Tuinieren met zap : bosjes, rododendrons en kuilen

  
zapnimf1kleinwit-op-lichtroze.jpg    Zo heel sporadisch durf ik mij wel eens op chat te begeven.
Altijd een gevaarlijke onderneming.
Met soms korte leuke gesprekjes :
  
[10:32] <chatmens> ik zou graag eens mijn warme zaad tegen je amandelen schieten
[10:33] <ik> dat is zéér vriendelijk van u…
[10:33] <chatmens> slik je door ?
[10:33] <ik> …maar in dit geval prefereer ik toch maar mijn eigen warme chocomelk
    
Zeg nog eens dat er geen originele openers meer de ether in worden gestuurd!
Ach, waar is de tijd dat ik nog geheel onbevangen hoteldebotel was van ieder masculien chatwezen dat zonder dt-fouten kon schrijven?
Ondertussen heb ik mijn sociale kring duchtig uitgebreid en zijn een aantal van die chatkennissen uitgegroeid tot net ietsje meer dan het kennisschap en heb ik er enkele fantastische vriendinnen aan overgehouden en een zeldzame keer zelfs een minnaar.
De eerste keer dat me dat overkwam, flapperde ik nog als een onschuldig meiske wat doelloos rond in cyberspace en dacht dat mijn toekomstig leven nog enkel en alleen zou bestaan uit moeder wezen en verder gapende leegte.
Dat schriftelijke medium lag me wel. Om speedy (reactie op vorig stukje) even gerust te stellen, wil ik benadrukken dat ik ‘klap gelijk nen Antwerpse dokwerker’, maar dat het met mijn cacoëthes scribendi niet eens zo slecht gesteld is.
Na mijn eerste messenpuntje aandacht van een ander chatindividu was ik meteen verkocht dus. Er volgden mails en zelfs bij uitzondering een telefoontje met langs zijn kant een behoorlijke Limburgse tongval. 
Na maanden van zweven en lullig doelloos rondkaatsen, zeventien jaar later dan de vorige keer – best wel een hevige gewaarwording – prikten we een datum ter eerste keer monsteren.
“Vrouwen denken na en mannen denken voor”, meldde ooit een dierbaar iemand me, dus liet ik hem onversaagd ontbieden naar mijn eigen woonst.
Op het afgesproken tijdstip kletterde er inderdaad een motorrijder voorbij.
Voorbij.
En terug.
En weer voorbij.
Stuivend het pad van de buren op.
Vanuit mijn strategische opstelling in de bosjes zag ik dat allemaal gelaten gebeuren, hoe hij afstapte en de buurman vriendelijk begroette.
Joehoe! Die vent kwam wel voor mij è è è! Ingrijpen was geboden! Met grote venijnige passen gooide ik het vege lijf doorheen de rododendrons en tierde de twee kerels iets toe dat geleek op : 
“Dat is een heel mooi huis waar je jezelf heen hebt gebracht, maar ik woon wel dààr (wijzend naar mijn krot).” 
Twee verbaasde koppen staarden me aan, maar mijn uitvaren was nog niet ten einde, oh neen. Zwanzend beet ik de buurman toe : 
“G., mooi hoor, dan heb ik eens een date en dan ga jij die aan het lijntje houden, jij durver!” 
Ondertussen had ik zijn planten zichtbaar doorploegd en stond ik tussen hen in. Ola, afspraakkletskop sloeg niet tegen, precies zoals op dat wazig fotootje dat ik ooit doorgestuurd had gekregen en ik glimlachte breed naar hem ondersteund door een verleidelijke “haaaaai”.
Hij stak zijn hand uit om de mijne te schudden, maar ik had zoiets van :
“Maar menneke toch, wij kennen mekaar toch beter dan dat, greep hem vervolgens bij zijn nekvel en kuste hem vol op de mond.”
De kerel in kwestie keek alsof hij Murat Kaplan voorbij zag schaatsen in roze tutu en piepte in zuiver Antwerps dialect :
“Ow, ik heb hier het groot lot gewonnen, geloof ik.”
Fijne sportieve reactie wel van de motogast, want ondertussen hadden mijn hersens een signaal opgevangen dat klonk als : “Tietaatietaatietaaaaaaaa… dit is geen Limburgs!!”
Ik keek van de een naar de ander, de ander keek naar de een en allebei keken ze naar mij, zo een vijftal keer na elkaar. Net het volgen van een tennismatch.
“Kennen jullie mekaar dan?” vroeg mijn stem die voor de gelegenheid twee octaven hoger lag.
Dwaas speurde ik naar een diepe put om mezelf in te werpen. Met een zinkbaar stuk grond was ik ook al tevreden geweest.
Gelukkig besloot toen een van ons drieën om in de lach te schieten en om niet te onbeleefd te lijken, deden de andere twee gul mee.
“Euh… als je me zoekt… ik woon dus daar.” en ik droop af in de richting van mijn vinger.
Geen vijf minuten later rolde er een motor mijn oprit op en nog voor de helm verwijderd was van een kaal hoofd, stak ik mijn rechterhand ostentatief vooruit :
“Dag, ik ben zapnimf en ik kan niet eens Donald Duck nadoen.”
  

4 Reacties to “Tuinieren met zap : bosjes, rododendrons en kuilen”

  1. Duvel Says:

    en ze leefden nog lang en gelukkig ?
    Ik vind persoonlijk dat het vertelselke niet af is. Hoe gaat het verder ?

  2. Welke wielrenner ruist daar door mijn struikgewas? « De weergaloze fratsen van ene zapnimf Says:

    […] ik vergeef het hem en buurman ook, zich zo kwijtmaken. Het is slechts negen jaar geleden dat ik een tikkie onrechtmatig alsook onbesuisd zijn erf opstormde. Geplaatst in Leven is het meervoud van lef. Reageer […]

  3. Gudrun Says:

    Hi-la-risch! Gij zijt toch echt een kieken he!

  4. De Fruitberg Says:

    Dit is het strafste verhaal dat ik in lange tijd heb gelezen. Hilarisch is inderdaad de juiste omschrijving


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: