Coïteren met voorbehoedsmiddel is ook leuk!

  
   Jeeeee.
Al dagen internetloos.
Nog honderden blogs te lezen en er ook af en toe nog eentje te schrijven.
Allemaal de schuld van mijn handenbinders!
   
Vroedvrouwen allerhande, gynaecologen met liefde voor het vak, verstrekkers van anticonceptie, campagnemakers voor het jonge moederschap, waarschuw die arme vrouwtjes met kinderwens nu eindelijk toch eens voor al de toekomstige kommer en kwel die ze zich op hun hals zullen halen, geef de bakens van de moederhartlijdensweggrenzen vooraf aan, hef het vermanende vingertje gerust voor utopische waanvoorstellingen over brave meegaande appels van eigen boom, cornflakesetende filmontbijtkinderen die bij het getoeter van een schoolbus hun reeds volledig ingepakte schooltas oppikken en na een schattige kus en zwaai hun voorbeeldige leven voortzetten op school (Wanneer poetsen die hun tanden dan? Daarbij je badkamer volsmossend, dat al dan niet opkuisen met een propere handdoek die ze dan in het midden van de grond achterlaten. En waarom rijdt er bij ons helemaal geen schoolbus?)
   
Laat iemand je inlichten, would be mama’s en papa’s, over de tijd. De tijd die je vanaf hun geboorte plots kwijtgeraakt. Als je hem na intensief speuren dan toch terugvindt, blijkt hij een petieterig gekrompen restantje te zijn van het exemplaar dat je ooit ter beschikking had. Een miniversie die je constant moet onderbreken om hem te delen met die zelfgeworpen egoïsten die menen dat ze zich altijd tegoed kunnen doen aan die paar minuten die je voor jezelf had gereserveerd.
   
Als je dan toch hardleers bent, poog dan een bevruchting te plannen veertig weken voor een 29ste februari, want anders hang je ieder jaar weer aan al die verjaardagsfeestjes vast. Eentje voor de vriendjes, eentje voor de familie, eentje om de overschotten kwijt te geraken van die twee vorige. Als je pech hebt komt dat allemaal bijeen eind juni. Zowat de drukste periode van het jaar. Toch als je tot het onderwijzend personeel behoort. Ook al baal je de bloemen van het behang, voor je minikoter en haar aanhang arrangeer je dan een opdrachtentocht met véél voorbereiding in de zapdorpse bossen omheen de woonst, stuikt er een onvoorzichtig eentje ver van de bewoonde wereld pardoes in een put onder de spoorweg* – poink – op een handjevol betonnen dwarsliggers. Kan je dat kind met een blauwe tet op haar scheenbeen nog kilometers gaan dragen ook. Toevallig heb je natuurlijk je tube hirudoid thuis laten liggen. En tevens je gsm.
   
Die vriendjes van je kinderen hebben op hun beurt de zaterdag nadien uitgekozen om allemaal tegelijk een wederomfeest te organiseren, zodat je als ouder met weinig tijd zes keer op een dag op en neer mag rijden want hey, rond hetzelfde tijdstip gaan vieren zou natuurlijk helemaal saai worden. Waarmee de opwinding nog niet gedaan is, want per ongeluk ligt de enige verbindingsweg van zapdorp naar dorp b (van de feestjes) in puin tot september en mag je tesamen met de inwoners per auto van vijf achterliggende dorpen samen door een omliggende flessenhals zodat zo’n ritje algauw drie kwartier in beslag neemt (maal zes dus!)
Op al die omwegen spring je de eerste de beste supermarkt binnen en met dat goed mag je dan de bij elkaar geraapte tussendoorse kwartiertjes staan kokerellen voor het familiefeestje van morgen, tafels en stoelen terug naar het midden van de tuin sleuren, je verwaarloosd kot onder handen nemen. 
   
Nog een reden om nakomelingen te bannen : op het einde van het schooljaar moet je hun rapport gaan afhalen. Iedere school kiest daar blijkbaar donderdagavond voor uit. Sta je nog te luisteren naar het geleuter van de ene klastitularis … blablabla a-attest, proficiat… (als je dat rapport dan bekijkt kan je amper geloven dat je die ‘Einstein’ ooit zelf hebt gebaard, net met de hakken over de sloot is blijkbaar ook al reden om ‘proficiat’ te kwelen.) ondertussen moest je al een kwartier op de proclamatie van de ander hebben gezeten en voor of na wip je ook nog even binnen om het rapport van de overige twee uit de handen van hun juf te sleuren.
Niet doen! Rampetampen met condoom of spiraal is ook leuk en veel goedkoper!
   
Omdat terugduwen niet meer kan nadat je onvoorzichtig bent geweest, probeer je dan toch maar het beste van dat pedagogisch levensproject te maken. Waarbij het overschrijden van grenzen wel eens kan leiden tot een sanctie. Ingekort : de oudste mocht niet naar een fuifje. Ook niet nadat ze je blijft bestoken in al dat van hot naar haar geloop met sms’jes om je tot andere gedachten te brengen. Wel mocht er een vriendinnetje blijven slapen. 
Ze gingen die avond eens door de straat wandelen op hun hoge hakken en daarna slapen. Ja eey, in mijn jonge tijd deed ik ook eigenaardige onverklaarbare dingen. Een uur later besefte ik dat haar fiets mee was gaan wandelen. Mijn boodschap op haar gsm kreeg geen gehoor. Nog een uur later leek het of die twee met fiets het begrip ‘onze straat’ heel ruim interpreteerden. Mijn boodschap op haar gsm kreeg uiteraard weer geen reactie. Mijn sms : ‘We komen jullie zoeken‘ wel. Leugens en nog eens leugens vooral. Het werd een donkere nacht van zoeken, vriendinnetje naar huis brengen, nog meer inperking van vrijheden en ingehouden boosheid.
Het internet werd voor enkele dagen afgesloten en ik had op het eind van de dagen geen fut meer om het te repareren.
   
