U was een fijn publiek

  
zapnimf1kleinpaars-op-zwart.jpg   Korte dinsdagoverpeinzing.
Vandaag film voor de kinderen in het cultuurcentrum van ons dorp.
Leuk leuk.
Het zoontje van een vriendin ligt van de enkel tot aan zijn lies in de plaaster en die kon niet op de daartoe voorziene kussens op de grond voor het scherm gaan zitten.
Achter die kussens stonden stoelen voor eventuele volwassenen en die waren allen bezet, ook door een hoop kinderen.
Ik, zo nog helemaal gelovend in de goedheid van de mens leg de hele groep stoelzitters uit dat Y. door zijn euvel graag een stoel zou willen benutten, als het zou kunnen.
Twee seconden later weet ik helemaal hoe het voelt om door een meute stomme vissebekken in mensengedaanten aangegaapt te worden met tussen hun wenkbrauwen een frons die las als : “Gij dom wijf, als je echt denkt dat ik mijn kleine ga vragen om zijn stoel af te geven, denk dan rap wat anders.”
Waarop ze hun vieze blikken terug stoïcijns naar voren richtten en vooral niet bewogen.
Mijn ongeloof daarop nam grote proporties aan.
Als genageld.
  
De mama van Y. is dan maar twee verdiepingen lager een stoel onder het gat van een secretaresse gaan trekken.
Nood breekt een andermans staartbeen.
  

Puntje puntje puntje

  
zapnimf1kleinwit-op-lichtroze.jpg   Ik : Zijn we hier nu weer?
Ik : Uhu, en we zijn zelfs een tikkeltje laat, we hadden er eigenlijk gisteren al moeten staan.
Ik : Je liegt, als we er gisteren hadden gestaan, dan waren we in een verhaalvorm gegoten.
Ik : Ook waar, dus laat ons even juichen! Wij als surrogaat doen het heus nog niet zo slecht!
Ik : Nope, het is fijn om ons te zijn! Zeker weten!
Ik : Ik beaam, ik beaam, maar was er ook een reden van onze te late komst?
Ik : Massa’s redenen… dat mens waarin we huizen kreeg onverwacht bezoek en de combinatie bezoek en mens verliezen steevast de tijd uit het oog.
Daarvoor werd ze opgeëist om elders op een invitatie in te gaan.
Sja en nog verder in de daggeschiedenis ging ze weeral haar aanhangsels rondrijden en nog eerder nam ze deel aan een experiment dat ze ‘een eind weg maffen’ noemen.
Ik : Ocharme, wat een vreselijk leven… ik heb daar eigenlijk nooit bij stilgestaan. Dat moet energie vreten.
Ik : Bof, de energie die ze gisteren vrij liet, toen ze met ook weeral met drievoudig onverwacht opgedokenen de hele buurt bij mekaar bulderde, die galmt nog steeds na in dit arme ikje. Dat ze daar wat van uit de lucht plukt!
Ik : Dat wijf van ons moet warempel een popi griet zijn, dat half Vlaanderen zijn weg naar huize zapnimf vindt.
Ik : Nee.
Ze zet lekkere koffie en vooral… ze kan ertegen dat alle meegebrachte koters haar kot afbreken.
Ik : Mohow, wil je nu zeggen dat er naast die volwassenen er ook nog grut de boel onveilig maakte?
Ik : Zeg alzheimertje… dit weekend alleen al telde ik er dertien verschillende en geen enkele die zijn schoenen veegde! De vuiljuinen!
Ik : Jah, de smeerpoetsen… de mat is dan ook eigenlijk wel al twee maand kwijt.
Ik : Neen gij, die ligt ergens in de hof te rotten. Van die keer dat haar eigen jong snowboardje wilden spelen van het hellinkje aan de vijver. De intentie was er wel, maar enkele brandnetels hebben toen vroegtijdig een eind gemaakt aan dat spel.
Ik : Dat zijn er dan nog maar vier, maar hoe heeft ze in godsnaam die dertien overleefd?
Ik : Euh… niet, ze is nog aan d’r laatste stuiptrekkingen bezig, maar vandaag of morgen valt die nimf gewoon dood. Vooral als ze gaat ontdekken dat ze na die drie logés van het voorbije weekend er morgen nog eentje krijgt.
Ik : Nou, die twee nichtjes en dat buurmeisje hebben zich volgens mij toch reuze vermaakt. Of ben ik nu mis?
Ik : Neuh… het blote kont moment zaterdagnacht daar hebben ze nog twee dagen lang lol mee gehad.
Ik : Blote kont… blote kont… help eens? Ik ben het weeral kwijt. Zijn ze Menck ergens tegen het vege lijf gelopen ofzo?
Ik : Groemble… jij bevindt je in het verschrompelde geheugencentrum van haar hersens ofzo?
Toen zij, die onze cognitieve distorsie zo’n mooi plaatsje geeft in haar weelderige grijze massa, de oudste en nicht één ging afhalen van dat fuifje?
Het zegt je niks?
Ewel… de opgehaalde braafjes en mama stapten de auto in en kregen als panorama een naakt achterwerk in hun gezicht geduwd dat bij een plassende meid hoorde die heel inventief haar behoefte tussen twee bestelwagens deed, maar even vergat dat geparkeerde auto’s vlak achter haar wel eens bemand zouden kunnen worden op een voor haar beetje gênant tijdstip. Zelfs haar gat bloosde mee bij het aanhoren van het gegiechel.
Ik : Achja… ik herinner het me vaag. 
Maar eigenlijk zit ik met een prangender vraag gekweld.
Ik : Jij die je vragen stelt? Wat een unicum! Voor de dag ermee.
Ik : We lullen nu al oeverloos deze pagina een poos voort, maar kunnen we ook een einde eraan breien?
Ik : Daar heb je een punt, ik, een groot gelijk punt.
Ik : Jij ook! We zouden er een punt achter kunnen zetten? Zo : .
Ik : Beetje fantasieloos, vind je ook niet?
Ik : Hmz… ja. Jammer.
Ik : Maar het blijft fijn om ons te zijn, ondanks alles.
Ik : Echt fijn om ons te zijn! Daar kunnen anderen een puntje aan zuigen!
Ik : Het allerfijnsterste zelfs!
Ik : Meer zelfs…
  
