Mezelf prijzen? Dat wordt dan een etiket ‘onbetaalbaar’

  

zapnimf3klein.jpg  “Als de blutsen in uw prak een weergave zijn van uw levensblutsen, mag u zich gelukkig prijzen.”
Ik ben vast niet de enige die stil werd van deze mooie woorden van Dryade.
Zo stil zelfs, dat mijn schrijfzin mij even heeft achtergelaten – hij had nog ergens een boodschapje te doen – en dat ik nu geconcentreerd luister hoe die bovenstaande woorden rondjes draaien in mijn hersenpan.
  
Gelukkig mag uw prak blutsen van uw weergave.
Als u uw weergave prijst, mag u levensblutsen.
Zijn levensblutsen gelukkig van prak?
Blutsen uw levens in de prak… mag gelukkig!
Uw prijzen zijn als blutsen van levens.
Prak weer een gave in uw blutsen. 
(maar dan in kringetjes)
  
Mijn levensblutsen zijn inderdaad van die aard dat zelfs een beginneling plaatslager die blikschade zou kunnen fiksen. Niks onoverkomelijks dat deze olijke olibrius heeft moeten verwerken.
Bij het maandelijkse dipje, kan ik kiezen tussen velerlei sauzen* om mijn sores in te dompelen, van pikant tot zoetzuur, maar steeds met een heilzaam effect.
Bijna oktober, en hier zit ik tussen de pot choco en de kaas (zoals altijd is mijn koelkast leeg als de kinders wezen pappieën) op mijn terras te ontbijten, de geluiden van de natuur te savoureren.
Bekijk het coloriet groen dat bespeeld wordt door zachte splinters zonlicht.
Snuif vocht, vermengd met blad, lucht en naturel…
Zie mijn groezelige ramen waaronder mijn residentie verscholen zit en schrijf er met krachtige vingerstreken op : 
“Ja Dryade, ik prijs mij gelukkig!”
(’t Moet niet altijd ‘Kilroy was here’ zijn.)
  
* K, D, S, L, D, V, B… voel jullie aangesproken!
  

Mijn unieke wagenpark… euh…prak

  
zapnimf1kleindonkerroze-op-paars.jpg    En zo ga ik onverstoord verder, ondanks de kleine onderbreking door een euvel dat ondertussen alweer verholpen is.
(Yeah yeah… I love you, pa!)
De gehechtheid aan mijn blutsenbundel op wielen.
In het decennium dat hij ook alweer meegaat, is hij een vijftal keer gemarkeerd door onverlaten die niet binnen de lijntjes bleven van hun parkeerstek. Die grove motoriek toch, het blijft moeilijk, alsook de kleine attentie om hun scabreuze geknots even kenbaar te maken. Evenveel maal vertrok ik bedremmeld huiswaarts en de daders, met flinke voorsprong, naar een andere richting, nog snel even de noorderzon meegritsend.
Dus rest er mij niks anders dan mobiel globetrotten met een bumper die bijna kan tippen aan de craquelé van ‘De zigeunerjongen met traan en hond’ in de huiskamer bij tante Philomène.
  