O o o, wat kreeg ik terstond spijt dat ik mijn moeder destijds heb uitgelachen met haar : ‘Kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen.’
         
En nog eens o, wat dank ik de bedenker van het co-ouderschap!
Tot over twee weken, kindjes, mama gaat lekker blogjes bijlezen!
Schattige kus en zwaai zwaai.
(Kijkt vooruit naar haar zee van tijd)
   
Zei ik al dat de oudste vlak voor afscheid nog eens vlug een klad nagellak op onze nieuwe tafel heeft gesmeerd? En met dissolvent verwijderd? Baai baai vernis.
   
   
*Een ongebruikt spoor doorheen het bos met ocharme twee keer een droge beekbedding te overkruisen. Het is minder onverantwoord dan het leest.
  

Mond toenieten

  
   Erachterkomen dat je een speciale gave bezit die niemand je kan nadoen.
En dat die inhoudt dat je zeven kilo kan bijkomen op drie weken tijd (blogfeest met overschotten, veertig jaar Sigrid, zesenzestig jaar ons ma, Frankrijk op zijn culinairsbest, verjaardag dochter).
   
Dat is vooral om mijn kas niet op te fretten! Mond toenaaien!
  

Een boze heks met een ongeordend tankstation

     
   “Seg, we hebben toch genoeg geld bij hè?”
“De Argentavent (wij zijn net van bank veranderd) zei toch dat we met onze kaart ook in het buitenland terecht konden?”
(nvdr : De Argentavent is een dik liegebeest!)
“Ah, dat was ik vergeten, we hebben sinds kort toch een visakaart, jeuj jeuj.”
“Dat hebben we, maar op die rekening staat toevallig nog geen geld, dat gingen we nog eens regelen weetjenog?” 
“Ow oeps.”
“In ieder geval, ik ga nog tanken met de kaart in België, volgens mij komen we hier meteen nog een pompstation tegen.”
   
Zijn woorden waren nog niet koud of floep, daar passeerden we de grens. Ons eerste omweggetje was een feit, bruggetje over, afritje terug, pijlen volgen naar een industriegebied met voorziening van diesel. Pomp twee en drie waren beschikbaar om elektronisch te tanken, de andere knopjes bleven dood. Bak twee bevond zich aan de andere kant van mijn tank. Sleuren met darmen, als de afstand meer dan één meter bedraagt, laat ik graag aan de sterke van ons twee over. Terwijl ik me wat stond te vergapen aan het eigenaardige interieur, een miniwinkel met daarnaast zo’n ouderwets cafégedoe, hoorde ik mijn betere helft voor hem ontypische geluiden slaken : gil gil eik vloek. Bij het omdraaien zag ik hem nog net zichzelf springend achteruitwerpen (gat omhoog), de slang op houdend alsof hij er een robbertje mee vocht en uit die teut gutste het zwarte goud roekeloos over die mooie achterkant van onze wagen. Moose had niet eens de tank bereikt. Hij was anders wel snel om dat pruttelende heft terug in zijn houder te duwen.
   
De madame achter de toog kon er niet echt mee lachen. Dat denk ik toch, haar mondhoeken deden geen enkele poging om de zwaartekracht tegen te gaan. Met veel gegrom tussenin ratelde ze mijn kennis van het West-Vlaams voorbij, kiepte met nijdige bewegingen absorberende korrels op de plaats van delict en sleurde ons aan onze mouw mee naar het begin van de drie afgebakende inritten tot tanken. Onze stinkende vierwieler drupte nog wat na in de middelste. 
Sta me toe even vrij te vertalen wat ze ons toebeet : 
“Awèl? Blind misschien?” 
Ze priemt met haar wijsvinger naar links, alwaar aan iedere kant een verbodsbord voor vrachtwagens prijkt.
Het domme duo zapmoose kijkt alsof het mens net heeft gevraagd om naakt op onze handen te gaan staan en de La Bamba te klappen. Wat bedoelde ze toch?
“Daar mogen geen vrachtwagens in!”
Ja? En dan? Dat minispul van ons is heus geen vrachtwagen en staat trouwens in het vak daarnaast.
“Jullie ezels toch, als er geen camions toegelaten zijn, wil dat zeggen dat de auto’s daar moeten gaan tanken. Hoekanjenuzoachterlijkzijn?”
Het schuim op mijn lippen verhindert mij om het gat in haar logica te dichten. Om over een trapezium te beginnen die geen parallellogram is, maar een parallellogram wel een trapezium. Om op haar toontje terug te ketsen dat ze die gulpende attributen van haar mag steken waar het achteraf redelijk onaangenaam op zitten is. Dat wij klanten graag als koning zouden behandeld willen worden. En dat het onze auto is die uren in de wind riekt omdat zij met haar halve verbodsborden in gebreke blijft.
Het bleef echter bij braafjes knikken, de auto eentje linkser te verplaatsen en haar zachtjes erop te wijzen dat een verbodsbord voor auto’s aldaar misschien ook nog een ideetje was.
   
Enkele kilometers verder hervonden we gelukkig ons vakantiegevoel en luidkeels zingend :
“Ich bin wie duuuuu, ahaha, wir sind wie Sand und Meer, ahaha… das macht unsere Liebe anders, das macht unsere Liebe so anders…” waren we die boze heks alweer vergeten.
   

Perfectionisme en zapmoosefilosofie…

  
   Niet meer met ons!
Wij gaan voortaan voor de methodische aanpak.
Een voorbereid mens is er twee waard.
Wij leren uit onze fouten.
   
