloges toefluisteren tot onze vezels versmelten tot een synergetische zooi.”
Hm… de weekendgroet dus.
Welopgevoed als ik ben, klikte ik de laatst bijgevoegde in mijn gastenboek even aan. Een wandelende mens. En erop een foto van die wandelende mens.
“Tedekke”, dacht ik, “ik ken die vent van ergens”, om maar eens origineel uit de hoek te komen, maar mijn ommetjes in de bossen van Zapbuurtschap kenmerken zich door net het ontbreken van zoogdieren zonder pels. 
Na wat scrollerij stuitte ik op een afbeelding van zijn zoon Jozef.
Jooooozef! Natuurlijk!
Jozef en zijn paps die indertijd het onder de knie krijgen van het autorijden tot een Stadler en Waldorf hebben verheven! Die!
Het leven zoals het is… ambras maken tegen vijftig per uur onderwijl de ontkoppeling en de kijker flink geselend. Te onthouden televisie… (zei ze dubbelzinnig).
Bon, als we de bloggerij als referentiekader voor het echte leven mogen nemen… doe mij dan maar een rondje apocalyps!
  

Alle kleuren van de fecale flora

  
zapnimf1wit-op-paars.jpg    Een ontploffende magnetron, daar kan je mee scoren. Dat is spectaculair!
Eerst had ik nog de intentie van dit varkentje eventjes zelf in een handomdraai te wassen, beesten en ik vormen meestal een symbiose. (Wie nu aan aarsmade, luis, lintworm, vlo denkt… euh, kan ik niet echt ongelijk geven.)
Met een air van ‘overeenhalfuurwilikmeteennieuweinbouwovenbuitenstappen’ flaneerde ik daags nadien de plaatselijke elektronicaboer binnen. Om een tiental minuten later, gedesillusioneerd door het vooropgestelde prijsje van die dellerige verkooptroela, in diepe depressie verzonken weer de straat op te strompelen.
Acht-hon-derd euro voor iets waar je slechts iedere dag van het jaar je avondmaal in bereidt! Scandaleus!
Beduusd keek in naar mijn lege handen en bemerkte dat ze een fles schoonmaakmiddel omklemden. Op de (niet gesloten) koop toe had deze seut zich een vaporiseur laten aansmeren voor een microwave die stuk was. 
  
Als schaamte je kan overvallen, dan was ik toen beroofd… van eigenwaarde.
En wat doet een mens zonder…?
Die teert op andermans kunde en belt bleirend naar de dichtsbijzijnde persoon, die telkens op komt draven als het huishoudelijke arsenaal faalt : pappie!
De mijne heeft handen aan zijn lijf. Daarmee zocht hij houtjes en ijzertjes in zijn rommelhok, evenals een aanrechtmodel in de Makro voor een derde van het bovenvernoemde bedrag en kadreerde het geheel waterpas en op en top ingekleed boven mijn koelkast.
Jezelf doelgericht laten equiperen beroep doende op derden… een bekwaamheid die ik machtig ben.
  
Maar eigenlijk wilde ik het dus over exploderende voorwerpen hebben, mijn derde zap even buiten beschouwing gelaten.
Op de terugweg van zee seinde D. me via ons globaal systeem voor mobiele communicatie de volgende hulpkreet : 
“Help! Mijn vrijheid, mijn lopende rekening, mijn rijdende strontkleur is de lucht in gevlogen! Een kwak knallers en toen niks meer! Ik ben ontroostbaar! Wat nu?” 
Aha! Mijn hulp werd ontboden en ik leverde hem meteen in de donatie van mijn schouders om op te huilen, een balsembeurt voor de ziel en een lift iedere donderdag van haar stageplaats naar huis.
Verder stelden we een lijstje op van potentiële handige Harry’s die zouden kunnen instaan voor de nazorg en schaterden naar goeie gewoonte de nacht een stuk dichter bij de ochtend.
Pffft, ‘ontroostbaar’… het liegebeest!
  
Moest er toch toevallig iemand van jullie een gratise nog rijdende schroothoop op zijn/haar erf hebben staan… want de Harry’s keken allen met dezelfde hopeloze blik naar haar statussymbool.
Kakgetind is geen bezwaar.
  

Verwaaide strandkapsels als artistiek statement

  
zapnimf1kleindonkerroze-op-lichtroze.jpg    Het weer wilde aanvankelijk niet mee, maar mijn onverwoestbaar goed humeur was gisteren niet klein te krijgen. Daarbij werd het onderweg geholpen door verteerbare deuntjes op Stubru. Met dank aan de gids (zie later) wil ik deze ook in jullie hoofd stampen, zodat ik niet langer de enige ben die het al achtenveertig uur loop te fluiten/zingen
  
(fluit, fluit, fluit, fluit)
  
and we don’t care about the young folks
talkin’ bout the young style
and we don’t care about the old folks
talkin’ ‘bout the old style too
and we don’t care about their own faults
talkin’ ‘bout our own style
all we care ‘bout is talking
talking only me and you
    
(Peter Bjorn & John – Young folks)
  