(Iemand pakt een hamer en doeft een ferme keer op ik)
  
Ik : Hela? Wat doe jij nu? Snoodaard!
  
(nog een doef)
… 
    

Lijfelijk twee

  
zapnimf1wit-op-donkerroze.jpg   Om alle commentaren over niet snappen te ontkrachten, vandaag een lekker simpel begrijpbaar.
Denk ik toch.
  
Gij.
  
Mijn geile bok,
lijfsappensmosser,
o, lekkere brok,
verdomd schalkse vosser,
gij magnifieke fallus
als ritmeslavendrijver,
minnaar van mijn corpus,
ik sla u tot mijn blijver.
  
Kusser der schaamdelen
gij doet dat lang niet slecht
laat uw vingers mij bespelen
geen passie waartegen ik vecht
’t zijt gij die ik wil fellationeren
tot ik u hoor brullen
over genade en creperen
zodat gij niet meer kunt verhullen
– ontken het nu maar niet
ik zag het op en neer –
hoe gaarne gij mij ziet
en ik u evenzeer.
  
Zoete verstrekker van spermacellen,
gij die mij noemt : een heerlijkheid,
mag ik samen met u aftellen
tot de hemel nog eens splijt?
  

Een drupje vergif met veel cake

   

zapnimf1wit-op-paars.jpg   Neem een willekeurige vrijdag, die van gisteren bijvoorbeeld. In de late donderdagavond daarvoor krijg je nog bericht van een collega : Denk jij aub nog eens aan die boeken voor morgen?