Zeer wijze woorden die in het begin van die week nog vlotjes in de tekstballonnen van die twee huistuinenkeukenfilosofen zapmoose knipperden. Uw zapnimf rommelde haar werkschema ondersteboven zodat ze de vrijdag van vertrek slechts een halve dag moest arbeiden en zodoende stond ze in de namiddag nog voor een zee van tijd om het vooropgestelde lijstje af te werken. Ok ok, met onrealistische ambities tegenover praktische uitvoeringen hebben wij reeds voldoende ervaring, maar inpakken, oprommelen, planten water geven en was opvouwen, dat zou nog net moeten lukken. Tuinhuis schilderen, hof omspitten schreef ik over op de volgende lijst.
   
Zielig keek ik naar minstens zes overvolle wasmanden, de rommel die in mijn paar uren afwezigheid aangegroeid leek tot het huis van ma flodder (na het feestje) en mijn neusverkoudheid verdubbelde prompt in hevigheid. Mijn innerlijk hoofdje mekkerde alsof Bob Dylan erin een onuitstaanbare toonhoogte aan het uitproberen was, de snot stortte zich ritmisch uit alle holten die neerwaarts gericht waren en er voltrok zich iets rechtevenredigs tussen mijn niesbuien en het prikken van mijn roderwordende ogen.
Ik at mijn to do papiertje op – zelfs de smaakpapillen lieten het afweten – en verzekerde mezelf van een andere slimme uitspraak : een mens moet eerst een beetje voor zichzelf zorgen, om vervolgens vergezeld door al mijn viscose slijmen kreunend in bed te rollen, waar moose mij ettelijke uren later in een plas van datwilunietweten terugvond. Mijn verbeterde lichamelijke toestand merkte op dat die dekselse opruimkabouters het weer hadden verzuimd om van mijn comateuze ligging gebruik te maken om zich eens te bewijzen.
   
Bon, in de rapte werden er enkele niet al te erg vloekende kledingensembles uit de wasmanden gevist, onze tandenborstels meegegritst, liters koffie aangemaakt voor onderweg, picknickvoedsel klaargestoomd, waarvan we de helft reeds opaten omdat we onze avondetenbehoevende inwendige schreeuwende mens niet konden negeren en we vergaten vooral niet een minimum aan bestek in de tas te proppen.
   
Dat zit zo.
Vorig jaar ondernamen we een tripje naar Bretagne… zonder bestek. 
Op een van de daguitstappen knaagde de honger zodanig ons goed humeur naar de vaantjes. Van alle mogelijkheden tot voedsel verzamelen, was daar enkel de supermarkt in onze buurt. Moose kocht de meest afzichtelijk worst salami ooit aanschouwd, opgesmukt met met de goorste reusachtige witte brokken vet. Ik verdacht hem ervan dat hij dat deed om mij te pesten (zo is hij natuurlijk wel, duh) en net toen ik op het punt gekomen was van zijn halsslagader toe te knijpen – sja sorry, honger kan wat met een mens uitvreten – gorgelde hij nog net : “Maar schatje… dat was het enige etenswaar waarbij je een mes in de verpakking meekreeg, hoe gaan we anders ons brood snijden en smeren?”
Kortom, wij leren dus inderdaad van onze fouten!
   
Voordien had ik persé in niet al te overduidelijk termen willen schrijven op de blogstek dat wij er vandoor gingen naar uitheemse oorden. Je weet maar nooit, zo kwistig ik de laatste tijd geweest ben met het uitdelen van ons adres. Ha, wat een zorgen om niks. In de achtergelaten staat van ons huis, zou iedere inbreker gedacht hebben dat iemand hem al voor was geweest. Laden stonden nog open, overal lagen kleren, in de badkamer leek het alsof er een bom was ontploft, maar wij reden toch maar lekker naar het zonnige zuiden (waar het weer drie niveaus slechter was dan hier gedurende die periode heb ik mij achteraf laten vertellen), klaar om mét mes, eten en koffie de avonturen tegemoet te gaan.
   
Ook al was het dan vier uur later dan oorspronkelijk gepland.
Poeh… bij ons, huistuinenkeukenfilosofen, raakt dat niet eens onze koude kleren.
Frankrijk… hier wie kom! 
  

De impact van opgelegde reclame

  
   “Maak eens wat reclame voor mijn vriendin op uw blog.”, zo schreef ze ergens begin mei in een mailtje gericht aan uwer zapnimf.
   
Liefste Dana,
Ik ken je vriendin helemaal niet!
Watte?! Wat wil je dan?
“Uw vriendin ziet er een toffe uit, ze is blond, maar heeft al een man en woont bovendien slechts 857 km zuidelijker?”
   
Toe maar… nog iemand die een gescheurde teennagel of een getaxidermeerde egel heeft om reclame over te maken? Een derdehands oorapparaat? Een misvormde wieldop die u via mijn blog wil laten aanprijzen? Een eega die u stilaan beu begint te raken?
Tsssss, het lef van sommige mensen toch.
   
Onder dat eenzame zinnetje bengelde nog een geforwarde mail met attachment :
“Goed nieuws, we zijn uitgeroepen tot beste Belgische chambres d’hôtes in het buitenland. Er hebben blijkbaar heel wat mensen op ons gestemd! Er staat een artikel in Het Laatste Nieuws in de Reizen-bijlage. We waren compleet verrast en zijn natuurlijk super blij!”
   
Annick en Peter
   
Le Parc des 4 Saisons
   
Meer uit schrik voor Dana en deels uit beleefdheid, drukte ik mezelf met een muisklik Le Parc des 4 Saisons binnen.
   
Dat duurde geen tien minuten of mijn sms-duim timmerde verwoed moose uit zijn concentratie :
“Arrangeer een paar dagen vakantie, want ik weet waar wij binnenkort zullen draaien met ons luie achterste : in het heuvellandschap van het Franse Corrèze!”
   