De overige kilometers tot Aalst wiebelde ik gelukzalig verder, tot een mastodont van een vrachtwagen mijn aandacht trok, geagiteerd zijn lichten dimmend in mijn achteruitkijkspiegel.
Ergens binnenin mijn lieflijk imitatiesharonstonehoofdje vroeg mijn ene ik zich af of we misschien ons haar vergeten te kammen waren. Tot de andere ik ons er fijntjes op wees dat dat een handeling is die we al jaren niet meer uitvoeren en dat die beginnende tressen dreadlocks daar resultaat van zijn.
Ochgod, wie maalt er om een duffe camioneur meer of minder, zolang ik er mij maar niet links van bevind als hij aan zijn stuur gaat sleuren. 
Twee jonge blommen die kirrend Koksijde binnen bolderen, daar kan geen weergod tegenop en op zijn zomers volgden we een bus boerinnenbondleden die halt hield aan Abdij Ten Duinen. Tussen de landbouwersvrouwen, de bezwerende liggende figuren (I Dormienti) en de ruïnes van de Duinenabdij, infiltreerden we tot luisterafstand van de oma die de creaties van Mimmo Paladino expliceerde. Voor meer uitleg… zoek uw eigen onderlegde oma.
Tersluiks meesluipen heeft nog meer voordelen. Bij het verlaten van de site, ontdekten we dat we onbewust onze eerste attractie op kosten van een ander bezocht hadden.
Andries Botha en Bart De Zutter zouden het ons kwalijk nemen, mochten we hun beeldende kunst overslaan en wie zijn wij om art-tisten teleur te stellen? We negeerden de waarschuwingsborden en pampelden zonder pudeur aan hout en bouten in de vorm van een kudde olifanten en een boot, verwondering en bewondering luidop uitsprekend.
Het strand van Sint-André (Jane Alexander – kleine figuren met dierenmaskers) traceren, was ons volgend opzet. Horden ignorante toeristen deden of we Chinees praatten… wil iemand hen eens diets maken dat het Nederlands een van de gangbare talen van België is, of hadden nog nooit van de happening Beaufort 2006 gehoord… wil iemand hen eens een pak voor hun broek geven, aub?
Drastische maatregelen drongen zich op. Ik sms’te iemand die ik al een tijdje uit het oog had verloren, maar waarvan ik wist dat de westkust zijn biotoop is.
En zie! Een kwartier later vervoegde onze gids ons en vanaf toen kreeg de namiddag vaart.
De jachthaven van Nieuwpoort, de vismijn, een hemelscherf (Ilya en Emilia Kabakov), Jan Fabre die al twee jaar lang op zijn pas gekuiste schildpad de dijk siert, een terras met verfrissing, de bovenhal van de stadshalle (met een Raveel, een Roobjee, een Fred Bervoets en nog andere enkelingen die niet in het geheugen zijn blijven steken) werden in een gezapig tempo afgewerkt.
De gustibus et coloribus non disputandum!
Goesting en kleuren… er valt best over te redetwisten, althans, dat flikten wij toch.
Onze kusttijd werd schaars en we selecteerden nog onze eerste Belgische astrounaut (rijmt op Frimaut) – jeweetwel, hij die in tegenstelling tot miljoenen andere inwoners wél zijn lach kon inhouden bij het aanhoren van de idiote vragen van onze toekomstige koning op zijn schermpje – op het dak van het Casino van Oostende en luisterden naar de gedirigeerde zee.
Alsook we tenslotte Louise Bourgeois’ zwangere spin boven het graf van James Ensor uitkozen om de trip af te ronden. Het zou mij verbazen dat Louiseke zelf, nu vierennegentig nazomers jong, het laswerk van het imposante beest voor eigen rekening zou genomen hebben, maar indrukwekkend was het in ieder geval wel.
Onze nog steeds open monden, omkaderd door een carrosserie op vier wielen die zich terug oostwaarts begaf, werden vlug esthetisch in gewoonlijke stand gebracht, toen we op iedere berm, brug, waterkant, in bussen, tenten en boten, knappe jongelingen in soldatenoutfit waarnamen. Ik vermoed dat we ze alle achtduizend in ons vizier gehad hebben.
De knoerften… er kon niet eens een zwaaitje met de mitraillette af toen we joelend voorbijsuisden…
Wat hebben we weeral opgestoken?
Ons haar…
…en dat dagjes met onszelf in kunstige kaders niet kunnen mislukken!
  

Iedere verwijzing naar schizofrenie is toevallig

  
zapnimf1kleindonkerroze-op-paars.jpg    ik : Onze bijdrage van vandaag… gaat die weer onthutsend zijn?
ik : Dacht het niet.
ik : Hoezo? We moeten wel onze standaards hoog houden hè!
ik : Nu even niet, we hebben genoeg excuses.
ik : Oja? Som er eens twee op?
ik : Euh… ik heb een snotvalling, mijn kop zit vol wattenproppen en iedere lachbui ontaardt in een niet te stuiten hoestontlading.
ik : Je vergat je diarree.
ik : Maar die was dan weer geheel jouw schuld. Wie wilde persé dat stoofvlees van twee dagen oud nog eens opwarmen?
ik : Ander onderwerp.
ik : Nog een geldige reden! Over een kwartier moeten we in frisse toestand in de auto zitten want we worden verwacht in Aalst.
ik : Aalst? Aalst? Priem eens in het cerebrum… welke taak moeten we daar ook alweer vervullen?
ik : V. ophalen, gij vergeetachtige, om daarna de kustlijn onveilig te gaan maken.
ik : O? Iets met die achtduizend militairen die uit de zee zullen verschijnen? Gaan we op mannenjacht? (zingend) “I love a man in a uniform…”
ik : Kwezel! Was je vergeten dat we vandaag Olifanten gaan bewonderen op het strand? Of Luc Zeebroeken in Westende. Spinnen op het graf van Ensor? Beaufort 2006!
ik : Dat zal winderig wezen dan.
ik : Heb je niks beters uit te kramen dan dat?
ik : Maar jawel! Luister : “Today is a gift, that’s why we call it the present!”
ik : Oh my god! Waar heb je dat nu weer gepikt?
ik : ‘k Weetniet, van het prikbord? Het leek me wel passend klinken bij deze dag.
ik : Zullen we daar strakjes over oordelen?
ik : Hup hup, maak je klaar… we moesten al onderweg zijn!
ik : “Hatsjie!” 
ik : “Hoest!”
Ik en ik wuiven nog eens vriendelijk naar de passanten.
  

