Wij hebben onze ogen niet in onze zak (deel één)

  

   D’r kwam wat tussen gisteren.

Vettig haar.
Onverwachte invitatie met voeding, zelf gekocht uit een pakske, maar wel lekker… danku Dryade!
Nog meer onverwacht noodbabysitten.
en socialiseren (nog steeds met vettig haar!).
   
Zaterdag.
Zaterdag was ik te gast gevraagd op de priorij van Corsendonk in Oud-Turnhout.
Chique hoor!
Een veertigjarigenfeest van de man van mijn ‘ouwe’ (tevens intelligente, lieve, grappige, knappe – ze leest dit ding ook af en toe) schoolvriendin.
Met slaapgelegenheid én ontbijt! Daarmee kan je een arme sloor als uw zapnimf wel doen watertanden.
Oeoeoeoe, doebiedoebi sjakkasjakka hoela joepie!
   
Beetje domper uiteraard dat me nadrukkelijk op voorhand was gevraagd of ik alstublieeeeft low profile wilde houden, want het gezelschap zou bestaan uit stuk voor stuk deftige mensen die nog nooit in aanraking zijn gekomen met schorem als… ja, wie eigenlijk?
Moi? Ik, die te allen tijde me weet te gedragen alsof ik de schoonmoeder ben van de koninklijke familie?
Bon, goodwillig had ik ter voorbereiding de nacht voordien de rust overgeslagen en nog voelde ik me behoorlijk manisch per ongeluk die zaterdag.
   
Ook slim bedacht had ik afgesproken van F. op te pikken, zodat ik zelf geen wegen meer moest zoeken naar die priorij die naderhand ergens in een complete middle of nowhere gepoot stond. Terstond kreeg ik medelijden met de middeleeuwers die nog niet afwisten dat later de trottinet, fiets, auto zou uitgevonden worden.
   
F. kende de richting naar Turnhout, maar daar was dan ook zowat alles mee gezegd. We namen de verkeerde. Die met de duizenden stoplichten.
Het hinderde echter niet, want ondanks een dik uur latere aankomst dan voorzien, waren we eigenlijk nog niet uitgepraat. Misschien dat dat babbelen een heel klein beetje ons zicht vertroebelde – wij spreken vochtig – zodat we de ringlaan, die we volgens de vriendelijke meneer die ons na bevraging achteraf een half uur terugstuurde, niet konden missen, voorheen niet zonder de minste notitie van iets ringlaansachtigs toch hadden overgekeken… en gereden.
   
Uiteindelijk lukte het ons dan toch, mits nog enkele stoppen :
“Een pijl, een pijl!”
“Wat zeg’t ‘m?”
“Niks en hij leest ook niet, want hij is donkerbruin, alsof je nooit in het donker moet zoeken naar bestemmingen!”
“Een keet, een keet!”
“Zou het dat kunnen zijn?”
Samen : “Neeeuuuh… te klein, te min, te onpoepchique voor waar wij willen verwacht worden!”
“Nog een etablissement, hiero?”
“Nope… te weinig dure auto’s op de parking.”
(maal vijf)
   
Het meisje aan de receptie wuifde ons directief naar een trap die we moesten nemen om bij onze medefeestgangers te geraken.
Euforisch stoven we de eerste de beste deur binnen : “Joehoe! We zijn er geraakt! Waar hebben jullie je verstopt, zeg!?”
Zoals het spreekwoord zegt : Eerst zien en dan (pas roepen en dan je ogen niet kunnen) geloven… We herkenden niemand van die bende.
Zij ons ook niet, denk ik, want iemand in smoking kwam ons vragen wie we waren en wat we op het huwelijk deden van zijn dochter.
“Wij kwamen even uw buffet bewonderen, meneer. Waarlijk delicieus… zullen we dan nu een verdieping lager gaan checken of het eten daar ook zo lekker uitziet?”
    
