Een dag vol mij… gevuld door hen

  

   Af en toe lijkt het hier het land van Ooit wel.

Met kleine bazen en hun personeel dat mag ja-knikken. Onze scènes willen soms zelfs de toneeltjes overtroeven die in Drunen geacteerd worden.
Ik kan het weten… ik heb al eens met mijn borsten bloot gezeten op de tribune van het riddertoernooi aldaar.
Maar dat is dan weer een ander verhaal.
   
Kinderen-baas hadden vandaag beslist dat het ‘mijn dag’ zou worden.
Dat klinkt niet eens zo slecht hein?
‘Mijn dag’ ter compensatie voor een andere die normaal gezien ergens midden in de komende week zal vallen. In simpele mensentaal betekent dat dat ik een hele dag niet aan hun aandacht kon ontsnappen. Hoezeer ik ook trachtte van een enkel ogenblik voor mezelf te bemachtingen, ze hingen altijd wel ergens binnen handbereik te meesmuilen om een of andere gunst. Mijn dag is natuurlijk ook een beetje hun dag.
   
De intenties waren er alvast.
Vanmorgen vroeg kwamen ze de twintig euro opeisen die ze een paar weken geleden van een zus van mijn vader hadden gekregen en die ik, bij gebrek aan vier briefjes van vijf, nog steeds op mijn bil geslagen hield. Om maar even aan te stippen dat vijfduizend keer zeggen dat ze hun schoenen op het rekje moeten zettten ipv ze ergens in de buurt ervan te gooien, ononthoudbaar is, maar vijf euro ieder… dan zie je ter plekke een olifantengeheugen ontstaan.
Zo zwak op de dag – voor tien uur – mompel je dan iets alla : “portefeuille kijken” en draai je je nog eens om in je nestwarmte hopende op nog een paar uur platte rust.
   
’t Was een dik uur dat me nog gegund werd en toen sommeerden ze me van geblinddoekt tot beneden te geraken.
Uiteraard heb ik vals gespeeld op de trap, maar ik kan het goed brengen. Op de juiste ogenblikken “oe” en “aaa” uitstoten is genoeg om aan de verwachtingen te voldoen.
Op tafel stonden koffiekoeken klaar en een groot pak.
Voorzichtig nam ik er een en hoera… er barstte geen tumult los, wat wilde zeggen dat ik precies diegene had genomen die zij voor mij voorzien hadden.
   
Het pak bevatte iets uiterst futuristisch dat eruit zag alsof het made in Taiwan was, gemaakt door andersvalide kobolts met daarbovenop een cognitieve stoornis : een aantal wit plastieken draden in een wrong, een potje en een stekker. Op de doos las ik ‘spaghettilamp’.
Ooh diedeladiedeeee, daar wacht ik al heel mijn leven op! Een spaghettilamp! Joehoeeee!
   
Nu kan ik behoorlijk doen alsof (aan al mijn allerbeminnelijkste exjes die hier nog ronddwalen : aha! jullie dachten dat al mijn orgasmes echt waren, niet?! Op de juiste ogenblikken “oe” en “aaa” uitstoten is genoeg om aan de… euh? Mja.), maar meer dan een drukkend stilzwijgen kreeg ik er vanmorgen toch niet uit.
En nog een stilzwijgen.
En nog een.
Onderwijl namen mijn nazaten het gekakel voor hun rekening :
   
– “Wat voor kul is dit? Ik had toch gezegd dat jullie die lamp moesten nemen waar je aan moest komen en die dan van kleur verandert?”
– “Jaaaa zeg, die vonden we niet. Ga dan in het vervolg zelf!”
– “Volgens mij is deze kapot, zie naar die kleuren op de foto van de doos, daartegen is dit hier maar fletse brol.”
– “Die draden passen ook niet in het potteke.”
– “Goeie koffiekoek anders.”
– “Hebben jullie het bonnetje nog? Dan kunnen we nog ruilen.”
– “Hebben we dan nog geld over?”
– “Ja, ik ga na schooltijd nog wel iets anders zoeken voor mama.”
(Imaginair zag ik mezelf naar de hartstreek grijpen.)
   
Er keek er eentje naar mij en ik ging over naar de bejubeling van de koffiekoeken en de letter uit chocolade die ze ook nog meegebracht hadden.
   
‘Mijn dag’ impliceert natuurlijk ook dat ze mogen eten en drinken wat ze maar willen, het is immers feest toch?
De oudste zou vandaag koken. Wortelpuree met iets schnitzelachtigs en chips ofzo als voorgerecht en poffertjes als nagerecht. Dat zou ze.
Als ik al niet terug in stilzwijgen was hervallen, zou ik haar zeker en vast onder de neus gewreven hebben of ze haar vorige pogingen al vergeten was. Die keer dat ze het gepresteerd had van ons allen zwarte verkoolde brokken voor te schotelen, waarvan we later vernamen dat het vlees moest voorstellen, rauwe aardappelen en geen groenten, want daaraan had ze niet gedacht. En pudding die van alle voedingswaren niet verder verwijderd kon genoemd worden dan pudding. (kijk, vier werkwoorden achter elkaar in een totaal kromme zin, maar ik vertrouw erop dat ieder van u hem wel begrijpt.) Lopende schimmel geleek er meer op.
Zapjebijnadertien een teleurstelling besparend en de overige drie zaps eentje bezorgend, beloofde ik van haar ingrediënten nog ergens in een consumententempel te gaan bemachtigen alvorens het avondeten aan zou breken.
   
Maar ach, toen het zover was, zat ze net op msn in een blijkbaar leuke babbel verwikkeld. Of ik gewoon en bak lasagne wilde meebrengen en hem ook zelf wilde opwarmen? Aan hoekomikeronderuitinventiviteit ontbreekt het hen niet, die baarmoederkunstwerken van me.
   
Voor de laatste activiteit van die dag van mij, tesamen met hen, moest ik een film kiezen, die we dan altegader hangend in elkaar zouden volgen met de nodige aandacht.
De jongste viel prompt in slaap in mijn armen, wat ik nu eens zeer aimabel van d’r vond, ze is nooit schattiger dan op deze wijze. Krulzap jammerde dat ze de ondertiteling niet kon volgen. Bijgevolg mocht ik ook nog eens een halve avond tv voorlezen. Zij die liever msn’t dan kookt, msn’de zonder schaamte verder en de zoon deed wat we van hem gewoon zijn : het plot verklappen vooraleer we eraan toe zijn.
Anders een geinig filmpje, ‘Cool Runnings’.
   
Anders ook een opgeluchte moeder… die het einde van de avond in zicht zag komen.
  

Chromofiel in eigen haar

  
   Begin deze week ben ik nog eens wat tijd gaan verdoen in de wasbak van een professioneel die zijn uren slijt aan het opleuken der frisuren.
   
Dit voormalig goudlokje had de fiasco van vorige maal nog niet helemaal verteerd. Mijn rancune herstelt zich nu eenmaal niet zo snel als mijn maag.
Toen had de patron een halfwassen spriet ingezet om me te laten besmeren met een kam en ontkleuring – dat heet balleage (voor de detaillisten onder jullie).
Dat heeft zelfs een bedoeling (voor de nieuwsgierigen onder jullie).
In mijn geval was dat het wegwerken van de heimwee naar de hoogblonde haardos van een weleer die zich in mijn lagere schooltijd ergens situeert.
Mijn ondertussen natuurlijk asblond wat ontdoen van zijn grauwheid, zeg maar, door hier en daar er een tintje lichter tussen te trekken.
   
Maar dus.
Achterdochtig sloeg ik helpstertje van keskeschiet gade, toen ik in de mot kreeg dat zij toch wel heel vrijgevig en dolenthousiast met kwaksels van dat stinkende goedje de trots op mijn kop begoochelde .
Ik hoopte met stiekem gekruiste vingers onder die kapmantel op een zinsbegoocheling bij het zien van haar trucs, terwijl iedere mondige klant op zulk een cruciale momentopname allang had ingegrepen.
Soms is uw zapnimf zowaar een ongepast doetje.
   
Het werd nog erger.
Zij die het nog zou presteren van een kletskop te mismeesteren, duwde me onhandig, zonder tegengehouden te worden door enige vakkennis, pardoes onder zo’n stoommachine ; een mobiele harde geplastificeerde helmbadmuts iets. 
Dat allerlei pikkend spul in dampvorm mijn ogen irriteerden kon haar nu eens geen ene moer schelen. 
   
Nu kan ik mij voorstellen dat James Watt met zijn uitvindingen, of in dit geval verbeteringen ervan, menig mens tot tranes toe heeft bewogen, maar de coiffeursversie ervan ontfutselde een hoeveelheid vocht aan me vergelijkbaar met het debiet van de Schelde van Antwerpen tot aan de monding. Bleiten! (voor de liefhebbers van het plaatselijke dialect onder jullie.) Bleiten!
   
Daar zat ik dan.
Voor de buitenwereld enkel een neus en wat eronder hoort zichtbaar, overgoten met tranen.
Kansloos probeerde ik ‘hotel – echo – lima – papa’ te concretiseren in het nation wide alfabet, speelde ik een glansrol Hints (één woord! één lettergreep! klinkt als schelp/welp!), poogde ik morse door te seinen met mijn knieschijven.
   
Driewerf helaas.
Pas toen ik halfblind die pothelm van het statief rukte en hem naar de kapper mikte, ongewild de krulspelden van iemands hoofd kegelde, dan pas zag men mij, o gele muis, in niet-stilte lijden.
   