Nu ik wel weet wat ik toen nog niet wist…
   
Ojaaaa Dana, laat mij reclame maken voor je vriendin!
En voor haar man! En hun magnifieke chambres d’hôtes!
Hun domein, hun gastvrijheid, hun ontbijt, hun kook(kunst is veel te zwak uitgedrukt)dinges, hun prachtige kamers, hun sauna, zwembad en warmwatertobbe in de tuin, hun streek, het ontbreken van muggen aldaar!
 
  
      
  
  
  
  
     
     
En vooral voor die honderd kleine bijna onzichtbare gestes die hen tot zo’n uitmuntend gastkoppel maken :
– Het kaarsje dat jullie stilletjes op tafel plaatsten bij onze picknick in living terwijl wij even in de keuken de oven controleerden.
– De leenparaplu waar je ons nog mee kwam achterna hollen op die regenachtige dag.
– De mand met tijdschriften op de kamers.
– Het gratis mogen bellen naar alle vaste nummers in België.
– Het gemak waarmee ik in Peters klompen mocht schieten als ik een sigaretje wilde roken buiten.
– Altijd bereid om aangeklampt te worden en nooit te beroerd om tips te verstrekken.
– De kaarten van de streek die jullie uitdeelden en waarop jullie met een fluostift de mooiste plekjes aanduidden, met een korte samenvatting erbij wat we zeker niet mochten missen.
– De dvd die we pardoes meekregen ‘ Die krijgen we dan nog wel eens terug als we in België zijn of geef hem mee met Dana die komt in augustus naar hier.’ omdat we die dag zo onder de indruk waren van het kasteel van Beynac waar de film ‘Jeanne d’Arc’ is opgenomen.
   
Of hoe mijn oorspronkelijke verwondering, toen ik erachter kwam dat alle andere gasten al eerder hadden verbleven bij Annick en Peter en hun vierseizoenenpark, omsloeg in een evidentie.
Ons mag je in de toekomst ook nog terug verwachten!
   
Waar wachten jullie, lezers allerhande, nog op om die link open te klikken?! Hup hup!
Mijn blog dient vandaag immers om gewilde reclame te maken.
  

Als God in Frankrijk, stoefen in Huisvrouws hof

  
  
  
Absentia menTis maar van tijdelijke aard.
Animo deliberaTot over enkele dagen.
In dulci iubilOnnozele zap die gij waart,
In opta forMaar tegen Huisvrouw staan zagen.
Propria moTureluurs werd ze ervan.
Haec hacteNustoppen, zap, o horror!
Cum grano sAlis gestoeft dat ik Latijn kan…
…zie maar : Carpe Diemottige snor!
  

Vrij belachelijk

  
   Vijf keer potsierlijk springen (benen wijd, platvoeten) voor die automatische schuifdeuren van de pas verhuisde ziekenkas, met je armen spiraaltjes draaien alsof je ze wil opentoveren.
En dan een negentigjarige die op je schouder tikt en eens vriendelijk wijst naar een paaltje met een sesam-open-u-knopje.
   
Dàt is vrij belachelijk. 
  

Een middagje zenuwlijdend vrouwmens trotseren

  
   “Volgens mij sta ik in de verkeerde helft van je straat.”, kwekte ik in die hoorn.
Vanachter mijn autoruit keek ik slechts een tikkel neerslachtig naar de overkant, waar een viervaksbaan met daartussen een grasplein en tien minuten omrijden mij afsneed van de plek waar ik wezen moest.
“Parkeer hem daar en steek te voet over.”, was haar oplossing.
Ik rolde enkele meters achterwaarts en combineerde dat met het zoeken van een gat, toen er een bekend koppeke met een gsm aan haar oor voorbij het zijraam schoof.
Oeps… daar ging mijn voornemen om op zijn minst een eerste intelligente indruk na te laten (daarna is het sowieso naar de boem, maar die eerste indruk blijft toch hangen). Een huisnummer zoeken onder de twintig, daar niet in slagen en dan blijkt dat je voor haar deur staat te telefoneren dat je het adres niet vindt, slim slim.
Ze vergaf me mijn dommigheid en liet me dat aan de lijve ondervinden door enkele pistolets onder mijn neus te schuiven. Nog nasmakkend bekeek ik de ijverige schoonmaakster en de inhoud van haar boekenkast.
“Geef me die twee luxeartikelen mee en ik wil thuis wel een half jaar opgesloten zitten,” bedacht ik. Mijn dromen kregen geen kans om zich in een vorm te gieten want er zette zich een conversatie in gang die niet meer zou stoppen tot ik mij moest dwingen om toch mijn kinderen op tijd van school te halen.
Effenaf plezant was dat. Dat getater bedoel ik dan, want tegen de tijd dat ik op school aankwam, kon ik nog net tot aan het toilet strompelen om die liters koffie te lozen. Waarom ik dat bij haar niet voor mekaar kreeg? D’r hangt geen enkele kruk aan haar wc-deur! Die kan niet eens dicht! Daarom! Voor iemand met een o-nee-ze-kunnen-me-horen-plassen-fobie (terwijl ik op haar pot zat te zuchten, stilletjes ‘psssssss-pssssss-gesis over mijn lippen te laten rollen, stond zij hoorbaar te rommelen in haar spiksplinternieuwe keuken ernaast), is het onmogelijk om je onderkant mentaal los te laten.
Voorts kan ik bevestigen dat die ouwe koelkast met bevroren-bedorven-opnieuw bevroren waar nog steeds haar gang ontsiert en dat het mens klapt zoals ze schrijft. Keifaan.
    
Alleen, dinkske… als je nog één keer waagt te beweren dat ik een snor heb, steek ik de banden van ‘je boeleke’ plat! En mijn wenkbrauwen waren nog wel openbliksgewijs geëpileerd! Ook nooit content, gij.
   
Wie nu nog durft beweren dat bloggen de sociale contacten in de kiem smoort, is een oen.
Zeg dat zapnimf het gezegd heeft. Al heb ik haar wel enkele uren van ‘punt vijf’ kunnen houden. Behalve zich in de wijn storten, heeft ze dat behoorlijk doorstaan.
   