Mijn belastinggeld offreer ik u met graagte… voor een lobotomie

  
zapnimf1kleindonkerroze-op-paars.jpg    Manmanman en vrouwvrouwvrouw.
Kreeg ik me vanmorgen daar iets vies toegestuurd naar mijn postdoos van pandora!
Yuk, bah, vomeer, rilling… zoiets.
Een voormalig aangetrouwd familielid van het zevende knoopsgat blijft me, ondanks mijn voorzichtige pogingen om er een rem op te zetten, van die voze moppen en vunzige filmpjes sturen. Gewoonlijk verwijder ik die zonder te openen, maar omdat bij deze geen attachment zat, dacht ik nog even dat ze werkelijk iets te melden had.
Ik had beter moeten weten!
Uw zapnimf is niet altijd even snugger!
O blogdilemma!
Vier momenten heb ik getwijfeld of ik wel wil meewerken met de verspreiding van het onderstaande, maar ik ga ervan uit dat de twee man en de paardenkop die het zullen lezen de tendentie van hetgene waartegen ik ageer het gegarandeerd in de juiste context kunnen plaatsen.
Hier komt ie, het onderwerp van mijn half uur liggen op apegaperij.
  
Wat u niet in de kwaliteitskranten… Leest…

Patrick Janssens “The Family man”
Patrick Janssens, de in de pers bejubelde en door het volk uitgespuwde
burgemeester van Antwerpen laat vrouw en kinderen in de steek voor een 20-jarige blondine die hij eerst een goed betaalde job bezorgde…
Hij is sinds 01-07-06 weg bij zijn vrouw en is gaan samenhokken met zijn
maitresse !
Ondertussen heeft hij ook zijn geliefde wijk het ‘Kiel’ verlaten en heeft in de omgeving van het vroegere tolhuis in de Sint Pietersvliet een zeer dure loft gekocht en is daar inmiddels met zijn lief Sabine ingetrokken.
Natuurlijk heeft hij er eerst voor gezorgd dat zij een topfunctie kreeg. De functie van directrice voor de veiligheid in loonschaal 10.
Sabine S. was een blondje van de federale politie en werd na een ‘selectiegesprek’ op 01.09.2005 door Patrick Janssens himself voorgedragen voor die functie.
De gemeenteraad (lees : schandknaapjes van Janssens) keurde dit natuurlijk goed. (12.09.2006)
En om er zeker van te zijn dat ze die functie zou hebben, moest ze geen examen afleggen en was ze de enige kandidaat.
Nu moest hij zijn lief wel zo’n goed betaald postje geven, hoe ga je anders zo’n duur loft blijven onderhouden. En zeg nu zelf, is het niet romantisch om met onze centen in een van de best beveiligde wijken gearmd te kijken naar de maan en de sterren die boven de machtige en prachtige stroom staan te blinken.
Dit nieuws zal natuurlijk niet in de pers verschijnen, de bevolking heeft het immers niet zo begrepen op mannen die hun vrouw en kinderen in de steek laten voor een jong blond huppeltrutje.
Dus worden de staatsjournalisten, of hier den Belziek kan je ze beter hoerjournalisten noemen, bevolen om er niets over te schrijven. Toch zeker niet voor de verkiezingen. Wat zouden de burgers niet denken van een burgervader die maanden aan een stuk zijn gezin bedriegt en ze tenslotte laat vallen als een baksteen. Een burgemeester die zich laat leiden door zijn piemel.
Als hij er geen graten in ziet om zijn gezin te bedriegen zal hij zeker er ook niet mee zitten om de burger te beliegen en te bedriegen.
(Bron : ’t Scheldt)
    
Laat ons collectief een minuut stilte houden voor dit ongelooflijk staaltje van vuilspuierij. Ondertussen telepatheer ik u mijn diepste excuses door voor het moeten lezen van zo’n gebrekkige schrijfstijl.
Patrick Janssens’ huwelijk marcheerde niet meer en hij heeft nu een lief.
So?
De chansaar.
Hij woont schoon.
Ik ook.
Is dat verboden?
De scheldende meneer uit straffe taal waarin hij de burgervader van nepotisme beschuldigt.
Potsierlijk Patje toch!
Bewijzen?
Weliswaar op een hartstikke kloefkapperig niveau geschreven, meneer ’t Scheldt, maar toch zou ik u willen honoreren voor een stip in de top tien van het ‘spelen op de man’ en de bal onvindbaar in de boskes te shotten. Tevens is het hartverwarmend, hoe u tegen alle geplogenheden en domme pers (inderdaad, uw krantblad* die connotatie toebedelen zou ons in verwarring brengen) in, uw objectief verslag toch naar buiten brengt ten voordele van die onwetende burger die dankzij u nu geïnformeerd wordt over de wereld der waarheden en daar zijn nakende stem op kan afstemmen. 
Dat verdient een pluim… een grote… met weerhaken… in uw gat.
  
Om tenslotte op uw vraag te antwoorden : “Ja, het is romantisch om naar de sterren te kijken boven de Schelde, opgewarmd door een geliefde (maar toch liever gezellig vanuit het groen op een dekentje.)
  