De baas paaide me nog met het opsommen van beroemde voorbeelden met ook van die tressen haar die geleken op een bussel stro, onderwijl wanhopig gesticulerend in de weer met vermassacreerde lokken en blitse spuitbussen.
Bij het horen van ‘Don King’ heb ik twee vingers in zijn neusgat gedraaid en een keer onzacht aan zijn neushaar gesnokt, mijn leed op de schedelpan met verve meegesleurd en de zaak achter mij gelaten.
   
Zo verging het mij dus een half jaar geleden.
Gechockeerd in iedere zapse vezel ontdekte ik in die uitgroei van alweer zes centimeter dat ik, ik die prat ga op mijn eeuwige jeugdige uitstraling, vergeven ben van grijze haren!
Geel-grijze haren… dat leek me al sinds 1974 geen modetrend meer, dus een oplossing drong zich op.
Mijn vete werd opgeheven en met puppieogen smeekte ik de hoofdknipper van iets reddends uit te vreten met de knopen op mijn kop en me af te helpen van mijn xanthofobie die gaandeweg was ontstaan. 
    
Het moet gezegd worden.
Ik zie er niet meer uit alsof ik mijn halve leven heb doorgebracht in zeewater.
   
Achtenveertig euro lichter, twee tinten haarkleur donkerder…
En niemand die het zag!
Aaaargh!
  

Met de ogen op de rug en de kop in de kast (deel drie)

  

   Ons nestelend in een luxueus bed, beloofden we mekaar plechtig dat we zouden stompen, mocht er eentje van ons wat te wroeterig of te luid wezen. Overal, behalve in de maagstreek.

   
F :”Ik moet vijf keer plassen op een nacht.”
ik :”Dat hoor ik toch niet.”
ik : “Ik snurk naar het schijnt, tenminste… dàt werd mij al wel eens verteld, maar dat zijn fabels hoor.”
F : “Och meid, als ik slaap, mag er een bom ontploffen.”
ik : “Slaapw…. grrrrshnurrrrrrrfffgrrrrrr…. grrrrshurrrrrrfffgrrrrr… shgrr shgrr….. grrrrshurrrrffffgrrrr…” 
   
Slechts een van haar vijf plasbeurten ergens midden in de nacht deed mij een oogje opentrekken.
   
ik : “Heb je al lekker geslapen?”
F : “Euh… ik heb al goed gerust.”
“Gij snurkt, mens! Je kop lag nog niet neer en het was al van Jan.”
ik : “O.”
“Waarom heb je me dan niet een doef gegeven?”
F : “Arm te kort.”
“En nog iets. Wat was je allemaal in je slaap aan het brabbelen daarstraks? Over ‘chocolade mousse’, heb je misschien nog niet genoeg gegeten?
ik : “Euh… ik ga ook eens pissen, ik moet ineens.”
   
Het wakkere mens had het licht al gedoofd bij mijn verlating van de badkamer en ik hoopte dat ze aan haar ‘ermageenbomontploffenslaap’ was begonnen.
Heel overdreven tiptenend, oriënteerde ik mij in het stikdonker stilsluipend naar mijn bed. Volslagen idioot ver voorovergebogen en horizontaal tastend met een linkerarm, die de taak gekregen had van een bedsponde te voelen als ik hem zou naderen.
Het doet mij pijn toe te geven dat mijn natuurlijk navigatiesysteem een barst vertoonde want ik liet het bed volkomen links liggen en het deed mij nog meer pijn bij het einde van die kamer met mijn kop tegen de ingemaakte kast te stuiteren.
“Plok!”
Nog een barst. Eentje in mijn ego en schedel tegelijkertijd.
F. weer klaarwakker. Tot zover haar bomverhaal.
   
Een buil rijker en een illusie armer sukkelde ik mijn bed wee… grrrrshnurrrrrrrfffgrrrrrr…. grrrrshurrrrrrfffgrrrrr… shgrr shgrr….. grrrrshurrrrffffgrrrr…
   
Een verademing voor die arme F. dat ik al om acht uur wakker was, zo kon zij nog een uurtje maffen terwijl ik onduidelijke dingen in de badkamer uitrichtte.
Die haardroger hing echt wel vast.
   
“Zapnimf… wat zit jij daar al een uur in die badkamer te doen?”
“Mijn tijd te verschijten, tiens… letterlijk.”
   
Ik rookte nog staand op een stoel een sigaret met de bovenzijde van het lichaam door het dakraam gewurmd en toen had ook zij haar ochtendverfraaiing afgerond.
   
Statistisch gezien moesten wij – nuja, ik toch – als de meest uitgeslapen figuren aan die ontbijttafel verschenen zijn, want we arriveerden alweer als laatste. Alsof wij dat aan ons hartje lieten komen. Dat buffet stak onze ogen uit en we vielen al schransend in herhaling en aan.
Ha! Die voorsprong van die anderen was in no time ingehaald!
   
“Lekkere roereieren met spek hè?”
“Smakelijke broodjes hè?”
“Hmmm, die appelcake al geproefd?”
“O kijk, minikoffiekoekjes, njammie njammie!”
“Voor jou ook kaas en hesp?”
“Eeey! Ze hebben ook fruitsla en yoghurt.”
“Cornflakes kan ik in de Aldi thuis ook kopen.”
“Wil je nog een extra glas sinaasappelsap voor me meebrengen?”
“Rol je me straks voorzichtigjes van die trap, F?”
   
In uitstekend gezelschap keuvelden we nog wat uit, legden onze handen op onze buik om hem te kalmeren en schuifelden rond de middag zeer uitgeslapen – nuja, ik toch – en voldaan de auto in.
   
F. leverde ik een driekwart uur later af aan haar voordeur, waarbij ze net voor de afscheidskussen sprak :
“Fijn! Mijn voet slaapt, dat is dan tenminste toch één deel van mij dat zijn nachtrust inhaalt…” 
  

Niet in mijn zak, maar wel groter dan mijn maag (deel twee)

  

   Heelhuids en zonder paterkleerscheuren bereikten we de lange tafel, waar iedereen zonder etiquette zichzelf een stoel mocht uitzoeken naar eigen goeddunken. 

Ik gooide mezelf naast de gastvrouw en over mijn twee andere vriendinnen. 
Gemoedelijk toch? 
Tot een paar laatkomers zich ergens wilden tussenwringen. Iedereen twee stoelen naar rechts. Toe maar, nog eentje met een voorkeur, weerom een stoel naar rechts opschuiven. Ondertussen had ik al wel lekker gelikt aan iedere lepel die voordien voor me lag.
   
Jaaha! Een houten lepel. Daarmee moesten we het doen, de hele avond lang. 
Stiekem voegde ik bij mijn eerder middeleeuws compassielijstje ‘bestek’ toe naast de step en fiets. Ze mochten dan al wreed mooi wonen… het bleven primitievelingen op vlak van eetgerei, die monniken.
‘Eten als een Neanderthaler’, heet dat in mijn eigen gezinsjargon. Maar mijn overige gezinsleden vertoefden elders, zodoende kon ik zonder geplaagd te worden door voorbeeldneigingen, mij helemaal laten gaan.
Broodjes werden doormidden gekapt met de lepel, boter geschraapt, en als dat niet lukte, keuterden we wat vingerig doorheen dat smeervet om het vervolgens af te vegen op een minipistolet.
   
Het menu liet ik verdwijnen onder mijn bord, want ik had toen al door dat dit evenement een schrijfstuk waard zou zijn, met alle details van dien.
Dat had het kunnen zijn, als ik het niet zo goed verstopt had, dat ik het daarna helemaal ben vergeten.
   
Omdat de honger woedde in het vegeterende lijf, had ik een aanval gepleegd op toch al een stuk of wat broodjes vooraleer er iets visserigs geserveerd werd in de vorm van een paté met laagjes. Laat de naam mij daarvan nu even ontsnappen.
Even later kwam er een kippensoep aan, die luisterde naar velouté. Allemaal heel erg savoureerbaar, en redelijk hilarisch met houten lepel te nuttigen. Blijf aan de lopende band dat brood erbij voorstellen.
   
Mijn maag begon me stilaan boodschappen te zenden die rommelden als :
“Kaas, wijn, noten en olijven,
daarop een halve bakkerij,
Zapnimf, uw gulzigheid valt niet te beschrijven
met vis en soep er ook nog eens bij.
Stop ermee! Beveel ik u,
dwingend en met aandrang
of uw maaginhoud passeert opnieuw de revue
deze keer richting uitgang.”
   
Pfft, omdat ik nog steeds de leiding heb over mijn organen, negeerde ik de foor die op gang kwam ergens diep in mij. “Die vlinders in mijn buik, zijn taai”, dacht ik nog, “die overleven wel een onderdompelinkje.
In de plaats daarvan koos ik voor een, al zeg ik het zelf, vindingrijke oplossing en ik trok mijn jeansbroek uit… wedden dat die paters vroeger ook geen jeans droegen?
Een frisse wind tussen de billen woei alle twijfel over een moeilijke maagcontrole naar de filistijnen, dat leek me ver genoeg en ik wachtte gelaten op de volgende gang : konijn met pruimen in een aarden potje met een deegomhulsel als deksel.
   
Dat werd lachen. Eindelijk hadden we door waartoe die lepel diende. Om het bladerdeeg van je buren kapot mee te slaan natuurlijk! Het werd iets tussen sabelen met die houten stokken ter defensie en zoveel mogelijk schade berokkenen aan het eten van de omstaanders. Door de gaten zagen we dat ik het konijn had en F. naast mij de pruimen. Ik vond dat een goeie verdeling en wisselde niks!
Eten met de jetset is fun!
   
Het kwartier na de verorbering van dat beest al iets minder. Het deed me letterlijk pijn te moeten constateren dat mijn maag overschot had… en van gelijk ook nog eens.
“Hou uw maag in bedwang of het vulsel ervan plakt subiet tegen het behang” indachtig, veranderde ik van tactiek. 
Doodstil, niet bewegende, klotsen vermijdend, bewoog ik nog enkel mijn lome hoofd daar gezeten op de stoel. Tot ook dat niet meer meewilde en ik, alsof al mijn lichaamsfuncties het lieten afweten, prompt in slaap dommelde tussen een taterend gezelschap.
   
Knikkebollend bracht ik zo het volgende half uur door.
De broer van B. stamelde verbaasd dat hij dacht dat ik zo’n feestbeest was. Ik mompelde iets over een verplicht laag profiel en liet vervolgens zien hoe het mijne alweer met zijn ogen toe tien centimeter naar beneden schoot.
Ten einde raad probeerde ik wat van die kan water, gevuld met ijsblokjes tot aan de rand, bij mijn wijn te gieten, waarop honderdnegenendertig klompjes ijs over de tafel stuiterden… ik heb ze geteld bij het oprapen. Enkele ervan hield ik achter om tegen mijn rooie kop te houden.
   
Toen kwamen de ribbekes met gevulde aardappelen in de schil.
Neenee, die ging ik overslaan.
Niet voor mij deze keer.
Mijn maag hield zich net even kalm.
O? Mijn maag hield zich net even kalm!
Zou ik toch niet eens proeven dan?
Een beetje maar?
Gezwind tastte ik wat groenten, een ribstuk en een petat op mijn bord.
   
De mantra in mijn maag humde onnegeerbaar luid :
“Geen avance om u te waarschuwen.
Vreselijke krampen worden uw deel,
gij die er nutriënt blijft induwen,
trop is te veel!”
   
En ik viel weer in slaap tot aan de pannenkoeken, maar deze keer dubbel van de pijn.
   
Pannenkoeken! Hoera!
Iets dat ik ken en thuis ook in de Aldi kan kopen! Eindelijk iets dat ik kon overslaan!
Al nam ik er dan toch maar drie happen van.
De koffie bracht iets verlichting, maar die heerlijke pralines erbij dan weer niet.
   
Tjonge, ik heb me zelden zo goeieraderigindewindslaand gevoeld.
Of gewoon stom.
Mijn maag was op dat ogenblik zo uitgezet, dat ze tot tegen mijn trommelvliezen reikte. Van enige conversatie volgen was geen sprake meer en het excuus gebruikend dat F. nog onderheving was aan die gemene klierkoorts van vorig jaar, sleurde ik het kind mee en verlieten we slaapwandelend met broek over de schouder en zonder menu de zaal.
Erover eens dat het een leuk feest was geweest, ondanks wat gezeur in de buikstreek, maar dat onze pij(p) uit was.
  

Wij hebben onze ogen niet in onze zak (deel één)

  

   D’r kwam wat tussen gisteren.

Vettig haar.
Onverwachte invitatie met voeding, zelf gekocht uit een pakske, maar wel lekker… danku Dryade!
Nog meer onverwacht noodbabysitten.
en socialiseren (nog steeds met vettig haar!).
   
Zaterdag.
Zaterdag was ik te gast gevraagd op de priorij van Corsendonk in Oud-Turnhout.
Chique hoor!
Een veertigjarigenfeest van de man van mijn ‘ouwe’ (tevens intelligente, lieve, grappige, knappe – ze leest dit ding ook af en toe) schoolvriendin.
Met slaapgelegenheid én ontbijt! Daarmee kan je een arme sloor als uw zapnimf wel doen watertanden.
Oeoeoeoe, doebiedoebi sjakkasjakka hoela joepie!
   
Beetje domper uiteraard dat me nadrukkelijk op voorhand was gevraagd of ik alstublieeeeft low profile wilde houden, want het gezelschap zou bestaan uit stuk voor stuk deftige mensen die nog nooit in aanraking zijn gekomen met schorem als… ja, wie eigenlijk?
Moi? Ik, die te allen tijde me weet te gedragen alsof ik de schoonmoeder ben van de koninklijke familie?
Bon, goodwillig had ik ter voorbereiding de nacht voordien de rust overgeslagen en nog voelde ik me behoorlijk manisch per ongeluk die zaterdag.
   
Ook slim bedacht had ik afgesproken van F. op te pikken, zodat ik zelf geen wegen meer moest zoeken naar die priorij die naderhand ergens in een complete middle of nowhere gepoot stond. Terstond kreeg ik medelijden met de middeleeuwers die nog niet afwisten dat later de trottinet, fiets, auto zou uitgevonden worden.
   
F. kende de richting naar Turnhout, maar daar was dan ook zowat alles mee gezegd. We namen de verkeerde. Die met de duizenden stoplichten.
Het hinderde echter niet, want ondanks een dik uur latere aankomst dan voorzien, waren we eigenlijk nog niet uitgepraat. Misschien dat dat babbelen een heel klein beetje ons zicht vertroebelde – wij spreken vochtig – zodat we de ringlaan, die we volgens de vriendelijke meneer die ons na bevraging achteraf een half uur terugstuurde, niet konden missen, voorheen niet zonder de minste notitie van iets ringlaansachtigs toch hadden overgekeken… en gereden.
   
Uiteindelijk lukte het ons dan toch, mits nog enkele stoppen :
“Een pijl, een pijl!”
“Wat zeg’t ‘m?”
“Niks en hij leest ook niet, want hij is donkerbruin, alsof je nooit in het donker moet zoeken naar bestemmingen!”
“Een keet, een keet!”
“Zou het dat kunnen zijn?”
Samen : “Neeeuuuh… te klein, te min, te onpoepchique voor waar wij willen verwacht worden!”
“Nog een etablissement, hiero?”
“Nope… te weinig dure auto’s op de parking.”
(maal vijf)
   
Het meisje aan de receptie wuifde ons directief naar een trap die we moesten nemen om bij onze medefeestgangers te geraken.
Euforisch stoven we de eerste de beste deur binnen : “Joehoe! We zijn er geraakt! Waar hebben jullie je verstopt, zeg!?”
Zoals het spreekwoord zegt : Eerst zien en dan (pas roepen en dan je ogen niet kunnen) geloven… We herkenden niemand van die bende.
Zij ons ook niet, denk ik, want iemand in smoking kwam ons vragen wie we waren en wat we op het huwelijk deden van zijn dochter.
“Wij kwamen even uw buffet bewonderen, meneer. Waarlijk delicieus… zullen we dan nu een verdieping lager gaan checken of het eten daar ook zo lekker uitziet?”
    
Deze act deden we nog een keer over in de gewelvenkelder, waar we een prettig weerzien ontvingen na zowat twintig jaar met de ouders van echtgenote van feestvarken.
“Zapnimf! Dàt is lang geleden!”
“Jaaahaaaa, zeg gerust dat ik er goed uitzie, en jong!”
“Je ziet er goed uit, en jong!”
(Ik hou toch zo van brave, luisterende mensen!)
“U ook, u ook (en ik hoefde niet eens te liegen, hoe onrealistisch!)”
“Hoe is’t allemaal met je, zap?”
“Keifantastisch en hongerig en helemaal niet manisch want ik ben in mijn low profilerige vandaag! Waar zit de jarige? Dat ik hem eens flink kus!” *half zepposdanske onderdrukkend*
   
Na alle ceremonieën van familieleden herkennen, mee met de eer gaan lopen van de originaliteit van onze gezamenlijke cadeau, die I. onovertreffelijk samengesteld en ingepakt had, bevochten we ons een staantafeltje waar er nog kaas, olijven en nootjes voorradig waren. Met een glaasje wijn wat te gulzig aan onze lippen, keuvelden we wat nieuwtjes op een hoopje, tot ik in de mot kreeg dat er een mannelijk sujet mij met iets te veel aandacht bestudeerde.
Lap, daar heb je het weer, je bent nog maar net binnen en niet eens subtiel proberen ze je te verleiden op een manier waar je van gaat blozen. Deze had zelfs een papierblok bij en schrijfgerief.
Owjee… wie weet krijg ik straks nog een briefje in mijn hand gedrukt met een nachtelijke plaats waar hij me wil ontmoeten! Ik slaap bij F. hoor!
De mens keek nog eens naar mij alsof hij zijn moed ergens zocht om bijeen te rapen en met een niet mis te verstane tred kwam hij op me af, onderwijl het blad van zijn blok scheurende en met veel gebaar overhandigde hij me… een karikatuur van uw ondergetekende.
Gelukkig in potlood, dan kan ik die dubbele onderkin later nog weggommen! En die wallen ook.
Dat was duidelijk… ik zou dus inderdaad bij F. slapen deze nacht.
   
Tussen half zeven en zeven kregen we tijd om onze kamer te zoeken en onze pyjama en tandenborstel te installeren. Ik dan toch. Mijn kamergenote had daarbovenop nog een tweede outfit bij, extra laarzen en een wandeltenue. Poeh! Mijn proper onderbroek legde ik met net zoveel geste weg alsof het een dure garderobe was.
   