En wie ooit twee letters van haar gelezen heeft, weet over welke blogdeerne ik het heb.
Rarara. 
  

Gefopt! Nog een zapmoosesaga-aanhangsel

  
   Omdat ik sinds een maand genoot van co-ouderschap, was het een vanzelfsprekendheid dat moose hier een poosje zou blijven logeren. (Na de week moederen die eraan voorafging.) Dat poosje liep over in de volledige vrije week. Hij wilde zo graag vanuit mijn bed de sterren observeren. Zo maakte hij me wijs. Er was geen hele nacht voor nodig vooraleer ik ontdekte dat hij zonder bril geen ster van een laagovervliegende zeppelin, versierd met flikkerende verstralers, kon onderscheiden, maar dat mocht onze pret niet drukken. We konden het verdacht goed met elkaar vinden. Iedere morgen bracht ik mijn geliefde naar het station, liep pathetisch kusjeswerpend mee met de vertrekkende wagon en zwijmelde vervolgens sms’end de komende uren door, tot ik hem weer kon afhalen. Een verliefde mens vergeet prompt alles wat ze de maanden voordien nog tegen haar vriendinnenkring had verkondigd over extra belasting en vuile sokken. Vooral als hij, de eerste keer dat hij van die trein stapte, een boodschappentas vol ingrediënten voor een paëlla met zich meedroeg en daarmee geheel zelfstandig aan de slag ging in mijn keuken. (Ok, dat ik tevergeefs zocht naar scampi, – die die gierigaard vervangen had door roze garnaaltjes – vergaf ik hem dan maar ter plekke. Dat ik tot de volgende valentijn moest wachten tot hij nog eens het keukenschort aantrok, vergaf ik hem pas een hele tijd later.)
Hij kon ieder moment, als het hem of mij te veel werd, terug naar zijn appartement, zo verzekerden we mekaar, maar dat bleven loze woorden.
Kortom, dat cliché over ‘het klikt’ (bijbehorende oogrol) werd zo waar als een koe.
   
En toen kwamen de kinders terug.
Voor hen wilde ik mijn vrijersvoeten nog even ingestopt houden. Ik was immers nog niet vergeten hoe ze mijn ouders, terwijl ik even lag te dutten, hadden ingelicht over een vorige (heel korte) relatie : “Bomma, bompa, ons mama wil het nog niet verklappen, maar ze heeft te doen met een ouwe rakker van drieënvijftig.” Toen ik wakker werd, mocht ik de bomma ei zo na hartmassage toedienen, terwijl mijn vader ernaast ook op de vloer lag, maar dan van het lachen : “Ola, dat kan dan in de toekomst misschien mijn kaartmaat worden!”
Twee dagen later was’t af.
   
Voorzichtigheid was dus geboden. Voorzichtigheid staat bij mij als een olifant in een porceleinkast. Ik liet een mailtje onbeheerd achter tijdens een uitje naar het toilet.
“Mama? Waarom spreek jij iemand aan met ‘schat’? Wie is dat? Heb jij een vriend? Waarom weten wij daar niks van?  Wanneer krijgen wij die meneer te zien? Is het weer zo’n ouwe? Heeft hij kinderen? Ga je nu trouwen? Mogen wij dan bruidsmeisje zijn? Kent hij iets van muziek? Is hij rijk?”
Daar zat ik met mijn relatie van twee weken en half oud en die koters namen het recht in handen om zich ertussen te wringen en de boel naar hun hand te zetten. Ze dwongen me van moose aan hen voor te stellen.
   
Dat werd geregeld na de tweede kinderloze week, die een herhaling was van de eerste, gevuld met superlatieven en elkaar.
Terwijl ik een zenuwachtige moose bij hem thuis ging ophalen, hadden die dekselse kinders van me de halve oprit voorzien van een dubbele rij theelichtjes, zichzelf en de woonkamer toonbaar gemaakt. Geen inspanning was hen te veel.
Hoewel, hun hooggehouden schijn zou ook meteen weer in elkaar kunnen zakken. Hun preventieve waarschuwing loog er niet om : “Als we hem leuk vinden, vertellen we je verhaal over de stinkende scheet in de keuken niet, anders… hou je dan maar al vast.” Tof tof, erachter komen dat je vier chanterende jong grootgebracht hebt, maar beloofd was beloofd en de grote schat en de kleine lieverds werden met elkaar geconfronteerd. Moose had alleen zichzelf meegebracht, hij wilde liever niet van omkooppogingen beschuldigd worden, en een versleten spelletje Uno. De wederzijdse stroevigheid was van kortstondige aard en na een half uur hadden die koters al door dat ze dat watje in de toekomst nog meer zouden kunnen confisqueren om gezelschapsspelletjes te spelen met hen. Zoonzap, die zich het meest onverschillig hield, stelde wat examenvraagjes op omtrent de pokkeherrie die hij onder de noemer ‘muziek’ ordent en nadat moose met vlag en wimpel zijn test doorstaan had, sloot hij hem sindsdien figuurlijk (zoon kust of knuffelt niet, dat is onstoer) in zijn armen. De oudste vond hem een flinke nerd, maar ‘wel eentje die heel goed meevalt’ zo lichtte ze haar vriendinnen achteraf in. Na een beraad van twee bezoeken, besloot de zapclan gezamenlijk dat moose goedgekeurd was, ik ‘mocht’ hem houden.
   
De derde logeerweek zonder kinderen liep naar zijn eind en toen is hij voor het gemak maar ineens gebleven mits afspraak dat als de kinderen, hij of ik zich er niet goed bij voelden, we altijd nog stapjes terug konden zetten. Zijn appartement liep niet weg.
Niemand die ooit van dat recht gebruik heeft gemaakt tot nu toe. (Ha en binnenkort is dat appartement ook verhuurd… te laat dan!)
   