@ Raf… welgemeende verontschuldigingen, het was deze keer sterker dan mijzelf. Niks in uw hoofd halen hoor! 😉
  
*’ ’t Scheldt’ is iets dat dezelfde vorm heeft als een gazet, maar dan met je reinste onzin erin.
  

Milieuvriendelijk als ik ben

  
zapnimf1kleindonkerroze-op-wit.jpg    Ik sorteerde mijn liefdes
met zorg
voorzichtig
liefdevol.
  
De oude die roestte.
De broze die brak.
De groene composteerde.
De volgende verdween in de grijze zak.
Er was er eentje die moeilijk verteerde.
De meesten werden wak.
    
Van iemand die het weten kan…
Cupido heeft zich omgeschoold tot vuilnisman.
  

Toe maar, wat een schitterend idee

  

zapnimf1kleinlichtroze-op-donkerroze.jpg    Zaterdagmorgen, jaja, uitgerekend déze morgen, ontwaakte ik.
Kenners zouden die tijdsomvatting eerder tegen de middag situeren, maar iedereen met een iq dat meer dan twee cijfers bedraagt, weet dat die zogenaamde deskundigen kniesoren zijn.
Dus…
Ik ontwaakte niet alleen, maar bovendien had de diepe nachtrust me toebedeeld met een extraatje : een spitant idee!
Wat zeg ik? Een idee waarvan je tepels craqueleren, je littekens verpulveren en je armhaar uitvalt.
Zo’n idee.
De entourage, door vrienden ook wel eens ‘zij die mijn zelfgekookt voedsel tolereren zonder braakneigingen’ genoemd, stond stijf van bewondering voor die genialiteit die me als een ontvlambaar purper aura omsluierde.
Tot iemand de blacklight uitknipte.
“Mama”, zo kirden ze, fladderend met alles wat beweeglijk was aan hun adorerende lijfjes, “mama, laat ons niet langer in onwetendheid. Deel je ongetwijfeld supercoole bevinding met ons! En vooral… is die gave erfelijk?”
Omdat de ochtend zich niet leende tot wachten, immers ei zo na was hij gepasseerd, declareerde ik statig : “Kindjes… vandaag gaat jullie moederkijnlief haar dag vervullen in totale ontspanning, en die plechtigheid vangt aan in de tuin. Na het afsteken van de neuskeutels met fruitsmurrie op het aanrecht mogen jullie mij zelfs vervoegen.”

De cachexie kon een beetje actine opslorpen, waarbij het prompt verzonk in doezelingen die uitmondden in het bevochtigen van de krant. (Drukletters in spiegelschrift op een kin geeft enig cachet.)

Dit ware allemaal ten zeerste amusant geweest, als ik me tijdens het bijkomen niet voelde als Gulliver. Ik zat warempel gevangen onder iets dat nog het meest geleek op een multiculturele termietenhoop. Alles wat zes of acht poten bezat, had mijn afwezigheid in de wakkere wereld benut om zich te groeperen op mijn uitgeruste lijf.
Nadat ik een libelle uit mijn oor had geplukt hoorde ik die gezaghebbende siamese tweelingmier tegen een trio muggen : “Voluptueus, zacht en glooiend… we hebben het eindelijk gevonden : het paradijs!”
Een spinnentoren analoog naar het ‘Castells bouwen’ in Balls donderde denderend op mijn dijen, daarbij scanderende : “Het Eldorado! Het Walhalla! De hof van Eden, joepie!” (en die achterlijke die op de derde rij had gestaan : “Dag Allemaal!, Story!, Blik!”)
Eén etherisch verantwoorde billenkletser volstond om een accurate plattegrond te verkrijgen van zo’n bouwsel.
“Ha… ziehier de kortste weg naar jullie hiernamaals!”
Deze hof van (‘beter verm)eden’ gilde wat op hondenfluittoon, imiteerde een dolle koe met bokkensprongen en rolde zichzelf als een spijtoptant van een zelfverbranding richting huiswaarts.
De zoon en dochters, nog met het plamuurmes in hun handen en een neus die scherp staat op tumult, kwamen aangehold en keken met redelijk wat ongeloof naar iets waarin ze dachten mij, hun onderbeïnsecte en -gespinachtigde mammie, te herkennen.
Nooit verlegen om nog meer ideeën mochten ze in ruil voor een lolly het lijkentapijt van me afschrapen.

’t Is vanaf dan dat ik me voorgenomen heb van een weekje ideeënloos te blijven.

  

Als de rook om je hoofd is verdwenen

  
zapnimf1kleinlichtroze-op-paars.jpg    Woensdag.
Ik wroette net aan mijn belangrijke bijdrage over de Aldi, toen onderstaand berichtje van ene meneer Raf mij bereikte :”Ik hoop nog meer van je te kunnen lezen, misschien ook eens iets kritisch ten opzichte van dit land, dit volk en zijn leiders (en zijn media)?”beste meneer Raf,
De tijd dat ik met mijn groene hanenkam, de roze hield ik voor feestdagen, de straat op trok tegen de kernwapens in Florennes – terwijl er in Woensdrecht, zo’n twintig kilometer hier vandaan al tal lagen te blinken, wistikveel? -, tegen iedere Martens (van één tot en met negen) zichtbaar protesteerde (Na het lezen van zijn biografie lijkt het ook maar een sterfelijke mens met sores te zijn.), ligt ondertussen al enige decennia onder het stof. Fijne periode anders, wat goedkope meninkjes van anderen overnemen alsof het de mijne waren en je weekenden zoek maken met de fiolen van mijn toorn over die klotemaatschappij uitgieten. De totale chaos heb ik nog net niet willen propageren.