Boeken… boeken… ?
Ooooo boeken!
Mijn eigen kinderboeken over heksen, toverkollen, tovenaars die ik vorig jaar in het hoekenwerk heb gebruikt met gerichte zoekopdrachten in ieder boek.
Maar waar heb ik dat verdomde kaftje ook alweer gelaten met die opdrachten?
Naar goeie gewoonte, sta ik nog maar eens een uurtje vroeger op omdat fut me vriendelijker gezind is op ochtenden dan net voor het slapengaan als het op themakaftjes zoeken aankomt.
  
Daar sta ik dan, wat hopeloos kijkend naar de drie curverboxen met daarin al het nog ooit eens te sorteren gerief van vorig schooljaar.
Tijd dringt en grove middelen dienen zich aan. Omdraaien op de tafel dan maar die handel.
Het is geen vreemd gevoel voor me, de wanhoop van het zoeken en het niet vinden.
Vertrouwd zelfs.
Pas als de puinhoop alhier compleet is, krijg ik een bij het zien van iets van mijn collega een aha-erlebnis : ik heb die kaft verdomme aan haar gegeven in september!
Welke acties volgen er op aha-erlebnissen?
Juist, het uit het bed bellen van het hoofdpersoon erin en ontdekken dat de map op school ligt.
Met de wasmand voor mijn knieën graai ik alle lectuur die van ver naar heks ruikt bij mekaar, pleur die erin en probeer krampachtig te herinneren waarin ik die arme jong ooit allemaal heb laten snuisteren. 
Thea Beckman, ‘Stad in de storm’… heksenweging… ja!
‘De computerheks in de sneeuw’… ja!
‘Lotje is jarig’… ja!
(maal dertig)
  
Dit vroeg om een ontlading in de nog duistere ochtend.
Een luchtig aireke in de cd-speler, alle lichten aan zodat mijn megaraam een superspiegel wordt en, toch niemand die het ziet, sjeeken in mijn slaapkledij tegen de sterren op. Geen beter ontstressingsmiddel dan dat.
Het ritme is in overvloed aanwezig hoor, in dat lijf van me, maar het vervisualiseert zich niet echt whauw. 
Hoewel?
Eigenlijk wel, zeer whauwisch zelfs, maar ik ben de enige die die mening is toegedaan. Anderen schieten prompt in de lach als ik op dreef ben. Mij een zorg, ik amuseer me. Ik amuseer anderen, meer moet dat niet zijn.
Zelf kijk ik ook graag naar dansende lichamen, ze mogen voor mijn part daar als een krakkende houten paal staan tollen, als de lol eraf straalt, dan geniet ik ervan. Het omgekeerde telt evenzeer ; van die grieten wiens choreografie wel snor zit, maar waar de concentratie de vreugde in de weg zit, kunnen niet echt op veel bijval van mijnentwege rekenen.
Dit alles bedacht ik in die drie minuten ochtendbeweging.
Hoe actief.
  
De volgende uren verliepen volgens mijn geplande schema.
Het boekending viel als vanzelf in de plooi (ik had er wel een stuk of tien te veel bij, maar ik was er geen enkele vergeten!), ik sleet mijn tijd met kindjes die wat leerstof bij te halen hadden en toen bereikte dat telefoontje van onze schoolleider mij : alle mensen van de zorg, rep jullie naar dat zaaltje over de kerk, want straks is het grootouderfeest voor de kleuters en ik heb hulp nodig!
  
Mijn goeie daad bestond uit vijfhonderd tassen en ondertassen op tafels te smijten, mijn directeur ervan te overtuigen dat, als hij niet wil dat die bomma’s en bompa’s hun kleinkinderen van school halen, hij echt niet zo gierig moet zijn met de hoeveelheid gemalen koffie die hij in die reusachtige tanks kapte, want als voorproever en koffieaddict keurde ik dat spul waar je je krant kon doorlezen radicaal af. Driehonderd liter water met een affreus smaakje, dat niet eens zou kunnen concurreren tegen de eikelkoffie van Breendonk, werd dan maar in ijltempo gemixt met de laatste pot extra extra extra straf.
Hij bleef ondrinkbaar.
  
De baas moest even weg en wij merkten ondertussen dat er zo’n honderd koffielepels tekort waren. ’t Is te zeggen, ze waren er wel, maar in een schuif verstopt die voor ons op slot zat en de madame met de sleutel was tevens onbereikbaar.
Wie anders dan zapnimf kwam met het voorstel om even over en weer naar school te sletsen en daar uit de schoolfeestkast de ijsdoos met lepeltjes te gaan halen, en dan zouden we bij het einde van de dag gewoon met honderd mooiere koffielepeltjes terug schoolwaarts keren. Subliem subliem!
  
Ik vond de messen, de vorken, de grote lepels, het verzamelbestek van tante nonneke, maar de kleine lepeltjes waren spoorloos. Het werd een queeste doorheen alle refters, keukens, leraarskamer (die diende ik eerst nog allemaal af te wassen) om toch nog net aan het vereiste aantal te komen.
Fier als een gieter gevuld met zweet gooide ik mezelf de feestzaal terug binnen om te kunnen vaststellen dat ze ondertussen het slot van die schuif lepels hadden geforceerd.
De middag naderde, de directeur – met de sleutels van het gebouw in zijn broekzak – was nog niet terug komen opdagen en de anderen hadden middagtaakjes (rij, bewaking) op school te af te handelen.
Deze Chinese vrijwilliger werd eenzaam achtergelaten ter diefstalpreventie…. in een keuken met zeventig reeds gesneden cakes, taarten, frangipannekes…
Dàt hadden ze nu niet moeten doen.
  
De directeur arriveerde.
“Ha, G., djie kosfjie ishj noh ajijd nih wah hije sjhou moejen sjijn… ik eesj hem effe weh mè een ksjruimesje cakeh.” en ik veegde de resten van appel, chocolade, platte kaas met ananas en brokken cake achteloos van mijn trui en maakte mij uit de voeten.
  
Mijn namiddag vorderde met vergiftigde koffie in potten te schenken, restjes cake nog eens doormidden te snijden en ze ver genoeg uit elkaar te spreiden op borden, zodat het toch nog presenteerde, en de afwas van de grootste massa vijftigplussers die ik ooit mocht ontmoeten.
En zal ontmoeten. Na het dêbacle van de koffie, zou het me niet verwonderen dat we volgend jaar alleen maar de theedrinkers terug mogen verwelkomen.
  
Wat fijn toch, zo’n dag die wendingen neemt die je niet verwacht had.
Behalve dan als je bij thuiskomst de vergeten inhoud van drie curverboxen op je tafel ziet gisten.
     

Ik ben een seksgodin!

  
zapnimf1kleinlichtroze-op-wit.jpg   Boekenbeurs binnenkort!
Jiehaa!
  
Menckiemenck schreef eergisteren een wedstrijdje uit.
Een poepsimpel.
Twee vrijkaarten voor de boekenbeurs waren er te winnen als je Stanny Crets en Peter Van den Begin kon benoemen als de ceremoniemeesters van de boekenbeurs.
Uw zapnimf is er met een vandoor. (Kate met de andere)
  
Ik zoek mij ergens een rustig weekdagje, laat mij leiden door de stroom en vergeet dat ik vorig jaar niet helemaal voldaan terugkeerde uit Antwerpen.
  
Maar waarom ook alweer?
Even opfrissen.
  
Ik ben een seksgodin!
  
Aha! Wat een welgekozen titel al niet vermag hè? Lekker gefopt!
  
Niks speciaals… ik heb mijn tronie nog eens laten opmerken op de jaarlijkse boekenbeurs.
  
Die bouwcentrumboekenbeurs is een bestedingsbeperkende, betoeterde, beschamende, bespottelijke, balorige, basisbehoeftenegerende, bananenrepubliekonwaardige, blaaskakerige, budgetverspillende, breideloze, betuttelende, bekrompen, behoudzuchtige, boelbelazerende, bespottelijke, belgenmopevenarende, bedillerige, bloemetjes-en-bijtjesachtige-Bosmanslectuurbepalende, bloedlinke, buitenkijfstaande-boekenwumen-binnenlokkende, beteugelende, beduvelde, benauwende, bedrieglijke, bemoeizuchtige, bluspoedergevoelensbevorderlijke, burleske, bedrukkende, bijvoorbaatbudgetgevaarlijke, bibliofiele bedoening, bijgod…
  
… want ik mocht er smoren noch eten en ik deed te veel geld op.
  
Het begon nochtans allemaal zeer schoon deze morgen.
Ik zag mezelf zoals in zo’n begingeneriek van een b-movie. Een leuk aireke, namen rollen, de hoofdrol maakt zich rustig klaar, ontbijten, haartjes kammen, tandjes poetsen, kledij uitkiezen, nog een laatste blik in de spiegel, tegelijkertijd met regisseur die op het scherm prijkt, en dan avonturen tegemoet.
   
Nuja, het leek erop… in de film lopen kinderen steeds ergens op de achtergrond braaf te wezen. Bij ons vlogen de boterhammen door de lucht, werd er op broertjes/zusjes meppen niet zo nauw gekeken, katten belemmerden hongerig de doorgang, voor de dagdagelijkse hygiëne van dat grut voor mekaar te krijgen moest ik heel wat mentale kracht verzetten, zwemzakken werden vergeten, agenda’s getekend, brooddozen gevuld, en met behulp van een touw rond hun middel kreeg ik ze dan eindelijk toch in de auto.
  
Goedgemutst tufte ik, aansluitend op het afgooideel aan de schoolpoort, richting Antwerpen, negeerde het allesoverstemmend geluid van mijn – laathetalstublieftdatmaarzijn – kapotte knalpot, deed een beetje aan sightseeing, merkte ik aan de lijve dat verkeersinformatie altijd een half uur te laat wordt uitgezonden en vond ik mijzelf een uitstekende parkeerplaats.
  
Geen fractie van een seconde later kreeg ik een sms van iemand : “Ik ga morgen naar de boekenbeurs. Heb twee vrijkaarten. Zin om mee te gaan?”
Het leven zit vol toevalligheden. Bij mij spelen die zich per ongeluk steeds af op de verkeerde tijd.
  
Iets minder in mijn nopjes, belandde ik voor ingang één in een ondoordringbare massa bestaande uit honderden, wat zeg ik, duizenden, voetpadversperrende adolescenten geflankeerd door wanhopige begeleiders, die ik ook wel eens collega’s placht te noemen. Hoe masochistisch kan je zijn? Hèhè.
  
Ronduit humeurig discuteerde ik het arme kassameisje (van ingang twee uiteraard, zie boven) onder tafel over hun belachelijke inperkende maatregel om lerarenkaarten enkel mee te laten tellen op vrijdagen die al gepasseerd waren. Dit maakte dat ik mijn verleidelijke knipoog naar de zaalwachter deze keer gewoon oversloeg.
  
Binnen was het, zoals men het op de site van de Efteling zou terugvinden : ‘gezellig druk’, en in de folder van de plaatselijke sauna : ‘bloody hot’.
  
Dat die schooljong overal doorgangen blokkeren, tegen je aan botsen, je aanklampen omdat ze denken dat opdrachtjes tot een goed einde brengen makkelijker gaat als je even een omstaander ondervraagt, daar kan ik allemaal tegen, geen enkel probeem. Je staat nu eenmaal in het onderwijs of niet… andermans kinderen een elleboogstoot meer of minder geven, ze uit je weg schoppen, en ze lekker op een dwaalspoor zetten (en erbij denken : “Luie donder, waar zit jij op school? O, in dat net? Sja, dan kan ik ook niet van je verwachten dat je enigszins een beetje logisch kan redeneren.”) daar draaien die leerkrachten met een roeping, zoals ik, hun hand niet voor om. Mijn humeur keerde terug.
  
Het eerste uur heb ik doorgebracht in het Standaardboekhandelpavilioen, in de buurt van een tafeltje met lectuur als : ‘Hoe word ik een seksgodin?’ ‘Een beetje stout’, ‘Seksspeeltjes’, ‘Het vaginaboek’ van La Liekens.
Pffft… dat laatste is meer een kijkboek voor de preutse rukker.
    
Edoch, ik werd bij mijn verdieping der deze lectuur gestoord door een koppeltje, waarvan de vrouwelijke helft al moest giechelen omwille van het stoutboekje.
Ostentatief hield ik de kaft van ‘Hoe word ik seksgodin?’ omhoog en glimlachte eens veelbetekenend naar haar eega. Mijn dag was weer helemaal goed sè!
  
Wat is een boekenbeurs zonder een kopje slappe koffie, om je lunchpakketje door te spoelen? Niks toch? Bovendien lieten de smoorwaarontwenningsverschijnselen zich gevoelen. Laten deze twee zaken nu aanleiding geweest zijn om mij de moeite te getroosten, bovenstaande vocabulaire bij mekaar te sprokkelen.
   
Ten eerste hadden ze de grote eettent op een andere plaats aangebouwd.
Ten tweede leverde mijn zoektocht enkel een groot bord op met de volgende woorden : “Vandaag enkel toegankelijk voor scholen.”
Nu vraag ik je!
Het lef!
De onbeschaamdheid!
Net nu ik eens ongeschoold ben!
   
Bemachtig ik mezelf (‘Bomma, deze plaats is voorbehouden aan knappe jonge deernes, vort vort!”) twee uur later uiteindelijk toch een zitplaats elders, blijkt dat die oelewappers-organisatoren het roken hebben afgeschaft!
Het woord ‘misnoegd’ was hier op zijn plaats.
  
Als wraak heb ik twee boeken minder dan vorig jaar gekocht, nah!
Uiteraard, mijn zin voor overspendering kennende, nog steeds veel te veel.
Goh, de aankoop van een nieuwe auto ooit, zal alweer zes maand moeten uitgesteld worden. (Laathetalstublieft enkel de knalpot zijn!)
  
Laten we besluiten met enkele wijze woorden van mijzelf : Ik ben een kieken!
  
  
Maar toch bedankt hoor Menck!
  

Hé kijk! Een Aardvarksken!

  
zapnimf1kleinlichtroze-op-paars.jpg   “Als de timing snor zit komen we elkaar daar tegen..ik had het ook aangekruist in de Aardvarkagenda. Er zit nog wel een afstand van 160 km tussen mijn Nu en de aftapstoel. Dus… who knows. En who cares (Gnarf Barclay).”
  
Dat schreef hij dus. Dat Aardvarsken dat ergens in een ander bloggenland vertoeft.
  
Who cares? Who cares?
Puh, ik heb ervoor gezorgd dat mijn nagelaten indruk niet minnetjes was en ik wed dat hij volgende keer naar mijn aankomstuur gaat polsen bij dat bloedesbattement.
  
De meneer die zich graag als Aardvarksken laat aanspreken, ken ik van vroeger.
De jeugdhuizentijd zeg maar.
Ik geloof niet dat we ooit meer dan tien zinnen ver zijn geraakt, maar we hingen wel wat freak- en punkachtig te wezen in hetzelfde kringetje.
  
Een tijdje terug verklapte Dryade, die bekoorlijke, ja die, dat Aardvarksken – die trouwens helemaal geen -sken is, hij benadert de twee meter, de radvoorogendraaier – een blog had die het lezen de moeite waard is. Wat ik dan ook wel eens aandurfde, zo anoniem en stillekes.
  
Niet lang daarna startte ikzelf dus ook met mijn fratsen waar niemand op zit te wachten (het staat u vrij me tegen te spreken 😉 en ik zond hem een mailtje waarin ik heel geheimzinnig omschreef dat een wederzijdse kennis mij op de hoogte had gebracht van zijn blogbestaan.
Haaaaa! Wat zou die mens zijn hoogsituerende hoofd breken over wie o wie ik zou kunnen zijn. Ik verkneukelde me imaginair al een eind zijn verbeelding in.
  
Later hoorde ik dat net daarvoor die dekselse Dryade hem ook van mijn schrijven op de hoogte had gebracht. Opzet mislukt.
Maar de bijnareus kwam hier dan wel weer af en toe eens langswaaien. Opzet gelukt!
  
Alsof toeval bestaat, komt een bekend silhouet (een aantal armen en benen zwierende aan een iets voorovergebogen lichaam, zelfs na zoveel jaar niet mis te herkennen) binnengehobbeld, terwijl ik wat knullig de wachtrij vergrootte, waar je moet blijven staan tot iemand “linkse? rechtse?” roept. Nog iets wat ik nooit begrepen heb, een arm is toch een arm, en in allebei zit er volgens mij bloed dat ze eruit kunnen halen. Wat ‘linkse’?
  
Ik zag hem eerder als hij mij en ik moest mezelf beheersen om niet door die zaal te gaan schreeuwen van : “Joehoe! Aardvarsken! Hier! Ikke!” erbij grootse gebaren met mijn arm uit te voeren.
Het bleef bij een rondje met mijn platte handpalm toen hij een keer achterom keek bij het invullen of hij al dan niet of wel een hiv-risicogeval is.
  
Nog zoiets, wie gaat nu invullen dat hij/zij een seksueel gevaar is, als hij/zij bloed wil verstrekken. Dan blijf je toch weg?
De vragenlijst overleven is anders ook alleen voor de elite weggelegd.
Ben je ten tijde van de gekke koeienziekte in Groot Brittannië geweest? Afgevoerd!
Geopereerd in de twee maanden voordien? Keer huiswaarts!
Neem je een te zware anticonceptiepil? Of andere medicijnen? Idem.
Ingreep met verdoving bij de tandarts gehad nog niet zo lang geleden? Zelfde weg!
Toevallig homo? Jammer, uw kandidatuur kan niet weerhouden worden.
Ik begrijp best waarom ze via de media oproepen lanceren om volk te lokken… er blijft geen kat meer over op de duur.
  
Meneer globezwijntje had de eer van net die stoel te mogen benemen waar ik mijn kontwarmte had achtergelaten. Good vibes hè kerel?
  
Ondertussen smeet ik me op de koekjes met chocolade en praatte met een van de geweigerden die op zijn maat wachtte over gaatjes in de arm.
(Hij was een ancien, zijn vrouw had schrik van naalden, die weigerde zichzelf te laten doorprikken, zijn dochter studeerde filosofie, vroeger stond hij altijd met de late…) jaja, een mens komt wat te weten in onschuldige gesprekjes en dan hou ik mijn uiteenzetting over de maat nog voor me want die begon over het netwerk in Oostenrijk waar internetten (en bellen) overal via een elektronisch notebook en het gsm-netwerk verliep en dit alles aan de democratische prijs van € 30.
  
Plots keilde een Aardvarksken zichzelf op de stoel naast mij.
Pech voor hem dat ik net het laatste koekje met pel chocolade doorslikte.
Het was een prettig weerzien. We verbaasden ons er wat over dat we er allebei niet meer zo uitzagen als pakweg twintig jaar geleden, bloggeschiedenisjes werden uitgewisseld, hij wist te vertellen waarheen het afgekeurde bloed naartoe geloosd werd. (Dat onderwerpje was voor jou om uit de doeken te doen G., voor de Mencken onder ons, ik ging gewoon lekker vrouwisch onze ontmoeting beschrijven.)
  
Oh, mannen zijn zo zalig, ze kunnen naar je luisteren zonder te geeuwen als je het over je minizuiveringsinstallatie hebt en het WTCB dat enkele jaren nadien je afvalwaterkwaliteit helemaal ontoereikend vond.
Zei ik gisteren dat ik over niets zou klappen?
Mijn oor… van Koen fillet over naar lopen, een omweggetje naar verbouwingen, de koekjes die ik veroberd heb voor zijn neus, rietvelden en hun zuiverende krachten, het VB, nog eens de koekjes, de kinders en weetikveelnogwatallemaal.
Intussen maar gratise koffie zuipen.
Heb ik ooit wat over slaap gemekkerd? Bij deze annuleer ik die zinnen terug.
  
Valt het op dat ik die toevallige ontmoeting met wereldbeertje wel kon smaken?
En de koekskes ook?
  
Tot een van de volgende, AVsken!
  

The Iron Lady… not

  
zapnimf1kleinlichtroze-op-donkerroze.jpg   Teder de dag die nog niet wil beginnen,
een tentenkamp van tule en wit linnen
waarin de zon met vlokjes licht beweegt
gelijk een vis met niets dan zilverlinnen.
  
Anton van Wilderode
  
Schoon.
Alleen, ik mis dat stuk van de dag meestal, wegens het slapen van een gat erin.
Tenzij natuurlijk dat mijn dag nog niet ten einde is.
Iemands morgen is mijn gisteren.
Iemands ontwaken is mijn slapen.
  
Mijn slapen, zo bleek vorig weekend, is van alle en hele dag.
Vergeet die tseetseevlieg.
Per post kreeg ik mijn nieuwe vermeende reden enkele dagen geleden toegestuurd :
  
Beste bloedgever
  
Graag nodigen we je uit op de volgende bloedinzameling.
We hopen ook deze keer op jouw steun te mogen rekenen.
Alvast bedankt voor je inzet. Je bloedgift kan een leven redden.
Vele Rode Kruisgroeten en tot binnenkort.
  
Allez, dat is niet de reden, maar het herinnerde me wel aan een eerder schrijven van hen.
  
Geachte zapnimf,
  
Na uw laatste donatie stelden we vast dat het hemoglobinegehalte in uw bloed een licht verlaagde waarde vertoont. In afwachting daarvan mogen we geen beroep doen op u als bloedgever.
  
Nu kon ik eens levens gaan redden en gingen ze me het verbieden omwille van een beetje ijzertekort.
Zegzeg, als je mag kiezen tussen doodgaan tout court en niet doodgaan met wat ‘te weinig pigment van de rode bloedcel waarvan ijzer een essentieel bestanddeel is’, ga je toch ook wel
“Een gekregen paard mag ik niet in de bek kijken! Geef hier dat rode spul van die slappe!”
brullen? Niet?
  
Trouwens, uw zapnimf is gehouwen uit een brok graniet!
Boordevol mineralen!
Een corpus als kwarts, veldspaten (kaliveldspaat en plagioklaas) en mica’s (muscoviet en/of biotiet) alsook amfibool! Alsof iemand dàt niet weet!
IJzer is toch ook een mineraal?
Weldan? Moeten we hierin echt pietluttig gaan doen, ja?
  
Maar bon, ze wilden me dus niet en ik ben heus niet zo tegendraads als ik overkom, dus de augustuseditie van het samen uitvloeien van plasmavochten der idealisten sloeg ik over.
(Eigenlijk vergat ik ze, want er kwam net een Lokers feestje tussen, maar dat klinkt niet zo goedhartig belangeloos.)
  
Vanavond echter, zal er weerom een halve liter bloed van me afgelaten worden.
Zal ik staan in een rij van mensen die stuk voor stuk morgen een dag congé krijgen voor hun gift, uitgezonderd ik.
Zal ik misschien weer die meneer zien die het nu toch al jaren volhoudt, maar telkens nog bij het rechtstaan een moment van zwakte krijgt en al meer dan één keer de grond is opgestuikt, daarbij de rok meetrekkend van de vrijwilligster met de roze onderbroek.
Zal ik koekjes en koffie nuttigen aan een tafel met allemaal onbekenden en we zullen praten over niets.
Of over het gaatje in onze arm.
  
Waarna ik weer veel te laat ga slapen, om me ’s anderendaags te kunnen afvragen vanwaar mijn nood aan al die tussentijdse dutten vandaan komt.
IJzertekort… duh!