Als je dan toch al een maand samenhokt, moet je er toch eens over beginnen te denken van je ouders op de hoogte te stellen.
Ons ma :
“Watte? Een vrijer? Hoe heb je die kunnen strikken?”
“Watte? Zes jaar jonger? Universitair geschoold bovendien? Allez, wat ziet die dan in jou?”
(Euh… niet dat het hier zo overkomt, maar mijn ouders zien mij wèl graag en waarderen mij ook van tijd tot tijd.)
“Watte? Hij woont al bij jullie? Hoe kan dat nu? Hij is toch niet op je geld uit hè?” (ha ha ha, ma, ik heb geen geld!)
“Mor allez? Kan die er geen van zijn eigen leeftijd krijgen dan? Mankeert er iets aan?”
“Ooohneen… het is toch geen pedofiel hè? Wie wil nu iemand met vier kinderen?”
   
Onze pa beperkte zich tot een schouderklopje en had al van in het begin door dat moose die uitzonderlijke gelukzak was die mij kon krijgen.
   
Mijn moeder nu :
“Zeg zapnimf, doe eens wat meer je best, straks raak je hem nog kwijt. Ik zag dat je moose koffie liet maken en de tafel liet afruimen. Nu heb je een supervent vast, soigneer hem dan ook een beetje, straks bolt hij het nog af. Dat mag je niet laten gebeuren hoor!”
   
En baai de weei, om even op die volle baard terug te komen. Enkele dagen na onze eerste afspraakjes werd die zo’n vijfenzeventig procent in volume ingeknot tot een ringbaardje.
   
Liefde is…
Je van je overtollige haar ontdoen.
Toeme, daarna moest ik als tegenprestatie dan wel mijn oksels scheren.
Maar voor gladgewaxte benen moet hij minstens nog tien jaar mijn prins uithangen. 
Liefde is immers ook een werkwoord.
  
 

Zoals alleen een schaap kan kijken

  
   De batterij van de laptop zei PLOK en het scherm poefte zwart.
Op zulke noodsituaties ben ik uiteraard voorzien en ik mikte de stroomkabel in de meerstekker en verlengde daarmee zowel mijn typend verblijf op het terras alsook de verbinding met het stopcontact.
Van een gebrek aan vernuft kan je mij niet betichten, tokkelen zal ik, op de plaats mijner voorkeur. Alleen, in alle praktische uitvoering, kreeg ik die viervoudige contactdoos niet verwijderd uit het midden van de binnen- en buitenloop van de terrasdeur. De draad was net te kort.
Moose kwam aanzetten met zijn krant.
“Pas op voor de meerstekker!” waarschuwde ik in zijn richting.
“Jaja,” toeterde hij terug.
Waarop hij zijn eerste stap in de buitenlucht zorgvuldig midden op het obstakel plaatste en wel iets heel geks deed met zichzelf, zijn krant en de grond.
   
“O…”, kraakte hij nedergelegen, “ik dacht dat je het tegen zoonzap had.”
   
Uiteraard schat, stel je voor, hoe zou ik ooit van jou – ‘brok letterlijke standvastigheid’ – kunnen verwachten dat je je zou kunnen misstappen.
   
   
PS : Zoals wel eens vaker, laat ik hem dit schrijven herlezen.
   
Ik : “Euh… sja, weeral stuntel stuntel, het leven zoals dat van jou is, je vindt het toch niet erg?”
Hij : “Dat valt nog mee, ik had verwacht dat je van dat kwartier nadien ook spel zou gemaakt hebben.”
Ik : ” Hoezo? Zeg nu niet dat je er nog een keer over gestruikeld bent!”
Hij : (schaapachtige blik)
     

Wrev(el)ige spieren

  
   Stel, u ziet een bolide op een wegeltje huppen. Letterlijk vooruit springen en dan uitbollen. Niet één keer, niet twee keer, maar drie kilometer aan een stuk.
Wat denkt u dan?
Ik zal ze u voorkauwen, uw gedachten, gezien ik de enige ben die op deze specifieke plaats kan goochelen met woorden (als ik mijn paswoord niet vergeet tenminste).
Vooreerst maakt u een vanggebaartje met uw rechterhand op twee centimeter van uw voorhoofd. Daarmee activeert u een terminologie als zijnde :
“Dronkenlap!” of “Zondagsrijder” of “Een gek, pas op!”
Wie zijn medemens wat meer krediet geeft, zal misschien hopen dat de stumperd nog op tijd een tankstation zal kunnen bereiken.
Tot zover uw waaier van mogelijkheden, peins ik.
   
Toevallig zat ik in die wagen en kan ik al uw gokjes weerleggen.
Uw zapnimf neuriede zich op automatische piloot een rustig tempo naar huis, toen haar rechtervoet plots een kramp ontwikkelde. In haar wrééf of all places. Een zeer pittoresk plaatsje, daar niet van, maar buitengewoon onhandig als je net die voet nodig hebt om gas te geven en te remmen.
En de bovenkant van de voet?
Een kuit of een teen ja, die mogen al eens verkrampen, waarop je ze even in de tegenrichting trekt tot die pling-ik-sta-stijf-pling-pling verdwenen is.
Maar op een pedaal staat die voet dus net in de verkeerde hoek om tegengewicht te bieden.
   
Aldus geschiedde :
het bestaan van onbekende spier in onaangename stand ontdekken
twee trekjes, links rechts, aan het stuur geven van verbouwereerde pijn 
als vanzelf been omhoog schrikken
voet naar achteren trekken en wat meelijwekkend kreunen 
de auto die uitbolt tot hij bijna schokkend stilvalt
gauwgauw weer gas bijgeven tot de pling-pijnlijkpijnlijk-pling zich terug nestelt
opnieuw voet binnen handbereik brengen
ontspannende handeling herhalen
enzovoort enzovoort.
   