Mijn t-shirtjes met ‘no time to waste’ vielen zowat uit elkaar toen ik mijn twintigste levensjaar bereikt had. Die dienden eigenlijk vooral om mijn moeder op stang te jagen die me iedere dag met opgetrokken neus toebeet : “Wasteweigenais!” (Antwerps, voor de burger die zijn bestaan buiten deze wereldstad slijt.)

Geschreven voor Nelson Mandela – denk je dat hij ooit teruggeschreven heeft? -, aan Aziatisch beesten mijn zakgeld gegeven opdat ze op een andere wijze in de pot zouden belanden ipv levend gestroopt, minstens vijftien singeltjes van Sting, waar hij Pinochet op de korrel nam, willensnillens aan de omgeving cadeau gedaan, gehuild voor de slachtoffers in Bhopal… kortom, men noemde mij een geëngageerd iemand.

Eigenlijk durf ik mezelf nog steeds zo te bestempelen, hetzij niet meer zo openlijk mijn gelijk willen krijgend van de buitenwereld.
De internen van mijn leefwereld weten dat ik het van leer trekken tegen maatschappelijke fenomenen, dit land en zijn leiders en zelfs zijn media, nog niet verleerd ben. Discussiëren tot de ander meurrig onder tafel ligt, is mijn ding!
Doch, het is een bewuste keuze om er niet mijn ambitie van te maken deze webstek te vullen met mijn grootse meningen, tenzij over kleine herkenbare luimen en in een luchtige vorm gegoten. De aandachtige lezer vindt er zeker ‘het volk van dit land’ en zijn kleine kantjes in terug.Het adagium ‘Als je het beter kan, doe het dan zelf’ hanterend, ga ik mijn kritiek op onze leiders een beetje inslikken. Als de nood hoog is, zal hij zich wel een weg naar buiten banen, maar enkel en alleen als ik er zelf, of iemand uit de omgeving, mee te maken krijgt. Als voorstander van het empirisch onderzoek ontbreekt de zin me om na het lezen van een artikel hoog van de toren te gaan blazen vanop afstand.
Burgerlijk en bezadigd ondertussen en gretig gebruik makend van de voordelen van onze verzorgingsstaat, mag ik tot op heden nog niet te hard klagen.De media, sja, dat is lachen gieren brullen, meestal onbedoeld. Ofwel appreciëer ik het aanbod, ik kan maar een geringe tijd vrijmaken om voor de beeldbuis te zitten, dus laat ze vooral niet te veel zaaks uitzenden, ofwel, als het huilen met de pet zich aandient, druk ik af. Wie ben ik om me druk te maken over de nuttigheidsfactor van programma’s? Dat doet Rudy Vandendaele wel voor me.
Een menselijk wezen draagt nog altijd ook zorg voor eigen welzijn, toch?Bij het lezen van krant en tijdschrift beperk ik mezelf nog meer. Dan denk ik, een bijpassende smoel trekkend : ” ’t Zal zijn!” om vervolgens over te schakelen naar de overlijdensberichten… “Weer een heleboel die deze week gestopt zijn met roken, nu ik nog.”
Euh… een menselijk wezen draagt soms ook niet zorg voor eigen welzijn dus.

Relativeren is een mooie deugd.
Als het me niet lukt, herhaal ik verplicht de woorden van een van mijn vriendinnen : “Zapnimf, je kinderen zijn gezond en vrolijk, je kan je nog steeds voorzien van voedsel, je loopt niet in een boerka rond in vijftig graden, je wordt niet bijgetimmerd door een gemaal, je hebt vrijheden te over… om te beginnen die van het denken bijvoorbeeld.”
Nog een mooie, ook van een geliefde meid : “Laat het vlees maar zwak zijn, voor de zielenpijntjes achteraf zorgen wij wel.”

Dus wat zou ik zeuren?
Maar om aan het publiek te voldoen, waag ik hieronder een kleine poging.
Het betreft de schoolpremie die eind augustus op ieders rekening, die de afgelopen achttien jaar had gebaard, prijkte. In allerlei middens, waar ik zelf het liefst zou van tussen willen blijven, hoorde ik klaagzangen en die klonken meestal dissonant.
“Pfoeh, vijftig euro, daar ben ik vet mee, daar koop ik mijn verwend nest niet eens een boekentas mee.” Dat was zowat overal de teneur.
Duhhh!
a) Mijn zaps hebben al jaren een boekentas die het nog steeds doet.
b) Die paar schriften, kaften en kleurpotloden kostten bijlange na geen vijftig euro.
c) Vorige jaren was er niks bijkomends, alle valuta’s die extra aangeboden worden, mooi meegenomen!

Wie het geld kreeg, vond het te weinig, wiens kinderen de middelbare schoolleeftijd ontgroeid zijn, kloeg erover dat het in hun tijd allemaal njet was, wie geen nakomelingen heeft, vond het een laffe stunt zo vlak voor de verkiezingen, geld dat veel beter besteed had kunnen worden.
Alleman malcontent over een maatregel die verschrikkelijk veel geld gekost heeft, behalve ik blijkbaar.
Tjonge, de verzuring sloeg weer harder toe dan dat die Amerikaanse vogelpest mijn grond naar de knoppen kan helpen.

Natuurlijk kan ik pleiten, tesamen met de schooldirecteur, die kansarme gezinnen hekelde om hun lak aan budgettering ergens in een lezersbrief aan Humo, dat dit bedragje nuttiger had geweest indien men het had belegd in de infrastructuur van de toch wel krot en compagnie staat van de schoolgebouwen – in mijn vorige klas viel de kalk met schellen van de muur – of in fundamentele investeringen in het onderwijs. Waarvan ik op de eerste rij getuige ben dat dat meestal tijdelijke pleisters op de wonden zijn die met een enorme planlast gepaard gaan.
Lamaar dan.

Nounou… effe rekenen… tweehonderdtwintig euro in mijn geval… dat zijn zeven sloefen sigaretten!
Tjakkaaaaaaaa!!

Uw te onkritische zapnimf
 

Beware voor frommelkopje op kousenvoeten

  
zapnimf1kleinlichtroze-op-wit.jpg    Stel, humo komt langs, omdat ik ondertussen al zooo beroemd ben met mijn 1000 pageviews (waarvan er vijfhonderd van mijzelve, aangeklikt onder invloed van een niet te stuiten beginnerstrots, maar soit) en omdat ik toch niks van enige maatschappelijke relevantie uit te brengen heb, krijg ik die mallotige vragen van ‘Tussen hemel en Hel’ een week op voorhand toegespeeld.
Wel, het kostte me slechts een uur van mijn voormiddag om aan de lijve te ondervinden wat de hel is.
Winkelen in de Aldi op woensdag iets over negen!
Voorzien van een lijstje waarop ik zorgvuldig en kalligrafisch ‘appelsiensap’ en ‘vuilniszakken’, de twee vergeten items van de vorige shopsessie, had neergeklad, toog ik blijgemutst naar de supermarkt.
Zowel het rekje van het fruitsap als dat van de zakken was leeg.
Hmz, opdoffer, maar het hield me niet tegen met consumeren. Kwiek troostte ik mezelf met wat extra etenswaren en andere noodzakelijkheden die ik al in veelvoud opgestapeld heb liggen thuis. Geleerd van mijn grootmoeder zaliger, je weet nooit of er morgen een oorlog uitbreekt. Ah! En dan heb ik toch oorstokjes in overvloed!
De rayon van de eenmalige spullen vermeed ik met opzet. Vandaag had ik geen zin om te vechten.
Anderen wel.
Zelfs vanop afstand zag ik dat bloeddrukmeters geschikt blijken om mekaar mee af te troeven, bejaard of niet. Trekken, duwen, krabben en verbaal gewelddadig… ondersteboven in zo’n vergaarbak. Niks mis met jullie bloeddruk als jullie nog zo vief kunnen uithalen hoor, probeer eens een abonnement van de plaatselijke boksclub.
Aan de kassa nam ik de negentiende plaats in. Achter mij stond een zeer opvallend frommelhoofd, met lange armen en benen eraan. Het genre waarvan je in de wachtkamer van de dokter wil dat hij de persoon voor je is, makkelijk om je beurt te onthouden.
Terwijl ik over mijn schouder nog eens keek naar het batterende volk, gleed mijn oog over een pak rijst. Rijst! Iets dat ik al eens gaar heb gekregen zonder microgolfoven, meegraaien dus die handel! Ik trippelde over een half dozijn bewusteloze geriatrische medemensen, gritste mijn maaltijd voor morgen mee en hinkelde sportief weer de rij in. 
Om nog net te zien hoe frommelkopje zich in het ontstane gat voor mijn karretje wurmde. Dat kuddedier achter hem maakte aanstalten om dezelfde strategie uit te voeren.
Wijdbeens ging ik voor het opvallend figuur staan en monsterde hem van kop tot teen met mijn ‘gijstoutekleineblik’. Zijn friemels kleurden in dezelfde tint als zijn haar en al buigende trok hij zijn winkelwagentje achterwaarts en botste pijnlijk op de gevolgde meeloper. Ik slikte mijn opwellende compassie in en plaatste me terug in oorspronkelijke positie.
Toen het bijna mijn beurt was om de waren op de band uit te stallen, stak de plaatselijke Aldibaas schichtig zijn nek uit het kantoortje. Prompt werd hij overvallen door een massa bloeddorstigen die wilden weten waar al die vier in een draagbare multimedia player buitenkansjes waren.
“Ze hebben er slechts vijf geleverd”, hoorde ik hem nog piepen, bedolven onder een berg van protest.
“Die wraaklustigen toch,” dacht ik, “vier in een draagbare multimedia player… geen flauw idee wat het is, maar het klinkt alvast overbodig. Om daar nu zo’n amok over te maken?”
Ik betaalde, schudde een keer frappant met mijn wattenstokjes naar het klootjesvolk en majestueus zeilde ik naar buiten… ‘Boecht van Dunaldy” neuriënde van CPX.
  

Ga je pizza maar opwarmen bij de buren

  
zapnimf1kleinpaars-op-zwart.jpg    Wie zo moedig is geweest om alle onderstaande letters te degusteren, een hele elaboratie me dunkt, moet waarschijnlijk ondertussen het idee al overwogen hebben om een stichting te starten ten voordele van die deplorabele zapnimf. 
Dwaze valpartijen, sociaal onbekwaam met haar leefgroep, omringd door exigeante collega’s, niet in staat om de meest eenvoudige handelingen afgerond te krijgen en een gebrekkige relatie met het opperwezen.
En ik heb mijn maandstonden doorgekregen vandaag! 
Illusoir zie ik u collectief meelijwekkend het hoofd schudden : “Dat deerniswekkende meiske toch, een leven gevuld met kommer en kwel, armoe troef, overstressed wicht, totaal getormenteerd door jeugdtrauma’s bovendien.”
Ahaaaa!
Hier zijn we op het punt beland waar ik u allen heftig moet teleurstellen!
Zapnimfen zijn ontworpen voor vreugde en jolijt, voor blijd- en andere schappen :
  
Leve het moederschap!
Ik ben er zowat voor gemaakt.
Vier zeurende zapjes om de haverklap.
Als pedagoog ben ik quasi volmaakt.
  