Deze act deden we nog een keer over in de gewelvenkelder, waar we een prettig weerzien ontvingen na zowat twintig jaar met de ouders van echtgenote van feestvarken.
“Zapnimf! Dàt is lang geleden!”
“Jaaahaaaa, zeg gerust dat ik er goed uitzie, en jong!”
“Je ziet er goed uit, en jong!”
(Ik hou toch zo van brave, luisterende mensen!)
“U ook, u ook (en ik hoefde niet eens te liegen, hoe onrealistisch!)”
“Hoe is’t allemaal met je, zap?”
“Keifantastisch en hongerig en helemaal niet manisch want ik ben in mijn low profilerige vandaag! Waar zit de jarige? Dat ik hem eens flink kus!” *half zepposdanske onderdrukkend*
   
Na alle ceremonieën van familieleden herkennen, mee met de eer gaan lopen van de originaliteit van onze gezamenlijke cadeau, die I. onovertreffelijk samengesteld en ingepakt had, bevochten we ons een staantafeltje waar er nog kaas, olijven en nootjes voorradig waren. Met een glaasje wijn wat te gulzig aan onze lippen, keuvelden we wat nieuwtjes op een hoopje, tot ik in de mot kreeg dat er een mannelijk sujet mij met iets te veel aandacht bestudeerde.
Lap, daar heb je het weer, je bent nog maar net binnen en niet eens subtiel proberen ze je te verleiden op een manier waar je van gaat blozen. Deze had zelfs een papierblok bij en schrijfgerief.
Owjee… wie weet krijg ik straks nog een briefje in mijn hand gedrukt met een nachtelijke plaats waar hij me wil ontmoeten! Ik slaap bij F. hoor!
De mens keek nog eens naar mij alsof hij zijn moed ergens zocht om bijeen te rapen en met een niet mis te verstane tred kwam hij op me af, onderwijl het blad van zijn blok scheurende en met veel gebaar overhandigde hij me… een karikatuur van uw ondergetekende.
Gelukkig in potlood, dan kan ik die dubbele onderkin later nog weggommen! En die wallen ook.
Dat was duidelijk… ik zou dus inderdaad bij F. slapen deze nacht.
   
Tussen half zeven en zeven kregen we tijd om onze kamer te zoeken en onze pyjama en tandenborstel te installeren. Ik dan toch. Mijn kamergenote had daarbovenop nog een tweede outfit bij, extra laarzen en een wandeltenue. Poeh! Mijn proper onderbroek legde ik met net zoveel geste weg alsof het een dure garderobe was.
   
Maar voor het zover was, moesten we die honderd meter nog overbruggen van de feestkelder naar het gastenverblijf. De wijn had op onze nuchtere maag zijn werk reeds verricht.
“Links of rechts?”
“Rechts!”
“Wel donker hier hè?”
“Hier moeten we rechtdoor, vertrouw op mij.”
“Zot! Dat is hier een beek!”
“Bijlange niet, dat is de weg.”
“Gij eerst!”
“(Zoemp zoemp) Euh… ok, ’t is een beek.”
“Hier links dan, dat is echt een pad tussen de haag.”
“Ja, dat is een pad, maar het loopt hier wel dood op deze haag.”
“O oeps, terug dan”
“Waarom staan er daar allemaal lantaarns?”
“Omdat dat de juiste weg is, suffe!”
(Hobbel hobbel tegen mekaar, lachen en nog eens lachen en het rap op de wijn steken en plechtig beloven dat we dit tot in de eeuwigheid gaan verzwijgen! Jaaahaaa!)
   
Manmanman… ik moet werkelijk niks gewend zijn. Bij hotelkamers stel ik mij een bed met een piepklein loopje errond voor. In de deze kon je een horlepiep dansen, en dat weet ik zeker omdat we het ook even uitgetest hebben. Een badkamer, twee keer zo groot als de mijne thuis! Een elektrische broekenpers aan de muur! Een haardroger aan de muur! Een Miró aan de muur! En allemaal potvast gemonteerd hè hè hè! Alsook een grondplan dat ‘Corsendonca Monasterium Regularium’ heette, maar dat was niet mijn smaak, daarvan weet ik eigenlijk niet of het vasthing.
   
Op het bed lag iets bruins. Een pij, bleek bij verdere inductie.
Een pij dus.
“Leuk slaapkleedje.”
“Jamaar, ik heb mijn pyjama met roze hartjes bij.”
   
Tumult ontstond op de gang. Ieder vroeg zich af wat er met die pij diende te gebeuren.
Collectief werd besloten dat aantrekken om te gaan eten de meest voor de hand liggende optie was.
Enkele dames, die iedere gelegenheid zien om uit te pakken met pasgekochte tooi, pruttelden nog wat tegen, maar dat hield op toen hun man het touw van de pij in hun mond propte.
   
Aldus bruinomhuld in iets vormeloos maakte een stoet genodigden zich klaar om de terugweg naar de dis te voltooien.
We hebben ons daar fluks tussengesmeten, want in andermans kledij een beek insukkelen leek ons net iets erover.
  
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s