Precies twee maanden omniumloos, reed manlief (toen nog wel, allebei zelfs) bravoureus doorheen de windstille dag en een drukke bomenlaan, toen de volgende singulariteit hem van het rijvak deed schuiven : een uit de kluiten gewassen stam mikte zichzelf de straat op, net wanneer er een grijs busje langsreed, meer gespecifieerd : het onze.
Van in profiel leek, wat we voorheen vervoermiddel noemden, op de letter L.
De L van :  Louche lancering van lukraak losgescheurd levenloos listig landschapselement legde laconiek langgekoesterde lentetocht lam.
Afgezien van een overgeslagen hartslagje en twee maanden een vervangwagen, die geen zeskoppige familie kon herbergen, konden we nadien, verrijkt met een sappig verhaal, in driekwart hernieuwd plaatwerkwonder weer onze rijdende gangetjes gaan.
In een van die gangetjes, die plots versmalden, reed ik enige jaren later vlotjes taterend tegen een bijzit, stuntsgewijs achterwaarts een ijzeren hek tegen de vlakte. Mijn eerste eigengecreëerde deuk. Ik koester ze nog steeds.
Mijn volgende twee wapenfeiten ontsponnen zich bij de noorderburen. Telkens in hetzelfde gezelschap, zij die mij nu als zap-klap aanspreken, eerdergenoemde vriendinnen met hun respectievelijk kroostschap. Alles bij mekaar geteld toch wel zo’n twintig hoofdjes, die uitgezonderd de chauffeurs, zich mengen in eender welke auto na eender welke stop.
Ons doel lag die keer in Roosendaal : het ‘Vrouwenhof’ (hoe toepasselijk), een speeltuin van formaat mét parkeerterrein.
De ambtenaar, bevoegd voor de ruimtelijke ordening ervan, mogen ze voor mijn part een week zonder broek tussen een troep opgehitste gorillawijfjes gooien.
Dan wil ik niet eens zeuren over de engheid van die plaatsen.
Of dat je er niet in één keer in of uit geraakte.
Of over die betonnen bultjes die het geheel omzoomden.
Neenee, ik doel op de totaal nutteloze plaatsing van houten paaltjes tussen de vakken.
Het was toen ik me voornam om gemakshalve achteruit in zo’n gat te manoeuvreren dat ik bij het uitzwenken zo’n pokkeding ramde. En het uiteraard niet eens merkte, immers, ik had het te druk met meezingen op een loeiharde Hooverphonic.
“How,” dacht ik, “dit lijkt me wel een hardnekkig betonnen bultje,” en ik kweelde verder, luider dan mijn gaspedaal vroemde.
Tot ik C., u kent ‘De schreeuw’ van Edvard Munch wel, boven mijn motorkap zag uitstijgen.
Goed, ik parkeerde vervolgens mijn monovolume vakkundig hoe het wel hoorde en deed of die kuil van het patineren er altijd al was geweest.
Tjonge, dat was lachen – ik ietsje minder uitbundig dan de rest – tot het ons daagde dat de speeltuin gesloten was.
Om het geheel nog een afrondend tintje te geven, verloor ik op de terugweg mijn slijkkap op het Nederlandse wegdek.
Onze volgende trip op dezelfde uitheemse bodem, bracht ons naar ‘Het kraaiennest’. Een museumpje en uitkijktoren over de geschiedenis van de Markiezaatplaat nabij Bergen op Zoom.
Aan de voet van het heuveltje kan je je kar kwijt, alwaar ook de wandeling naar de vogelhut start. Allemaal activiteiten geschikt voor ons zootje ongeregeld, probeert u het vooral zelf ook eens.
De aanblik van mijn tronie moet geld waard geweest zijn, toen ik bij aankomst op het weitje een Hollands vehikel knus in het mijne gedraaid zag.
Eén bezitter van een Opel had aan de overkant op de helling zijn rijtuig een ruimte bemachtigd zonder zich om de handrem te bekommeren.
Statistisch gezien zou het krel van S. de klap hebben moeten opvangen, maar de dolende auto had zich liever met een bochtje tegen het zapmobiel genesteld.
De opgetrommelde eigennaar evenaarde zijn voertuig en wrong zich eveneens in allerlei bochten :
“Ach, mefrouwtje, zo errug is het niet. Hier heppie het kappie van mijn trekkie. Sjullen we dan nu gesjellig even weer plaats ruimen?”
Hij stapte in en stoof weg.
Ik mag dan al bulken van assertiviteit, deze keer moest die het onmiskenbaar afleggen tegen mijn verbouwereerdheid.
Twintig kilometer later had die eerdere verkleuring boven de bumper een kluwen barsten in de vorm van de Nijldelta aangenomen. Uhu.
De laatste akkefiet, was uiteraard niet mijn schuld. De stiekemerd achter mij had zich gecamoufleerd in hetzelfde schemerige voordenoengroen als dat van de omgeving.
Mijn ochtendrijritueel verloopt altijd volgens hetzelfde stramien.
Een gesloten overweg blokkeert de rijbaan waarlangs ik vanuit linkse positie mezelf tussen de wachtrij tracht te wrikken. Doorgaans verloopt dat zeer soepel. Slagbomen openen, ik zet me dwars op de verkeerde kant langs de weg en de eerstvolgende vriendelijkerd laat me ertussen voor ik in de flank gegrepen wordt door een wagen die daarvoor nog aan de overzijde van het spoor stond.
Sja, en dan stuit je op een nurk in een lullige luxevoiture natuurlijk, die geen aanstalten maakt om je even vanuit je hachelijke positie voor te laten. 
Teneinde een botsing te vermijden, liet ik me terug in het zijstraatje bollen.
Natuurlijk ben ik niet zo dommig van niet in mijn achteruitkijkspiegel te loeren.
Natuurlijk was ik alert en wakker.
“Plok!”
Ojee, tegen een wagen die amper te onderscheiden was van het decor dus.
Lach maar vrienden, lach maar…
Uw zapnimf distantiëert zich toch maar mooi van het gepeupel met haar unieke schrootmassa… en nog steeds aan bonus malus nul!
En nu u weer.
  