Gun mij een vurige vriendschap.
Met denderende deernes om te minnen.
Ons lavend aan massa’s achterklap.
Het beste aan mij zijn mijn vriendinnen.
  
Laat mij mijn vakmanschap.
Ukken die wedijveren om mijn aandacht.
Aanporren maar die hersenkwab
en met leerstof in vervoering gebracht.
  
En ach, voor af en toe : een heerschap.
Graag eloquent, humorvol en ervaren.
Laat hij zich hoeden voor een misstap,
of hij kan stante pede weder varen.
  
U merkt. Eén feest dat ronddrentelen van uw zapnimf op deze aardkloot!
Tralalalalaaaa en hupsasa enzo.
’t Is maar dat u het weet.
O? Had ik al vermeld dat gisteren de microgolfoven ontploft is?
  

Rodin en Klimt deden beter

  
zapnimf1kleinwit-op-lichtroze.jpg    Mijn oudste dochter, bouwjaar 1993, heeft haar eerste tongkus ontvangen.
Hierover moet ik discreet blijven vaneigens.
U zal het moeten stellen met het surrogaat : MIJN eerste zoen waarbij een speekseluitwisseling plaatsvond.
Daarvoor moet ik terugblikken naar een tijd waar zowel punk en koning Boudewijn nog niet dood waren. Elvis dan weer wel.
Kereltje in kwestie was minstens een hoofd kleiner dan mij en zijn residentie bevond zich achter de hoek.
Waarom, dat weet ik niet meer, maar ineens stond hij met een arm vol stripverhalen en een vinger priemend op het knopje van de deurbel knullig te wezen in mijn blikveld. De rest van zijn armen en benen bewogen ook raar en hij sloeg een plejade gevoelige praat uit waar ik geen raad mee wist.
‘Leve’ de evolutie! Nu is het meestal andersom ; ik offreer tere weloverwogen odes aan manspersoon en als ik mijn ogen terug open sla, zie ik nog slechts een stipje in de verte dat lijkt op een voetzool.
Dit geheel ter zijde.
In een volgend beeld zie ik ons in de tuin staan. Hij trok me tegen zich aan, een zeer oncomfortabele houding trouwens, zo’n twintig centimeter door mijn knieën gebogen en ik staarde naar hem in close-up.
Zijn puisten zouden later nog een eigen leven gaan leiden… als Moegodzjargebergte, een zuidelijke uitloper van de Oeral. 
Hoewel ik wist wat er komen zou, overviel mij hetzelfde gevoel als iemand die wakker wordt met vijf regenwormen die net een hondendrol hebben doorkruist, in zijn bek. Om maar aan te stippen dat de ervaring wat mij betrof niet voor herhaling vatbaar hoefde.
Hoe ik hem buitengewerkt kreeg, ook dat is een hiaat in de memorie, maar het was ongetwijfeld een staaltje van efficiëntie en smoezerij.
Helaas waren de stripverhalen achtergebleven. Weken later stopte ik wat bijeengeschraapte moed in mijn schoenen, trok ze stout aan en leverde het leesvoer zonder overbodige gebaren weer af.
In mijn haast om de woonst weer te verlaten, versnelde ik mijn uittrede door bovenaan de trap een schuiver te maken en één verdiep laag, de benen vooruit, met mijn bips de trap af te dalen.
Ongeveer zo : “boem boem boem boem boem boem boem boem.”
Gracieus landde ik netjes op mijn voeten die zonder moeite mijn schaamte voorbijholden door het buitendeurgat. 
De hoek net om, ontdekte ik hoeveel bloed er in je hoofd circuleert en vooral dan hoe het voelt als het allemaal wegtrekt naar je derrière.
Van een bezorgd iemand kreeg ik de raad om even te gaan zitten voor ik flauwviel.
Zitten!!? Zitten?!!
Mijn krent zal nooit meer zitbaar worden, klojo! Enkel blauw! 
Het volgende half jaar (onder)brak ik mijn wilde puberleven in stukken gêne en likte stilletjes mijn wonden… spreekwoordelijk, gezien ik het nooit tot slangenmens geschopt heb.  