Ik had ook kunnen stoppen natuurlijk en mijn massage aan het getroffen gebied aan de kant van de weg kunnen toedienen, maar dat is mijn vrouwelijke logica toen eventjes ontschoten.
Hup…auw… bloep…auw… spring…auw.
  

Strafbaar

  
   Met je zuurverdiende centen een archieduur potje smeervocht kopen om op je iets minder op een serpentenkop te doen lijken.
En dan verdoeme merken dat die fabrikanten je bedriegen waar je bij staat en een heel luchtgat onder hun eerste laag geblazen hebben.
   
Dàt zou strafbaar moeten zijn.
  
  
  

Nog te verwerven : zelfontwikkeling, eruditie en autodidactiek

  
   De piramide van Maslow, u wellicht niet onbekend, daar moest ik na het plaatsen van het vorige stukje aan denken.
   
  
  
Om tot een gezonde persoonlijkheid te kunnen groeien moet je van onder naar boven alle stadia doorlopen. Pas als aan de vorige behoefte voldaan is, kan je je gaan ontwikkelen op het volgende level.
   
Waar o waar is die piramide in mijn persoonlijk leven toch zo kunnen vervormen naar een vierkant? Een draaiend.
   
Vooreerst had ik allang graag die top willen bereiken. In volle zelfontplooiing vanachter een toetsenbord u de mooiste stukjes over kunst en wereldlijke onderwerpjes voorschotelen. Vertellend laten merken dat mijn mentale groeimogelijkheden op het puntige uiteinde van die piramide visueel gesymboliseerd kunnen worden door er een laddertje bij te tekenen dat tot aan de hemel reikt. Mijn iq schiet te kort om te bevatten waarom ik ondertussen niet bulk van zelfactualisatie en een knut andere welklinkende woorden die om de piek rondfladderen.
   
De behoefte aan waardering en erkenning, een trapje lager te vinden, die probeer ik nochtans met handen en voeten binnen te trekken. Als ik ze niet van anderen kan verkrijgen, dan ben ik er nog altijd om op tijd en stond met een natgelikte duim op mijn borstkas te drukken. Of ik verzeker mijzelf minstens één keer per week voor de spiegel van uit mijn eigen keelgat ontsproten woorden : “Zapnimfke, gij zijt een toffe griet!” (En dan piets ik die gele puist in de vlucht nog even uit.)
Zie! Daar kan het ook niet aan liggen.
   
Nog eentje lager, nood aan intermenselijke relaties, daar ben ik ook niet van verstoken. Nog geen halve week geleden zaten hier in de tuin sociale contacten bij de vleet. Ook daarnaast mag ik niet klagen over mijn vrienden, ze weten mij altijd te vinden als ik hen van dienst kan zijn. En bij een mensarm dagje, ben ik niet eens te beroerd om tegen een straatsteen te klappen.
   
Op het lagere echelon spreekt men van fundamentele behoeften. Zich veilig voelen? Eeey, wie mijn karuur al eens heeft bekeken, weet dat iemand die mij wil afschrikken al een ferme trukendoos mag meezeulen om een ietsiepietsie onveiligheidsgevoel bij mij op te wekken. Op het niet fysieke vlak ben ik ook steeds met mijn gat in de boter gevallen : huisje tuintje boompje kindjes huisdieren, gezond en wel, en allemaal te steken op mijn revers.
Zekerheid? Joehoe! Ik ben benoemd in het onderwijs. En voor wie het toevallig nog niet gelezen had, ook in de liefde gaat het ons voor de wind. (Sorry schat dat ik gisteren net in een moment van stilzwijgen verzonken was toen je belde om mijn stem eens te horen.)
   
Waarom? Waarom toch blijf ik dan steken op dat laagste schavot? Dat van de organische noodzakelijkheden : eetwaar, stoelgang en -waters en seks. Zo primair van me en zo nadrukkelijk aanwezig in de dingen die ik schrijf. (Zeezicht wees me er gisteren nog op.)
Nu mijn neus op die onwelriekende feiten is gedrukt, kan ik niet langer blijven trappelen in de ontkenning. Ik ga hier zwart op wit mijn leven beteren. Mezelf nooit meer afvragen waarom er in boeken en films altijd wordt verzuimd van regelmatig het kleinste kamertje te bezoeken. Übermenschen verdringen die details uit hun boeiend bestaan, die lezen de krant en geven daar onderbouwde kritieken over. (Ik lees de gazet en denk : wat een kakstuk, gezeik en stront aan de knikker.) Intelligente lui kijken tv en braken daarna beschaafd geformuleerd hun gal daarover uit. (Ik zet de beeldbuis af want ik heb nog een een paar woorden te kladden over hoe neanderthalerig ik de witte zetel van mijn vriendin bevuilde.)
Wie een grein zelfrespect overhoudt, leest boeken waarover je al eens mag nadenken en noteren hun bevindingen daarna netjes gestructureerd voor hun al even leesgraag publiek. (Ik heb al moeten bekennen dat ik het hardst moet lachen met hapklare chiclit, laat staan dat ik er achteraf reclame voor ga maken.)
Enfin, ik heb nog werk aan de winkel in het domein zelfontwikkeling, eruditie en autodidactiek, maar weet dat ik voor u allen mijn best zal doen! (Al beloof ik niks.)
   
En weet je wat het ergste is?
Ik moet zelfs twintig jaar na de intrede van het volwassendom nog steeds keineig gibberen met : “Trek eens aan mijn vinger.”
   
‘k Weet het… ‘k Weet het… onbetamelijk.
  

Eindelijk een feit : zapmoose, chocolate nimf, moose-nimf of zapchocolate (slot)

  
   (vervolg)
     
Ieder op zijn beurt zijn slapstickshowke en nog bleven we mekaar, om het in een dysfemisme uit te drukken, om ter leukst vinden. Ik putte er mijn hoop uit om binnen afzienbare tijd van ’t straat te geraken.
 