De nasmaak van een excentriek

  
zapnimf1kleindonkerroze-op-wit.jpg    Het kwam niet dramatisch genoeg over, vermoed ik.
Ik schrijf nu eenmaal zeer sec.
Het verhoopte gevolg bleef dan ook uit. Ik die dacht van na de werkuren te kunnen kiezen uit tientallen uitgedoste elektriciens, die in reactie op het vorige bericht met welriekende ruikers roze rozen, waarin ze schalks hun spanningsmeter, schroevendraaiers en condooms in zouden verstoppen, op mijn stoep hun belangeloze diensten aanbiedende, onderwijl een aireke van Claude François duimend op mijn bel.
Het mocht niet zijn.
  
Poging nummer twee dan.
De enige zap met piemel lag sloompjes te badderen met zo’n warm lucht blazertje op zichzelf gericht wat verderop in diezelfde ruimte.
“Zoemzoemzoem”… ijselijk gegil… vier ijselijke gillen… “boenkeboenke” (dat ben ik die de trap op storm)… “kwak” en nog eens “kwak” (dat ben ik die de deur opengooi en het geluid dat mijn jongste fabriceert, die aan de andere kant onzacht gesandwicht wordt tussen de deur en de muur). Veel aandacht kon ik niet besteden aan het hoopje trui met kind want waarlijk, er stond een stopcontact te fikken.
De laatste keer dat we zulk een vuur zagen, was toen die daar in het bad ooit de rododendrons van de buren liet vlammen, de minipyromaan!
Maar deze keer lag hij angstig en onschuldig in het water, hij vergat er zelfs zijn lid bij af te dekken. 
Om maar te illustreren dat de commotie compleet was.
Niet vooraleer ik er een slinkse blik op geworpen had, wie weet op welke ramp we nog moeten wachten tot ik nog eens kan meten of mijn zoon zich naar behoren ontwikkelt, ging ik beneden mijn zekeringenkast manipuleren.
Wat overbleef was het nerveuze gegiechel van de meiden, een verschrompeld kereltje dat ondertussen zijn strategische plek weder had gevonden, een blakervlek die sterk geleek op de broddeltattoo van de ex en een zielig weentje vanachter de deur.
Ter wiedergutmachung heb ik dan maar beloofd dat ze om beurt mijn borsthaar mogen scheren… in de keuken.
    
Het zat het arme wichtje die dag echt niet mee.
De voorpret die ze had om gisterennamiddag mee te mogen lopen met de scholencross werd de bodem ingeslagen door allerlei egoïstische motieven van haar nimfige mama, die daarbij de tijd uit het oog was verloren.
Haar als een snelwandelaar, kont achteruit en voetzolen op de grond, een zondagarmpje trekkende – “Schiet op schat, straks kom JIJ nog te laat.” – buitelden we het sportterrein op. Om nog juist de groep te kunnen aanmoedigen waar ze bij had moeten hobbelen.
D’r beteuterde snoet accordeerde nochtans schitterend bij haar te kleine turnbroek met vetlaagje erover. Wat zeurde ze nou? 
Zapje twee en drie liepen iets later prima wedstrijden, terwijl ik de ander wat extra aanhaalde en paaide met schuldige kusjes.
  