Wat voor nen truut zeg, tijd voor iets uitermate belangrijks

  
zapnimf1wit-op-donkerroze.jpg    … over hoe zapnimf behendig is met haar vuilnis bijvoorbeeld.
In mijn nahuwelijks leven, nu exact vijf jaar bestaande, bedelde ik een magazijn spullen bij mekaar. Chiquer, mooier en duurder dan ik ooit zelf zou kunnen/willen uitgeven aan kinderkledij, speelgoed, fietsjes. Uiteraard dankbaar aanvaard door deze, zoals de buitenwereld haar zag, arme, zielige sloor.
Begiftigd met een legendarische luiheid en redelijk wat stockruimte in huis, werd die combinatie de laatste tijd toch wel erg gevaarlijk als je je een doorgang naar een willekeurige kamer wilde forceren. Het leven met een mikado/rolschaats/bh-beugel in je oog is niet echt ideaal.
Onder mijn klad vriendinnen, hangt er ook ergens een perfecte tussen, de trut!   
Die vond het een maand geleden nodig mij een stamp onder mijn hol te geven. Opruimen moest ik en opruimen zou ik!
Zij die weet dat ik mijn beloftes graag verbreek als het over mijn interieuronderhoud gaat, bivakkeerde hier vijf dagen lang en beval de kids en mij afscheid te nemen van alles wat we het voorbije jaar niet meer vastgepakt hadden.
De dubbele trut.
Vroeger, toen ze de perfectie enkel nog toepaste op zichzelf, juichten mijn jong bij haar aankomst, gaten in de lucht springend en een enkele keer in mijn salontafel :
“Joepie, D. is er! Ambiance, leute, plezier!”
Sinds een maand sissen ze tegen mekaar :
“Toeme, daar is ze weer… is jouw kamer opgeruimd?” om vervolgens uit mekaar te stuiven.
Het resultaat mag er nochtans wezen. 
Dertig vuilniszakken die hun weg hier vandaan hebben gevonden, gesorteerd in kledijcontainers, naar andere hardleerse arme sloren – die het toch nog gewaagd hebben aan een of meerdere vormen van procreatie nadat ze mijn opbrengsten van de natuur van dichtbij hebben kunnen observeren -, op de papierberg, verdeeld over iedere halflege vuilnisbak in de straat en een ware echo op de overloop boven.
Het boekje ‘Jodelen voor beginners’ is reeds besteld.
Voor het grof vuil had ze op de valreep ook iets geniepigs verzonnen.
Gisteren, buiten mijn weten om, sms’te ze de vriendinnen met de boodschap : “Prachtig weer, laat ons met zijn allen gaan terrassen bij zapnimf!”
Amper gezeten en voorzien van nat en droog, sommeerde ze alle dames rond de tafel hun luie kont even te heffen voor het goede doel.
In onze zondagstenue werden we gedwongen van de carport leeg te maken, de hof uit te kammen, de pingpongtafel uit de bosjes te sleuren en de hele mikmak af te kieperen aan de straatkant. Gelukkig liep er genoeg kinderzegen rond om vlotjes te kunnen delegeren.
Een fietske, een go-cart, een tafeltennishoopvezelplaat, een deur, een ingestort tuinspeeltuig, een konijnenkot, kilo’s kapot speelgoed en allerlei waarvan je de herkomst niet eens meer kon duiden… dit alles ter compensatie van vijf jaar niks, vuilnismannetjes… haal jullie hartjes op!
De gewone grijze vuilbak zou ik zelf nog wel ’s avonds plaatsen…
Vanmorgen bij het vertrekken naar schoolland, zie ik dertig meter eigen puin liggen en kom ik tot het besef dat het enige taakje dat ik nog op mij moest nemen, mijn geheugen ontglipt is.
Dit gebeurt normaal op een avondlijk tijdstip, dat ik deze keer helemaal uit het oog verloren had, omdat ik gein aan het verkopen was met één ongehoord lollig sujet zo ergens tussen half elf en half één op chat.Net toen ik, diezelfde nacht, op mijn designcanapé aan het bekomen was, kreeg ik nog bezoek van een vriendin. Ze had behoefte om mijn omvang eens rond haar dronken lijfje te drapperen en tegelijk haar visie op het mannelijk schoon waarop ze die avond gebotst was, eens te toetsen aan de mijne.
Om heel veel woorden kort te houden, (ondertussen lag ze al met haar kop op mijn schoot), omstreeks drie uur, besloten we dat, als we nu niet gingen slapen, dat we maandagmorgen niet meer zouden halen. (Terwijl ik er stiekem bij dacht :
“Ik ga toch lekker terug in mijn bed kruipen als de kinders zijn afgezet, nananananaaaah!”)Maar het lot besliste er dus anders over… basisbehoeften en prioriteiten, het blijft een precair balanceren. (‘k Moest ergens gaan koffiekletsen.)Nog onwetende dat ik wakker zou moeten blijven, sjokkelde ik gemoedelijk met het busje naar huis, vond dat die vuilnisbakken van de buren allemaal nog verdacht netjes recht stonden.
Gegeneerd loerende in een van de containers van de buren, maakte ik aansluitend een ingewikkelde haai faaif met een denkbeeldig alterego. Daar waar ze altijd en altijd rond half zeven komen, die pipo’s, bleken ze nu dus nog niet gepasseerd te zijn.
Ik spurtte naar de keuken, sleurde die vuilniszak uit de vuilbak, kieperde hem in de grijze container en trok dat spel mee naar voor. Ondertussen hoorde ik hoe die vuilniswagen al bij de buren stond.
Heeft iemand al eens proberen te hardlopen met zo’n rijdend krat van 1,20 m, over een hobbelig pad? Ewel, ik kan je bij deze verzekeren dat dàt geen sinecure is!
Die vrachtwagen komt af, dat grijze krel van me slaat om (hup, die bovenste vuilniszak er terug in terwijl ik zo opvallend mogelijk verderstuik om maar genoeg aandacht te trekken, opdat ze mijn stulpje maar niet zouden voorbijrijden.)
Enfin, ik haal het nog op enkele meters voor die kolos er was.
Blozend van inspanning trek ik doofstommerig allerlei gekke bekken en wilde handgebaren naar de chauffeur, welwillend, alsof de arme vent daar nood aan had, om mijn verhaal uit te beelden :
lopen ter plekke
wijzen naar vuilbak
bijna buiklanding met een luchtduik
hohohohodatwasmewatgebaar (hand wapperen naast oor)
watbeniknuopgeluchtdankuwelgesticulatie (hand wapperen voor buik) 
rodekopervangekregenwijs
vriendelijk lachen met tanden bloot Een mens kan wat meemaken, zeg! ;-p