Maar voor het zover was, moesten we die honderd meter nog overbruggen van de feestkelder naar het gastenverblijf. De wijn had op onze nuchtere maag zijn werk reeds verricht.
“Links of rechts?”
“Rechts!”
“Wel donker hier hè?”
“Hier moeten we rechtdoor, vertrouw op mij.”
“Zot! Dat is hier een beek!”
“Bijlange niet, dat is de weg.”
“Gij eerst!”
“(Zoemp zoemp) Euh… ok, ’t is een beek.”
“Hier links dan, dat is echt een pad tussen de haag.”
“Ja, dat is een pad, maar het loopt hier wel dood op deze haag.”
“O oeps, terug dan”
“Waarom staan er daar allemaal lantaarns?”
“Omdat dat de juiste weg is, suffe!”
(Hobbel hobbel tegen mekaar, lachen en nog eens lachen en het rap op de wijn steken en plechtig beloven dat we dit tot in de eeuwigheid gaan verzwijgen! Jaaahaaa!)
   
Manmanman… ik moet werkelijk niks gewend zijn. Bij hotelkamers stel ik mij een bed met een piepklein loopje errond voor. In de deze kon je een horlepiep dansen, en dat weet ik zeker omdat we het ook even uitgetest hebben. Een badkamer, twee keer zo groot als de mijne thuis! Een elektrische broekenpers aan de muur! Een haardroger aan de muur! Een Miró aan de muur! En allemaal potvast gemonteerd hè hè hè! Alsook een grondplan dat ‘Corsendonca Monasterium Regularium’ heette, maar dat was niet mijn smaak, daarvan weet ik eigenlijk niet of het vasthing.
   
Op het bed lag iets bruins. Een pij, bleek bij verdere inductie.
Een pij dus.
“Leuk slaapkleedje.”
“Jamaar, ik heb mijn pyjama met roze hartjes bij.”
   
Tumult ontstond op de gang. Ieder vroeg zich af wat er met die pij diende te gebeuren.
Collectief werd besloten dat aantrekken om te gaan eten de meest voor de hand liggende optie was.
Enkele dames, die iedere gelegenheid zien om uit te pakken met pasgekochte tooi, pruttelden nog wat tegen, maar dat hield op toen hun man het touw van de pij in hun mond propte.
   
Aldus bruinomhuld in iets vormeloos maakte een stoet genodigden zich klaar om de terugweg naar de dis te voltooien.
We hebben ons daar fluks tussengesmeten, want in andermans kledij een beek insukkelen leek ons net iets erover.
  

Niveau!

  

   In de verte ontplofte de oude bes in een thermosfles.
De gek scheerde haar benen met het zwaard van Damocles.
Het exces van het abces voltrok expres.
Het stanleymes reeg het kassucces.
Topless sprong de keukenprinses in de bres,
als delicatesse op het verkeerde adres.
De zangeres verhinderde acces tot het S.O.S.
  
Wie die snapt is kamelenvanger!
Of zot.

Vermaledijde verhindering

 
– Achttien zorgplannen opstellen.
– Bijbehorend opzoekwerk in leerplannen en eindtermen.
– Verslag overleg GOK/zorg van vandaag typen.
– Tekort in handleiding – stoffelijk bn – lessen duimzuigen.
– Idem leestekens.
– Tien luisterlessen bedenken (uitwerking volgt later).
– Pablo Picasso eens googlen op Guernica en mezelf afvragen of ik het ga wagen van morgen het zesde leerjaar een muzische opdracht in die stijl te geven.
– Beslissen dat ik het daadwerkelijk ga doen en wel zal merken hoe rijp ze er voor zijn.
– Even nadenken over hoe ik dat ga aanpakken.
– Mezelf stom vinden dat ik het hier allemaal nederschrijf want er gaat nog steeds niks boven een jobke in het onderwijs.
– Toch eens hartelijk lachen met Marleen Vanderpoorten die ooit beloofde van de planlast te verminderen en de discrepantie tussen haar woord en daad sindsdien ondervinden. 
– Huishouden overschouwen.
– Schaamte proberen te onderdrukken.
– Opruimen? Wassen?
– Bekomen van kinders die mekaar vandaag naar het leven stonden.
– Onbekende kat verwensen die zichzelf gisterenmorgen tot nieuwe huisgenoot heeft uitgeroepen.
– Wensen dat ik een kinderloze dopper ben.
– Beseffen dat het donderdag is.
 
Dàt, beste lieden, noopt mij tot het bloggen van lijstjes ipv enkele rake zinnen die een context vormen, neer te poten.
U hoeft het niet te lezen… een beetje ingepakte compassie volstaat.

De flauwerds

  

   Deze week, de kinderweek, heb ik al een paar hilarische momenten met dat grut meegemaakt.

Gisteren toogden we naar school per rijdende klassebak, gevuld met allerlei wederkerende zeurtjes van de kinderen. Dat varieert van “Wat eten we vanavond?” (en als ik al eens een keer weet wat we gaan eten dan volgt er geheid achteraan : “Dat lust ik niet!” ) over “Ik krijg mijn botten niet dicht!” “We gaan te laat komen!” “Straks is de bus van het zwemmen al weg!” tot honderd keer “Vandaag heb ik blokfluitles, weet jij dat al?”
Meestal blijf ik lekker afgesloten in mijn eigen gedachtenkringetje en mompel iets nietszeggends.
   
Maar gisteren, gisteren!
Ineens zomaar op Stubru op die druilerige morgen : ‘I don’t feel like dancin” van The Scissor Sisters.
   
Het. Meest. Geweldige. Nummer. Van. De. Laatste. Tijd.
   
Wie het niet eens is met me… poepslagen, op de blote!
“Laat ik die jong eens wat afblokken” meende ik en het volume ging een draai naar boven, ik voerde de overtreffende trap van wiebelen uit, headbangde als een Angus Young, maar dan zijdelings, gaf mijn losse arm vrij spel en kweelde ongegeneerd mee. (’t Was een rustig straatje.)
   
Het hielp. Ondanks dat mijn voortplantingsresultaten wel wat gewoon zijn van me, vielen monden open en verstomde hun gezaag.
Tot er een tegenligger naderde.
Ik hoorde er eentje dat ik ooit nog zelf baarde uitroepen : “Ohneee! Die gaat zien dat dat onze moeder is!” Met drie tegelijk doken ze, voor zover hun gordel het toeliet, de diepte in om associatie tussen hen en mij te vermijden (“Is ‘m voorbij?”). Stel je voor dat ook maar iemand zich zou herinneren dat zij toen met mijn dansende zelve in eenzelfde auto hebben gezeten!
Ramp o ramp!
   
Het is nu officieel : mijn levende delen zijn sissies van het zuiverste water!
   

  
Hmm, de eerste keer dat ik die clip zie… toch wel een bende jeanetten eigenlijk

Goed spul die siliconen

  

Twee weken geleden had ik nog een zeer bedreven afwasmachine.

Misschien dat de onderzijde niet meer beproperde zoals het zou horen en het stuikte telkens in mekaar als ik eens enkele glazen er wat enthousiast in plaatste, voorts vond ik hoe langer hoe meer losse wieltjes en onderdeeltjes die verduurd waren…
Alla, ik had iets dat water sproeide, vergeet mijn eerste zinnetje.
    
Een week later had ik er een nieuw.
Een zuinig, prachtig bewonderenswaardig spel!
Wie mijn fratsen al eens leest, weet wie mijn persoonlijke elektricien, metser en loodgieter is : mijn pappie!
Ook nu weer had die lieverd geen enkele moeite gespaard om zijn hulpeloze dochter uit de brand te helpen. Bij levering heeft hij het oude afgekoppeld, het nieuwe in het daartoe voorziene gaatje geduwd. En aangekoppeld!
   
De eerste dagen durfde ik er enkel maar naar kijken. Deurtje open, kreetje laten, deurtje dicht, nog iets slaken dat bijna een orgasme benaderde. Kortom, opperste adoratie.
   
Toen de afwas het voorbije weekend tot bijna het plafond reikte, die verdomse gasten ook altijd die willen blijven eten, al is het maar pita of broccoli, werd het toch stilaan tijd om het gebruiksvoorwerp klaar te maken voor een eerste beurt (zo gaat dat met bewondering… die eindigt bij een eerste beurt).
Het publiek en ik laadden de magische box overvol, staken er een tabletje in, drukten een paar knopjes…
   
“Heb jij goesting om de gebruiksaanwijzing te lezen?”
“Nee, wijst dat zichzelf niet uit?”
“Draai op vijftig graden, knop induwen… ’t zal wel lukken zeker?”
“Dat spel is wel stil hè?”
“Uhu, dat is geen brol hoor! Brol en zap, dat combineert niet!”
(Twee oren – van twee verschillende personen, voor u weer een verkeerd beeld krijgt van mijn kleine poezelige oortjes – tegen de deur gedrukt… geconcentreerdheid alom…)
“Dat ding is echt wel stil!”
“Wat zijn al die lampjes hier die branden?”
“Euh… misschien boekske toch maar eens erbij pakken?”
“Die twee wil zeggen dat er geen zout en geen glansmiddel inzitten.”
“O oeps…”
“Het kraantje duidt aan dat er geen watertoevoer is.”
“Huh?”
“Zap, heb jij gecontroleerd of de gele klem rondom de schroef ter beveiliging er al af was?”
“Hmmneenietechtmoestdatdan?”
   