Mijn voormalige gemaal (God weet hoe graag ik hem gisteren werkelijk had kunnen malen) had gesms’t dat hij zich in zo’n lamentabele virale geïnfecteerde toestand bevond dat we het zonder zijn aanmoedingen moesten doen. Hij die de zelfgemaakte prentjes op zijn lijf vergaart bij de meeneemchinees, had echter in plaats van zijn kat, zijn nieuwe eega gestuurd ter supportering.
Niet dat iemand dat erg vindt, maar wel dat zijn ziektekiemen niet van die aard waren dat ze hem beletten van een pissige mail te sturen, waarbij hij een lelijke draak stak met mijn stipte moederschap.
  
Een draak van een pedagogiek, 
de wraak van mijn ellentriek,
het leedvermaak van mijn publiek…
Het vraagt niet
de noodzaak van een repliek.
  

Slechte contacten allerhande

  
zapnimf1kleinlichtroze-op-donkerroze.jpg    Mijn laaiend succes bij automobilisten hebben we ondertussen kunnen ontrafelen.
Een van de remlichten doet het niet meer.
Pffft, als het dat maar is.
Het voorbije seizoen zat ik meer in de piepzak. Een autocontrole kondigde zich aan en mijn particuliere garagist, hij met het hoofd als een biljartbal die van de ‘Baraque de Fraiture’ lijkt gestuiterd, sprak zijn vrees uit over mijn slaagkansen zonder minirok en torenhoge kosten. Het gaatje in mijn keuringskaart wegwerken – speling op de assen vooraan – zou me zevenhonderd euro armer maken. Alle onderdelen van mijn reeds 172 000 km bollende kar blijken met quatro’s aan mekaar te zitten, zodat een stuk vervangen eigenlijk neerkomt op een halve auto reconstrueren.
Halvelings keek ik al uit naar een nieuw/tweedehands exemplaar, de andere halve kant gericht naar de validiteit van mijn uit te besteden armdom.
In samenspraak besloten we dat de beste garage de keuringsdienst zelf is en met een bang hartje schokte ik die bijna die loopput in.
De kortgerokte dame gezeten op vierwielaandrijving voor me ontving bijkomende aandacht. Als twee hyperkineten wierpen die techniekers zichzelf in allerlei bochten, hun theoretisch kennis erbij sleurend en dansend van hot naar haar. Aandoenlijk.
Tot een van die aanstellerige overals na een kwartier mijn gesnurk opving, of mijn claxon, dat kan ook, waar mijn knikkebollende kruin tegen die tijd op steunde.
Als een versneld filmpje van Benny Hill (tereutetetetetereuteutetetetereutetetetereuuu) dook hij zonder mijn vorige kaart te vragen onder mijn chassis, reutelde een paar bevelen en gaf teken dat ik plaats moest ruimen voor zijn hervatte interesse voor de ‘echte’ mevrouw.
Een wave voor de hormonen der testosteronboys! Voor hen die mijn vorige tekortkomingen kwijtscholden en reduceerden tot nul! (In werkelijkheid mocht ik nog eens terugkomen voor een kapot dimlicht, maar welke sacherijn struikelt dààr over?)

Opluchting stroomde in flinke drommen in me, immers, ik ben gehecht aan ieder plekje bluts in die blikken trommel.

Drie ervan dateren van nog niet zo lang geleden, maar de oorzaak (zeg maar gauw, ’t is weer een vrouw) en beschrijving van deze mediocre wederwaardigheden hou ik voor een later tijdstip want op dit eigenste moment maken we de zelfontbranding van een stopcontact in de badkamer mee, met vier gillende zappies eromheen.
Excuseert u mij.
  

Exerceren in exorbitant existeren

  
zapnimf1kleinlichtroze-op-paars.jpg    Vandaag wijd ik me aan ‘existentiële’ vragen, heel af en toe mag dat.
    