(De ‘snuggerste’ van de twee belt in paniek naar haar vader die sust en belooft van maandag langs te komen.)
   
   
Natuurlijk had ik wilde plannen voor maandag, maar die gingen niet door.
Bij thuiskomst stond het surrogaat van mijn tijdsbesteding al in mijn keuken. Vloekend en tierend dat het kraantje naar de afwasmachine kapot was en de inhoud van mijn kast onder de gootsteen verspreid op de keukenvloer.
Water werd afgesloten, koffie werd kinkloppen, mijn was stilgezet.
   
Om te tonen aan ik heus wel eens iets in het huishouden doe, ben ik begonnen aan die stapel wasmanden die hier al sinds september staan. Dat viel best nog mee. Onze organisatievorm bestaat eruit dat wie iets proper wil aantrekken en het niet in zijn kast vindt, het uit de wasmand mag plukken. Sokken zoeken is het leukst!
Het volgende project is van die berg goed in de juiste kleerkast te krijgen, maar daar schakel ik mijn personeel dan wel weer voor in.
   
Tussendoor mocht ik met lede ogen aanschouwen hoe vaders kraantjes verzaagden (“die nieuwe apparaten hebben toch een veiligheid, mocht het overstromen en zoniet… daar staat je hoofdkraan.”), aan darmpjes mogen sleuren, mee tillen, mee schuiven, skateboardje gaan zoeken onder de carport omdat dat volgens de werkmens ideaal was om als hefboompje te gebruiken.
   
Als apotheose, stootte hij met de afwerkplank mijn vloeibare plantenmest om (waarvan ik nu ook weeral weet dat ik die heb!), het werd schuiven daar in die keuken! Het op maat zagen van die plank deed hij zoals echte werklui doen… precies, krachtig en ergens boven mijn mat. Mijn talent voor interieurverzorging heb ik alvast niet van hem!
   
Maar het moet naar buiten gebracht worden : zijn gepoter had resultaat!
Het werkte zelfs, dat ding dat onze borden en glaswerk terug moet doen blinken!
Op het eerste zicht netjes afgewerkt ook nog! Het grenen paneeltje heeft hij er netjes met siliconen opgeplakt (lees : dat kan nooit meer hergebruikt worden bij een nieuwe machine). Edoch, het is niet aan te raden van te gaan kijken wat hij allemaal tussen die kasten heeft aangevangen. Zoals een brave dochter opgevoed is, zwijgen en kijken dus, zag ik hem aan de zijkanten van MIJN PASVERWORVEN KLEINNOOD heelder lappen ijzerwaar afknippen, want dit stremde en dat bemoeilijkte… ken je dat?
   
Oja! Het werkte!
Maar de afvoer van afwasbak twee lekt nu wel. En hoe! Gesukkel met afdichtringetjes leverde niks op. Een bakje eronder dan maar en hopen dat vaderlief eens op een andere keer iets fundamenteels eraan gaat doen.
   
Waarmee ik ineens besef dat ik nergens zou staan zonder onze pa.
Die mens heeft mij verwekt! Voortgeplant! Gepland zelfs! (toen toch).
Zonder zijn procreatie zou ik niks zijn! Noppes! Nada!
Geen lippen om te kussen.
Geen lijf om lief te hebben.
Geen stembanden om te lachen!
Geen vingers om oenige blogstukjes te schrijven!
   
Hierbij roep ik deze dag uit tot officiële zappadag! (Jef! Niet Frank!)
   
Oja, als het iets voor jullie kan betekenen… siliconen zijn dus niet droog op een uur, dat weet ik namenlijk uit empirisch onderzoek… toen dat voorfront mijn kleine teen plette bij het afdonderen.
Zo goed en zo kwaad en vooral pijnlijdend, ik kon, heb ik het krel er terug tegengekwakt, de ondertussen twee skateboards er weerom onder geklemd (links zakte altijd! Help help!) en bij verbrodding zou ik gewoon de onschuld zelve spelen.
   
Uiteraard heb ik me weer zorgen voor niks gemaakt. Een halve dag later, toen ik het nog eens waagde van het deurtje te openen, zonder kreetje, en deurtje te dichten, met ferme uitroep, want alweer lag het stuk hout op een teen.
De andere.
   
Kan ik die zap-pa-dag nog annuleren?
  

Sex and the ci… euh de boerenbuiten

  

   Ergens aan een zeer anonieme keukentafel, het voorbije weekend, pita verorberend :

   
x : Hoeveel vrijers heb jij eigenlijk na je huwelijk gehad?
y : Bwa, een paar, nog op handen te tellen.
   
(y vindt een rondslingerend kartonnetje en een balpen)
   
x : Duhhh!! Dat is veel te klein, zou je geen A3 formaat ergens opdiepen?
y : Schatschat… doe niet zo blasé, kijk, ik turf… dat gaat best allemaal meevallen.
x : Dinges! Met zijn vijf kinderen, dat was een jaar nadat je gescheiden was.
y : Ja dinges, dat was fun… allez, eigenlijk waren zijn kinderen nog meer fun, die stoet als we ergens met onzer beide kroosten naartoe trokken.
   
(x en y strepen enkele dingesen aan, na uitvoerige bespreking)
 
y : Die dinges was best heel speciaal, helaas een tikkeltje getrouwd, dat heeft zo’n twee jaar geduurd toch.
x : En dinges… allez, zeg het eens, die dinges waar je zo van onder de voet was?
y : Neen kind, dat is zelfs nooit tot in de beginfase geraakt. Die kuste mij en liet nadien nooit nog iets van zich horen. Kop tegen de muur noemen ze zoiets en eigenlijk was dat niet de enige die die tactiek uit heeft geoefend.
x : Euh… y… misschien moest je eens aan je kustechniek beginnen te knutselen?
y : Wat bedoel je? Niks mis met mijn kuscapaciteiten! Trut!
x : Troela! Je hoeft mijn neus niet af te bijten hoor!
De laatste dinges, daar was je ook gek van hè?
y : Jah jah… (mijmer)
Ook naar de verdoemenis buiten mijn wil om.
x : Hm, dat lijkt wel een constante in jouw leven, dat gedumpt worden. Mens, moet jij een krel zijn.
y : Grmble… (stilte)… ja?
x : Wat jij nodig hebt è è è, is eens iets serieus. Een dinges met tijd en aandacht voor je en niet te vergeten eentje die je nukken kan weerstaan.
y : Allemaal heel tof om te horen, maar bestaat dat wel?
x : Waarom stel jij altijd van die moeilijke vragen? En dan nog aan mij? Weetikhet?
y : Uwen toer!
x : O maar dan zijn we rap uitgeklapt : dinges, dinges en dinges.
y : Als ik me niet vergis, vergeet je hier gemakshalve je ex-dinges erbij te vermelden.
x : Jamaar, die telt niet mee!
y : Hoezo niet?
x : Awèl, die was niet meer nieuw.
y : O.
x : (beetje te snel) Ons andere vriendinnen dan!
y : Jamaar aan z en w wil ik zelfs niet beginnen tellen, te ingewikkeld, te veel aans en afs.
x : V dan.
x en y : Whoehahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahhahahahahahahahahah! 
y : Die is makkelijk!
   
(y tekent één streepje)
   
x : Stom eigenlijk, die kan iedereen krijgen wie ze wil.
y : Of just slim.
   
(x doorstreept en maakt er een half streepje van)
   
x : Eigenlijk was het maar een halve… we hebben haar achteraf nog moeten vertellen dat hij maar één been had, weetjenog?
x en y : Whoehahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahah!
y : Ja! Toch schoon van het kind dat ze dat niet eens op heeft gemerkt.
x : O zucht, wij moeten dringend allemaal eens iets echts gaan vinden!
y : Uhu, een dinges voor lang.
   
(x en y : staren wat in het ijle, zuchten nog eens, blazen de froefroe uit hun ogen, tanken koffie bij.)
   
x : Sja… iedere voorbijganger heeft invloed op je leven.
  

V.eelisnietgenoeg H.ypernimf S.yndroom

  

   Verlangen

heeft een vorm
die van donkerpaars
   
Hunkeren
maakt geluid
zoals bijna-vliegtuigongelukken
   
Smachten
geurt
onweerstaanbaar
naar veel
   
en meer.
  

De lach om de lach

  

   “Iedere voorbijganger heeft invloed op je leven.”

   
Dat is de wijsheid die D. me vandaag met een mond vol slablaadjes en pita, of kipsla want ik zat met een tekort aan pitavlees, toebedeelde.
   
Na haar eerdere sms :
   
“Zap, goesting om mee naar onze stamkroeg ‘de Vlug’ te gaan? Ik krijg boebels van mijne kleine nadat hij in de selfcarwash twee auto’s met schuim heeft ondergespoten en zichzelf bijna heeft opgezogen in een stofzuiger aldaar. (Waarom zijn die dingen niet ietsjes krachtiger?) Nu wil ik hem zoekmaken in een ballenbad!”
   
(Ik terug : Gisteren al frieten gegeten, kom maar naar hier broccoli eten, ook een smaak die je nooit meer los laat.)
   
(Voor wie niet mee is : “Quiiiiiiick, zijn smaak laat je nooit meer los!”)
   
en ons plotse besluit van de broccoli te vervangen door pitabroodjes, kwamen die woorden aan als een tang op een varken.
Maar ze wist ze uit te leggen.
   
Ooit, toen zij en ik te voet naast elkaar kribbig mekaar erop wezen dat het de hoogste tijd werd dat nog eens iemand anders ons zou ophemelen dan – ons kent ons – vriendinnen, reed er een opmerkelijk figuur tegen twintig per uur op zijn moto ons tegemoet.
Zij : “Zie hem daar! Die heeft daar duidelijk geen last van, die is juist van bil gegaan, zoveel is zeker.”
Het eerste wat ons opviel was een uiterst belachelijke zwarte pothelm, tenminste als je een beetje cool wil uitstralen gezeten op zo’n brulding. Als je je blik daarop richtte, werd die onvermijdelijk getrokken naar een beetje lager, waar zo’n beate grijns van oor tot oor de rakker een zeer idiote uitstraling gaf.
Hij was werkelijk een lust voor het humoristische oog.
We konden nog net de beleefdheid opbrengen om te wachten met slappe lach tot hij zich buiten gehoorsafstand bevond. Wat daarna volgde kan je situeren tussen over de grond rollen van het lachen en mekaar in evenwicht houden, wat pijnlijke trommelvliezen veroorzaakte, want het geluid dat we produceerden was vergelijkbaar met dat van een kudde zeekoeien die met een breipriem bewerkt worden en snot en tranen overal, gecombineerd met buikkrampen.
Een kwartier lang.
De rest van ons leven lang.
Deze voorbijganger/rijder kan nooit bevroeden hoe hij sindsdien ons leven beïnvloed heeft.
Op gepaste en vooral ongepaste tijden wordt hij weer vanonder het stof gehaald en zijn uitdrukking heeft ondertussen benamingen gekregen als de poepsmile, de Michel Lelièvrelach (al betwijfel ik of die toen van de grond is geweest, hij werd toen voorgeleid), de pothelmgrijns. We herkennen hem op onze eigen gezichten en op die van anderen.
Lachen om de lach, een geweldig gevoel is dat.
   
Intussen zijn we experts in lachherkenning en in ieder verhaal dat iemand van ons afsteekt, neemt de beschrijving en vooral het naäpen van de uitdrukking van het gelaat toch wel een grote hap eruit.
Die we vervolgens terug opvullen met ons eigen gegrinnik, gegiechel, zeekoegejank.
   
Iedere voorbijganger heeft dus invloed op je leven.
Jah… 
Om mijn kritische ik te omzeilen mompelde ze er nog vlug achteraan :
“Ahja, stel dat je bij het opzij gaan om iemand te laten passeren daardoor net niet in dat putje stapt waardoor je je knie zou gebroken hebben!”
Wat prijs ik me toch gelukkig met zulke intelligente vriendinnen!
  

Vrijdaggebed

  

   Onze Vader die in de hemelen zijt.

Verschaf mij toegang tot die zevende.
Laat mij een rijk tegenkome,
lief… bedoel ik dan.
Uw wil geschiede op aarde als in de hemel.
Mag mijn wil nu ook eens voor één keer?
Geef ons heden ons dagelijks brood,
maar een wokrestaurantje is ook ok hoor.
En vergeef ons onze schulden
die we onderweg maken bij al dat verbrassen.
Gelijk ook wij vergeven zijn van hebzucht
naar dat andere geslacht.
Leid ons vooral in bekoring,
liefde en lust,
maar verlos ons van kwade tongen.
Amen
  

Ich bin wie duuuuu!

  
   Ik : Hier, ze duwt ons weer op het scherm hoor.
Ik : Ja, ’t zal weer wat zijn.
Ik : Hetzelfde van altijd hè, ze heeft weer geen tijd.
Ik : Of ze probeert wat te verzwijgen, dat kan ook.
Ik : Je bedoelt toch niet dat verhaal van die vlooienbeten op een zeer onwelvoeglijke plaats?
Ik : Ik heb nog koppijn van de vorige keer toen we de man met de hamer tegenkwamen. Veel goesting om mij hier te gaan profileren heb ik vandaag niet.
Huh? Wat vlooienbeten? Is ze op de kat gaan zitten?
Ik : Neen, ik geloof dat ze wat te laat doorhad dat die rotkat op haar achteloos weggesmeten pyjama in de badkamer is gaan liggen.
Ik : Daar moet je weer zapnimf voor heten natuurlijk, eigen schuld, dikke jeukerige bult!
Ik : ’t is te hopen voor haar dat ze de eerste weken geen touche heeft : “Ooh schat, wat een poezelig achterwerkje, zijn die bultjes in de vorm van een hartje speciaal voor mij erop aangebracht?”
Ik : Mja, subiet is ze alweer ribbedebie, stel je voor dat ze uitgerekend vanavond botst op iemand waar het mee klikt.
Ik : Ha ha ha! Gij zwanst of watte?
Ik : Zooooo abnormaal is dat toch niet?
Ik : Nee?
Ik : Euh… eigenlijk wel, maar laat ons onszelf het voordeel van de twijfel geven.
Ik : Uhu, per slot van rekening zijn we wel positivo’s natuurlijk.
Ik : Uiteraard! Wij bestaan uit twee brokken samengesmolten pure synergie!
Ik : Dus… wat wil zeggen : dat gaat vanavond goed aflopen met het mens!
Ik : Jaaaaah, die gaat de tijd van haar leven hebben!
Ik : Dat moet gevierd worden! Muziek maestro!
Ik : Luider! Luider!
Ik : Jiehaaaaaa!
   
Met een onwaarschijnlijke uitbundige vreugdepolonaise zwieren ik en ik, luidkeels galmend “Ich bin wie duuuuuuuuuuuuu” galmend de blogkamer uit.
“Joepiejaidie joepiejaida joepiejaidie joepiejaida!!”
(vier benen links in de lucht tegen mekaar klepperend, vier benen rechts in de lucht tegen mekaar klepperend, met onzer aller smoel tegen de grond klepperend.)
“Hoera!! Hoera!! Hoeraaaa!!”
  

Oog voor detail, helaas niet voor obstakel

 
 
   Hoe opmerkelijk!
Dat zit hier allemaal te hengelen naar details uit mijn privéleven.
Wie vraagt die krijgt! (Ober, voor mij een appetijtelijke jonge snaak aub! A point, in een romig sauske en niet te timide!)
   
Dus…
gisteren bevond ik mij in een zeer aangenaam gezelschap.
Stappekes aan het zetten.
Eén van die stappekes bracht mij een verdiep hoger van een etablissement omdat daar kon voldaan worden aan een primaire behoefte : namenlijk : het plassen.
Ornamentorisch was daar aan de buitenkant van de toiletdeur een sterk uitvergrootte lever aangebracht. Tweedimensionaal welteverstaan. Met benoemingen van alle onderdelen die er los of vast aan een lever kunnen zitten. Helaas kan ik u daar geen verslag van uitbrengen, want mijn drang om water af te laten was sterker dan mijn ingewandenkennis bij te schaven.
De praktijk was sterker dan de theorie, zeg maar.
Beetje stom van die eigenaars om niet te beseffen dat praktijk en theorie wel degelijk zouden kunnen samengaan, mochten ze lucide genoeg geweest zijn om hun blikvanger langs de binnenzijde te laten schilderen. Ik vermoed dat ze gingen voor de kwantiteit van het aantal blikken. Prestigeprobleem zoiets.
Toen ik dat allemaal bedacht had (een mens denkt wat af op zinvolle momenten), had ook mijn activiteit een mooi afgerond einde bereikt.
Opgelucht en helemaal klaar om er terug in te vliegen, je kent dat wel… haar nog eens door mekaar warrelen, eens verleidelijk pogen te kijken naar je spiegelbeeld terwijl je het nat van je handen staat af te zwieren, jezelf afvragen hoe je ineens aan die pandalook komt en dan ineens beseft, bij twintig centimeter dichter, dat het restanten van mascara zijn die niet meer op hun oorspronkelijke plaats hangen, die nog natte vingers gebruiken om tevergeefs te proberen van die waterproof af te vegen om uiteindelijk te berusten in het onvermijdelijke en jezelf wijs te maken dat je zelfs met zwarte vegen toch wel heel sexy eruit ziet vandaag, bon zo dus, tippel je heel vrouwtjesachtig en zwierig en al een voorbereidende glimlach op het gelaat die trap terug af, onderwijl kijkend naar prachtige versiersels in nissen aan de zijkant…
en dan KNAL!!…
tegen een godverdekselse balk die in dat mooie decor juist vijf centimeter te laag hangt om je een onbelemmerde doorgang te verzekeren.
   
In slow motion gaat dat als volgt : kijk opzij, bewonderend en lachend, tanden half bloot, je draait je net terug naar een vooraanzicht, je mooie lange blonde lokken lijken op een commerciële spot van een Fructis Laboratoire Garnier shampoo… en dan PLOOOINK, terugslag… je kijkt nu heel verwonderd omdat je niet weet wat er gebeurt, geëpileerde wenkbrauwen schieten (maar dan traag) de hoogte in, je spant je nekspieren om te vermijden dat je achterover valt als zo’n doodgeschoten cowboy en die vallen dan nog meestal gewoon op de grond, terwijl jij op die trap wel eens ergere toeren zou kunnen uithalen terwijl je ooit achteloos die cursus stuntvallen bij het oud papier hebt gesmeten, en nu dik spijt daarvan natuurlijk, dat spannen van die nek drijft je terug naar voren en zo veroorzaak je een tweede PLOINK, maar deze keer niet meer zo knoerthard.
   
Bon.
’t Deed geen pijn.
Patrons mogen dan al geen verstand hebben van versiersels op wc-deuren, ze waren wel zo voorzienend geweest om die balk in te pakken met een pel isolatiematerieaal dat je normaliter rond buizen ziet in het sanitaire equipement.
   
Van mijn hele pose bleef geen grein meer over en gebukt (je zou voor minder) onder mijn eigen gebulder zette ik mijn tocht naar het gelijkvloers als een krom wijffie verder.
   
Ik mag hopen dat ik daarmee heb voldaan aan jullie zucht voor detail!
Graag gedaan!

Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen

  

   Vandaag pakken we schrijfpauze.

Ja, dat doen we.
Dat mag zelfs.
   
Ik zou natuurlijk ook kunnen schrijven over mijn bezoek aan de boekenbeurs gisteren en hoe ik bij vertrek mijn vrijkaarten niet meer vond.
(Heb jij die meegejat toevallig, sahara? 😉
Of over hoe leeg een boekenbeurs is op een maandagnamiddag.
Of over hoe ik twee Marcella Baetes heb gekocht.
Of over hoe ik die kussenslopen met poëzie op kan smaken en als antwoord op mijn vraag of er ook dekovertrekken van bestonden lik op stuk kreeg met : “De mensen zijn toch nooit content!”
Of een Tom Lanoye heb gekozen boven het Penisboek van Liekens bij het verlengen van het Humo-abonnement.
Of hoe lastig die babbelutten deden bij ‘De Morgen’ toen ik ook daar wilde verlengen en een boek wilde meegritsen : “Die boeken zijn enkel voor nieuwe abonnees, maar als je wil kunnen we wel poteren, hoewel dat geen garantie geeft of je dan niet binnenkort met twee gazetten in je bus zit.”
Of over hoe de après-boekenbeurs wel een eigenaardig staartje kreeg.
   
Dat zou ik.
Maar ik pak pauze dus vandaag.
De wereld (lees : Antwerpen) wacht op mijn stappekes vandaag.
Iedereen weet dat je werelden niet te lang mag laten wachten.
  

Strontvlieg aan de knikker

  

   O, wat verheugde ik mij op de eerste lange slaap sinds lang!

Ik controleerde of er geen erwt onder mijn matras lag en vlijde me vervolgens neer om mijn rechterzij, beetje foetusachtig, met de flanellen donsovertrek langs alle kanten heerlijk onder mij gewurmd.
Klaar om de meest prettige dromen toe te laten.
   
Geen tien seconden later zoemde er een insect langs. Zelfs zonder licht te ontsteken wist mijn biologische kennis dat beest te detecteren en het te ontleden als zijnde een vlieg.
“Niks aan de hand,” denk je, “zo meteen zoekt die zespoter wel een muur om mij vanop een afstandje in stilte te begluren met zijn facetogen.” (Jaja, mijn biologische kennis is zeer uitgebreid!)
Echter, de deze was niet goed opgevoed, hij bleef me ambeteren met zijn luidruchtig gestuntvlieg rond mijn hoofd.
En vrank! Vrank!
Vrijpostig gebruikte hij mijn lieftallige schedeldelen als landingsplaats.
Nadat ik mijzelf al enkele keren vruchteloos tegen de harses had gemept en nog wat lucht in het ijle had verplaatst tussen mijn handpalmen, vond ik het welletjes geweest.
Eén kopkussen gebruikte ik om de top van mijzelf onder te verstoppen en de dons werd opgetrokken tot van die hele zapnimf enkel nog de neus vrij bleef.
Met hernieuwde moed probeerde ik de slaap te hervatten, lachend in mijn stiekeme bedekte vuistje omdat ik uiteindelijk toch de slimste was.
Doezel overviel mij.
Doezel werd sterker.
Doezel ging over in rem-slaap.
Rotvlieg vond het nodig om een kringetje te draaien aan een neusgat.
   
Ik schoot recht, armen wijd open, het kussen maakte een pirouette tot tussen mijn oorbelen op het nachtkastje, stootte mijn grote teen tegen de sponde achteraan, oerkreette iets uit dat op “Aaaaaaarghh!!” geleek…
    
… en niesde ze dood.
  

Wij die zijn : zwak

  
zapnimf1kleinlichtroze-op-wit.jpg   Vorige (lange) nacht (za 13.30u – zo 17.30u)
  
Van een leien dak :
zeveren op ons gemak
meteen heel de mikmak
dansen als een klasbak
wezen : platzak
een hoop kouwe kak
slaap ontbrak
koppijn sprak
keelpijn van tabak
slappe lach ontstak
zetelliggen als een zoutzak
allebei in de prak
ontbijt met gebak
  
dit rijmsel is wreed mak!
  
Mijn eigen schuld
‘k Heb sahara in mijn nacht geduld
  
Liefste, voor jou al mijn gesmak
vanwege dit voze wrak.
  
Luister en geniet van ’t mooiste dat ik onlangs mocht ontvangen.
    
     
Dag en nacht
En wij daartussen
Jouw kussen zacht
Op mijn natte-dromen-wang
Bang van komen en jouw gaan
  
Slaap lekker ding
Want jij is lastig
Nog meer jij is fantastig toch
  
Slaap lekker ding
Want jij is lastig
Nog meer jij is fantastig toch
  
Glimlach lag
In veel te grote tas
Klein te zijn
Fijn tussen vingers
Groot geheim
  
Slaap lekker ding
Want jij is lastig
Nog meer jij is fantastig toch
  
Slaap lekker ding
Want jij is lastig
Nog meer jij is fantastig toch
  
Laten we samen
Dingen doen zingen
Van Liedjes die niet bestaan
Laten we samen
Dingen doen zingen
Laten we samen niet bestaan
  
Slaap lekker ding
Want jij is lastig
Nog meer jij is fantastig toch
  
Slaap lekker ding
Want jij is lastig
Nog meer jij is fantastig toch
  
Nog meer jij is fantastig toch
Nog meer jij is fantastig toch”
  
Eva De Roovere
    

Woestijnzand om op te vreten

  
zapnimf1kleinpaars-op-zwart.jpg   Sahara!
Mijn allerste sahara!
(bloedmooi, dwingt ze me nu even te schrijven)
Zit hier nu op mijn zitbank. (Ik heb ze nu even achtergelaten in het gezelschap van D. – een van mijn andere geweldige vriendinnen – en het klikt, dus kan ik zonder schuldgevoel mij even onttrekken aan die twee.
Ik vermoed trouwens dat sahara een deel van mijn nacht in beslag gaat nemen, dus dacht ik : “Laat ik blogje maar even schrijven nu we nog fit en helder woordelijk kunnen formuleren.”
  
Door heel stom toeval zijn wij mekaar op het virtuele lijf gebotst. Het klikte meteen. Telefoonnummers werden uitgewisseld.
Hieronder lees je eerst haar verslag (met toestemming) over onze eerste ontmoeting, ook redelijk geïmproviseerd, en daarna mijn reactie erop. 
We schrijven januari 2004
  
  vrijdagmiddag ten huize sahara, nà een avondje bij zapnimf 
  
ff mij met mijn belabberde kop naar mijne pc slepen en mijn mails checken
  
aha!
ik kreeg post!!
twéé e mails in éne keer?!?
juich!!!
van wie? van wie?
koeni??
o
zapnimf
  
eerst een jatz koffie drinken dan
  
gedver… één avondje samen stappen en dan denkt dat mens zeker al dat ze d’er een vriendin bij heeft? is het er zo ééntje?
nu, verwondert me niks, daar scheelde duidelijk iets aan.. mij overvallen op chat, zeuren dat ik es moet langskomen, tot ik er niet meer onderuit kan. bon, ik gooi héél mijn agenda overhoop, speciaal voor haar en trek naar het zapdorp. ZO tegenvallen kan het nu ook weer niet. af en toe is die zap best wel grappig op chat.
  
djeez…
waar IK terechtgekomen ben toen!!! vierde wereldtoestanden zijn er niets tegen. erg, erg.. dacht dat ik al veel gore buurten gezien had, maar dit sloeg alles. Ik dacht, ik draai mijn wagen hier snel om op die oprit met die malle brievenbus (de smààk van sommige mensen…) en keer weer huiswaarts, maar ze had mij al bij mijn nekvel.
  
Wat volgt is pure horror, eindeloos gemem over wasmanden, tante Kaatmiddeltjes om vlekken uit tapijten te verwijderen, kalligrafie (!), Morres meubelen (!!)
Ze sleurt mij vervolgens mee naar een louche kroeg (na toch wel een zéér gênante scène op straat),schreeuwt daar heel het kot bijeen, klampt alle mannen aan, wordt pissig omdat die enkel oog voor mij hebben (je zou voor minder). Maar het gruwelijkste moet dan nog komen, in een ultieme wanhopige poging om de aandacht te trekken begint ze te DANSEN!!! Heeft iemand onder jullie zap al ooit zien dansen?!?
  
Enfin, hopelijk laat ze mij vanavond wat met rust.
  
Btw, zap, je bent FANTASTISCH!!! (een moordwijf)
   
————–
  
Allerschattigste sahara,
  
Tutututututututututut
Het trendy modewoord ‘perceptie’lijkt ook aan jou ook niet voorbijgegaan te zijn…
  
De enige ware versie volgt nu :
  
Donderdagmiddag half vier (beetje vroeger maar het klinkt zo sjiek van K.H. een keertje te plagiëren) bekeek ik op mijn gemak mijn mails (dat er vanzelfsprekend veel meer dan twee waren!), snuisterde ik eventjes de nicks op #canvas door en waarop viel mijn lodderig oog? Die zielige sahara stond daar weer op haar eentje te blinken in de room.
   
Een groot schuldgevoel maakte zich meester van me, immers, deze kerstvakantie had ik, in tegenstelling tot andere jaren, nog steeds geen enkele goede daad verricht. Impulsief als ik ben, klikte ik het arme mensje aan en nodigde haar uit. Nuja, dat hoefde ik geen twee keer te zeggen… nog voordat mijn eindzin getypt was, bevond dat rode vehikel van haar zich reeds op de autosnelweg.
   
Amper de tijd had ik om wat rommel in het rond te smijten en mijn waterclosets te bevuilen (te gezellig moest het hier nu ook weer niet wezen… stel je voor dat ze nog wilde terugkomen!) of daar kwam ze luid toeterend mijn oprit opgestoven.
  
Probeer het u eventjes visueel voor te stellen : vier wielen met daarop iets dat rijp voor de schroothoop is en erin een wilde haardos met armen en benen. Jee, de tijd van noodgevallen was ontegenspreekbaar aangebroken en noopte me aan tot het herzien van mijn goedhartigheid. Fluks wierp ik me achter mijn DESIGNbank.
Driewerf helaas… in al mijn haast was ik twee puntjes vergeten… haar alom bekende vrijpostigheid en de achterdeur. Het wicht stond al binnen toen ik bedremmeld rechtkrabbelde, nog een laatste spijtige blik wierp op die drie uitnodigingen voor die avond van TOFFE luitjes, en haar dan maar gespeeld hartelijk begroette.
Allez, ze had haar best gedaan. Om in de gratie te komen had ze een flesje rode wijn bij dat ze zelf ooit eens gekregen had van een soortgelijke snul.
Vervolgens kwetterde ze er kwiek op los over allerlei onbenullige zaken als daar zijn : teletekst, noodzakelijke hahaha’s op chat, haar onderbroek die ze eerst nog tussen de was had moeten gaan zoeken en aardigheidjes als telefoons niet opnemen en deurbellen negeren, ondertussen gezapig al mijn fruitsap (en energie) oplurkend.
   
Omdat ik vond dat ze nu al wel lang genoeg van mijn gastvrijheid had geprofiteerd, stelde ik voor om duur uit te gaan eten. Dat zou zo’n arme sloor, die niks gewend is, vast wel afschrikken. Niet het minst gehinderd door het snappen van zeer duidelijke lichaamstaalsignalen hapte ze gretig toe.
   
Aan de deur van de meest exclusieve tent van mijn aimabele dorpje hing een briefje : “Wij zijn deze donderdag uitzonderlijk gesloten.”
En wat zij dan gênant noemt. Ik vloekte een keer binnensmonds omdat die andere keet, waar ik haar daarna naartoe moest loodsen, de helft goedkoper is. 
   
Welja, ze had touche. Van de meest verwerpelijke verwekfout (die ik nota bene al vijf keer eerder had afgewezen, voor hij eindelijk doorhad dat mijn gunsten voor een select publiek bestemd zijn) uit mijn brede kennissenkring.
Je kent het type wel : gluiperd tot in het graf, opscheppen over een onbestaand seksleven, slijmballerige opmerkingen rondstrooiend. Dat liet ze zich kommerloos welgevallen, als was ze protagonist der zeikstralen.
De plurk smeekte me zowat om met hem te dansen. (nvdr : Uw nimf werd eerder door respectabele leden van canvaschat complimenteus bedolven voor haar soepele dansmovementen.)
Tja, niemand die beweert, ik nog allerminst, dat het barmhartige Samaritaanschap eenvoudig is, vooral niet in tweevoud.
   
Uit jaloersheid waarschijnlijk (hoewel de droplul ook haar een keer ten dans vroeg), ging ze op de koop toe nog wartaal uitslaan.
En wel de volgende : Dat Lucas Vandertaelen in een vorig leven nog lid was van Arbeid Adelt. Whoehahahahaha.
Zoals creaturen uit haar milieu dat waarschijnlijk wel meer doen, wilde ze er nog om wedden ook. Volledig in de war door alle consternatie die ik de voorbije uren had moeten doorstaan, en volkomen begrijpbaar, vermixte ik die olliebolliekrollie van de twee Belgen met deheer Cas.
We kwamen er niet uit. Dus, ondernemend als ik ben, ondervroeg (iets geheel anders dan aanklampen, saharaschatje) ik alle heren (de dames waren op, of hadden een te hoog barbiegehalte) die de gepaste leeftijd hadden om zulke vraagstukken te beantwoorden, terwijl zij, zonder enig besef van schroom, achterwerken van jochies keurde, die haar zonen konden zijn.
   
Enfin, het eindigde ermee dat de patron ons heeft buitengekeild omstreeks drieën en dat ik mijn googleapparaat moest aanspreken om erachter te komen dat de Cas uiteindelijk bij geen van beide formaties zijn kost heeft verdiend.
Ere wie ere toekomt, ons sahara kreeg in een lucide moment de plotse inval : “Hetlevenisschoon!”
  
Welja, het voortbestaan is proper!
  
AAILOFJOETOESAHARABEEBIE!!!!!! je bent evenzeer een liquidatiegleufdier!
  

Sprookje…

 zapnimf1wit-op-donkerroze.jpg

Er was eens een flutdruif.
Dat is een andere naam voor een bijna prinses die het niet meer ziet zitten.
Je mocht ze ook wel zapnimf noemen.
Of nimf.
Of zap.
  
Die flutdruif was zo dom geweest om drie kinderen uit te nodigen op een vrijdag, terwijl haar eigen kinderen rond drie uur een weekje zouden verkassen naar hun vader.
Een vierde kwam uit zichzelf ergens opgepopt en bleef ook leuk spelen.
  
Verder had ze met een allerliefste vriendin… Dryade, maar daar mag je ook ‘oogverblindende schoonheid met karakter’ tegen zeggen (vandaag mag je vanalles tegen iedereen zeggen, het is immers vrijdag.), afgesproken. Die had wat in mekaar te knutselen ter bedanking van collega’s.
“Ach, schat,” had die overmoedige flutdruif eerder op de week aan de telefoon gekird, “kom alras af, voor zoiets draai ik mijn hand niet om. Dat varkentje wassen we in geen tijd. Als voorheense superkalligrafe, met uitgebreide kennis van creatief met papier en aanverwanten draaien we in no time iets met een stempel, een etiket en een kaartje aan een wijnflesje in mekaar. Op eigengeschilderd aquarelpapier komt dat nog beter uit.”
  
Dryade, kwam, zag en … baande zich een doorgang door de trits kinderen en diende flutdruif nog wakker te maken, zo op die vroege vrijdagochtend.
Deze laatste deed haar uiterste best om haar ochtendhumeur niet al te erg te laten opvallen.
Zelfs niet toen de flutsels zap allen op een verschillend vreemdsoortig tijdstip honger kregen en telkens apart eten in hun bek staken.
Zelfs niet toen ze merkte dat haar woonkamer, die vandaag ook aan de benaming ‘puinhoop’ voldeed, steeds meer de allures kreeg van een ware vuilnisbelt.
Zelfs niet toen de zoektocht achter de stempel paniek veroorzaakte bij ieder levend wezen in huis.
  
Al snel werd het duidelijk dat het te wassen varkentje met de lange snuit, er niet eentje was van ‘en nu is het verhaaltje uit’. ’t Was een kortverhaal met bijlagen. Uren zwoegden Dryade en flutdruif aan dat kleinnood.
  
Ondertussen naderde het vertrek van de druifjes.
Flutdruif kwetterde tussen alle decibels door over zwemzakken, boekentassen, loopgerei dat in orde moest geraken. Losslingerende kaften, rapporten en boeken werden gegeven aan kind in kwestie, dat het op haar beurt drie meter verder kwijtlegde op een kast. Niemand die aanstalten maakte om ook maar iets klaar te pakken.
Enfin, stel u een flutdruif voor die op was van de zenuwen.
Haar zenuwen waren op.
En op die ene overgeblevene werkten ze allen flink samen. Door niks te doen.
Het mondde uit in een fikse uitbrander.
  
Die uitbrander kreeg flutdruif dan dubbel en dik terug door haar teerbeminde ex-man, die haar graag een gebrek aan organisatietalent verweet. (Hij neemt de rol van boze stiefmoeder op zich in dit sprookje.)
  
Lieve Dryade troostte de arme flutdruif en samen legden ze de laatste hand aan de creaties die ondertussen uitgegroeid waren tot echte kunstwerkjes.
  
Flutdruif bleef uiteindelijk verweesd achter, keek nog eens naar haar living die eruitzag alsof er een tornado door geraasd was en besefte dat ze tevens haar inspiratie erin verloren was om een degelijk blogstukje te schrijven.
  
Toen kwam er een kuisploeg met een lange snuit…
  
Onee, dat was in een ander sprookje.