1.Waarom kotst de kat onder de kast van mijn kamer op mijn kleurig karpet?Terwijl dat voor beesten (als ze niet tot het mensenras horen toch) verboden terrein is.
Meer zelfs : waarom vind ik in die brij een nog niet verteerde kikkerpoot? Zal ik wel met poezendelicatessen komen aandraven van uit de supermarkt, gaat hij mijn vijverfauna wat verorberen. Dit doet me denken aan een verrassende vertelling naar Roald Dahl.
Mevrouw, sterk uitgelachen door haar man, dacht dat haar kat de reïncarnatie van Mozart was. Na veel vijven en zessen kwam de arme man aan zijn eind ergens geregen aan de scherpe zijde van een keukenmes met aan de andere kant zijn vrouw eraan vast, omdat zij dacht dat arme Mozart naar het hiernamaals was geholpen door haar eega.
(Wie nooit ‘Gelijk oversteken’ heeft gelezen van Roald Dahl, zou zich, onder leiding van mijn autoriteit, nu zeer sterk verplicht moeten voelen om dat wel te doen.)
Maar?
Sam Gooris, de immer brakende telg van de Paffs, die leeft toch nog in zijn huidige vorm?
  
2. Waar leg ik mijn grenzen?  
Meestal gewoon naast mij neer.
  
3. Waarom hebben die vervelende vliegen de gewoonte om te copuleren in mijn buurt?
Stink ik naar stront ofzo?
  
4. Waarom knoei ik toch zo met de tijd?  
Vanmorgen, na alle ochtendrush, zat ik wat onbeweeglijk te wezen in de zetel, toen er plots een diepe rust mij overkwam. Die duurde vier uur lang en verdwaasd opende ik mijn ogen met zicht op vier nog op te vouwen wasmanden, een afwas van een week, een megaboodschappenlijst en twee hongerige katten, die uitgerekend vandaag geen zin hadden om kikkers hun maag in te kauwen.
“Ach, morgen is er weer een dag om al dan niet te verslapen”, redeneerde ik en ik maakte mij en mijn slaapkop klaar voor een marathonpersoneelsvergadering van vier tot zeven.
Of hoe anderen kunnen aanmodderen met mijn tijd.
Oeverloos gepalaver over onbenullige onderwerpen, verzanden in uitzichtloze discussies, opgeluisterd door een slappe lach die ik moest ondergaan na een absurde opmerking van een collega tot alle tranen aan mij onttrokken waren.
Soms kan klooien leuk zijn.
Trouwens, tijd knoeit ook met mij. Formeel vastgesteld bij de laatste telling van de rimpels.
  
5. Als ik alle bovenstaande stof overloop… mag ik dan nog wel gelukkig zijn?
JA!
Ik heb twee katten (en halve kikkers), 
zo nu en dan placht ik nog eens een boek te lezen,
mijn grenzen blijven in de buurt,
als ik al naar uitwerpselen ruik, heb ik er zelf geen last van,
ik kan nog lachen, zelfs bij uitgesponnen vervelende aangelegenheden!
Pfoehff!
Moefie moefie!
*kijk een keer gelukzalig existentieloos*
  

Andermans, eurosong- en eigen kids

  
zapnimf1kleinlichtroze-op-wit.jpg    Hedenavond, dames en heren, kamp ik met de gevolgen van een overdosis kinderen.
Nochtans had ik die lijdensweg niet zo voor mezelf uitgestippeld.
Een vrijdag wisselen met een maandag op het emplooi, dat leek me een aangename afwisseling zodat ik het volgende weekend reeds van de vrijdagochtend kan genieten van mijn kidsloze einde van de week.
Iedere lid van het zorgteam werd opgetrommeld want de oudste kleuters kregen vandaag een rekenbegriptest onder hun neus geduwd. Een makkie!
Dacht ik.
Per vijf verwijderden we ze uit hun klas, dropten ze ergens op een leeg plaatsje en ik las mijn instructies af en zij zouden netjes met hun potlood het juiste aankruisen en bollen bijtekenen.
Dacht ik.
Geen tien meter van hun juf gescheiden of drie vijfde van die kinders voelden hun blaas opspelen. Uitstel is geen afstel en urineren is een basisbehoefte, dus vooruit met de plasser dan maar!
De potloodjes die ik ronddeelde, hadden succes ; ieder oor, neusgat, speekselklier, oog van het buurkindje, kreeg er wel eentje te verduren. Maar ik bleef mijn eigen kalme zelve en begon aan mijn uiteenzetting : 
“Leg je afdekkaartje boven het rijtje met de ballen.”
“Juuuuuuuuuf, welke ballen? Ik heb kabouters, vissen, boten, eendjes, maar geen ballen!”
De ballen aan MIJN lijf smolten op dat moment zowat in zweet. Twee van die ukkepukken hadden van hun kleuterzorgleerkracht de bundel meegekregen voor het einde van het schooljaar.
Niks wat een spurtje naar de originelen en vervolgens naar de kopiëermachine niet kan oplossen, maar bij terugkomst… o gruwel!
Wie nu denkt aan een verrinneweerd klaslokaal… louw loene! Die braafjes zaten als versteend nog netjes op de vierkante decimeters waar ik ze neergepoot had, hun snot daarentegen had besloten van in alle viscositeit de uitlichaamse omgeving te gaan verkennen.
Niet dat ik iets tegen neusprut heb. Integendeel!
Niks geweldigers dan na een dagje boswandelen het zand en stof in pellen uit je neus te pulken op een mensloos geografisch stukje (en niet zoals veel mannelijke soortgenoten voor het rode licht, nog liefst als ik ernaast voorsorteer), er een miniatuurzapnimfje van te boetseren en na enige spielerei de voormalige uitscheiding met duim en wijsvinger tegen een boom te katapulteren.
Ha! Ik voel uw opgetrokken wenkbrauwen van herkenning tot hier!
Eigen brokstukken eerst! Met die van vreemden heb ik weinig geestelijke verwantschap. Fysieke wel. Deze morgen dus nog. Vijf kleuterneuzen verder begonnen we dan eindelijk aan de proef :
“Zet een kruis door de doos knikkers die één knikker meer heeft dan het voorbeeld.” (Iedereen duidt de doos aan met één knikker)
“Zet een kruis door de voorlaatste fles.” (Allemaal krassen ze hun potlood over de laatste fles)
“Er staat al één bolletje in de ballon, teken erbij tot er vier bollen in de ballon zijn.” (Allen versieren hun ballon met vier bollen extra)
Nou, tot daar mijn overschatting van de vijf/zesjarige. Een dik kruis erover!
En toen was er pauze!
Met een mok koffie over de speelplaats drentelen en rustig een oogje in het zeil houden op die welopgevoedde schatjes van ons dorpsschooltje.
Of toch bijna allemaal… die ene snoodaard die een kraantje in het jongenstoilet vermassacreerde daar gelaten. Het volgende kwart uur stond ik met een vloerwisser en mijn enkels in het water driftig wateropspettende bewegingen te maken, binnensmonds te foeteren dat ik eigenlijk vandaag helemaal niet had hoeven te werken en dat mijn koffie aan het evolueren was van koud naar kouder.
De rest van de dag zag ik vooral nog meer snottebellen die nog net vasthingen aan zogezegde pasgenezen leerlingen en wiens achterstand door mijn toedoen netjes slonk.
Een Pruisisch dagje op school sluit bij voorbaat uit dat de eigen zaps hun getergde moeder ontzien. Het eten was vanzelfsprekend weer niet te vreten, het huiswerk kon niet zonder mijn controle, er moest gelezen worden met de jongste, gedichten ingestudeerd, zinnen ontleed, krulzappie kreeg een stuk of wat driftbuien, maar de meest gemene streek die ze me geleverd hebben, was het stiekem tapen van ‘Eurosong for kids’ gisteren.
Een half uur lang werd ik gedwongen van mee luchtgitaar te spelen op iets dat luistert naar ‘Fireflies’, de tijd die erop volgde fungeerde ik als achtergrondkoor van iemand die “tiptiptiptiptiedetiedie” zong, geplaybackt door mijn drie meiden en net voor ik (uitgeteld) hen (opgenaaid) in bed duwde, hielden we nog een stonde acrobatisch rock ’n roll dansen, waarbij ik mijn levende delen zwierde en smeet, heimelijk hopende dat ze het plafond zouden raken en iets minder levend(ig) zouden neder dalen.
Soms is een mens ook niks gegund.
Uitgezonderd snot. 
  

Spijt

  
zapnimf1kleinpaars-op-zwart.jpg  De plicht riep.
Ik negeerde haar.
Met branie.
  
Schuld bekende.
Ik lachte haar weg.
Ze bleef.
  
Slaap wilde me overmeesteren.
Ik vocht ertegen.
En won.
  
Mijn gevoel liet me in de steek.
Behalve dat slechte.