Nadat hij een deel van zijn stiekeme picknick over het café verspreid had, vond ik dat we alsnog zijn voornemen, met wat er nog van resteerde, moesten uitvoeren. In de buurt van ‘Het Steen’ eindigde onze wandeling op een verlaten (uiteraard verlaten, we spreken over 2.30 u) bankje.
Voornemens en fantasieën gedijen als vanzelf als de klimaatsomstandigheden meezitten, maar toevallig kozen wij negen november uit ; koud, winderig en net geen regen. En vooral : met nog slechts twee bodempjes lauwe koffie over na zijn vrijgevigheid op een ander. Om te voorkomen dat ik van die bank zou trillen van de koude, sloeg moose, en helemaal uit zichzelf, jaja, zijn arm om me heen. Ik weet nog dat ik toen dacht : “Jeee, ik moet plassen.”
Met zijn vrije arm voederde hij me mattentaartje, maar ondanks de verrukkelijkheid daarvan, bracht het niet de verhoopte verbranding met zich mee om me warm te krijgen. Wat ik toen nog niet wist, was dat de kerel zelfs een kaars met houder in zijn rugzakje verstopt had, maar hij vond dat er grenzen waren aan de toegestane romantiek, bovendien was die kaars in een badje van hete koffie helemaal kromgetrokken. Ze zou nochtans van pas gekomen zijn!
 
Met de Schelde voor ons als getuige, lieten we de volgende minuten onze gedachten vlieden in stilte en maakten we ons dit moment eigen. Samen zwijgen, samen vijf minuten stelen… onze minuten, onze vrije loop van mijmeringen. De mijne werden verpulverd door die ene allesoverheersende : “Toeme, ik moet pissen!”
 
Mijn lippen bevroren en omdat de verhoopte hitte afkomstig van de zijne uitbleef, konden ze niks anders dan zichzelf in beweging te zetten. De volgende uren praatten we onze levens door, lachten we met een bijna vliegtuigongeluk dat boven onze hoofden afspeelde en onze verkeerde inschatting ervan, wuifden we naar schippers, wisselden we om het half uur van plaats om onze afgekoelde kant te verhinderen af te sterven, hunkerde ik naar een wc, deelden we lieve wederzijdse aaitjes uit, genoten we met iedere vezel van de ander.
 
Toen veerde moose recht. “Ik moet mij even afzonderen of mijn blaas knapt.”
Terwijl ik serieus en doorspekt met krachttermen nadacht over een genderoperatie en hoezeer die het mij makkelijker zou maken, klaterde, echoënd en geluidsversterkend tussen die muren van het Steen, moose niksvermoedend zichzelf leeg. Ik trachtte aan chocoladetaarten, Margaret Thatcher en een potje aarsmaden te denken om te ontsnappen aan het effect van het stromende kraantje als je op toilet zit. Tevergeefs.
  
Om nog een gênante actie van mijn kant te voorkomen, dirigeerde ik mijn vesica urinaria in een ontspannen houding. Dit betekende mijn benen opgetrokken en over zijn knieën gehaakt. Zo kwamen we nog een tijdlang keuvelend verder waarbij hij de tegenwoordigheid van geest had om die benen met zijn handpalmen te bestrijken. Mmmm. En sporadisch een kusje op mijn haar. Mmmm.
   
Rondom ons kwam de stad aarzelend terug tot leven. We merkten dat de nacht ons in een tegenwoordige tijd van half zes had gekatapulteerd. Het besef dat we beiden voor een nieuwe werkdag stonden, drong langzaam tot ons door.
Mijn assepoestermoment was aangebroken en de gemoedelijke sfeer in flarden snijdend sprak ik mijn diepste wens uit : “Moose, wat ik nu wil is dat je me meeneemt naar je appartement en dat ik daar gebruik mag maken van je sanitaire voorzieningen, want ik hou het niet langer uit. Koffie zou ook welkom zijn.”
   
Moose sloeg zich voor het hoofd dat hij daar geen twee uur eerder aan had gedacht (tuurlijk niet, hij had lekker tegen de muur van een historisch gebouw kunnen urineren en zijn rigor mortis was nog niet aan zijn tenen aan het knabbelen). Mijn vlotte rijstijl naar zijn woonst had wat te verduren onder de stijfheid van de ledematen, maar tien minuten later kon ik me eindelijk op zijn toiletbril gooien. De opluchting maakte plaats voor de verbazing. Ik zat daar in een felblauw sprookjeslandschap met feeën, trollen en bomen waarin ze huisden, te wateren. Wat zou die mens nog allemaal voor me verzwegen hebben?
   
Hete koffie en een overschot brood later waren we weer helemaal ontdooid. Nog anderhalf uur en zowel hij als ik werden op ons werk verwacht. Dan kan je toch nog een drie kwartier tegen mekaar aan in de zetel gaan liggen, niet? 
Daar, op die comfortabele plek kreeg hij een idee : Zal ik dat wicht eens proberen te kussen? Voor echt?
   
Hoe chocolate moose en zapnimf zapmoose werden…
En hoe een van de twee op het einde van die dag in slaap is gevallen op haar werk.
  

Wij zijn niet van de rapsten

  
   Zondagavond 21.00u :
   
  
   
    
– “Zullen we eraan beginnen?”
– “Neu… waarom? Dat loopt niet weg hoor.”
– “De vuilniskar komt morgenvroeg. Daarom.”
– “O. Ok. Maar al de niet-voor-de-vuilniskar-rest is voor van de week.”
   
Maandag 19.00 u :
   
– “Kijk, het regent… spijtig hè?”
   
   
Sjonge, wat is het heerlijk om een luie dragonder te zijn en je daar niet eens schuldig over te voelen.
  

Schoon weer, schoon volk en schone herinneringen

  
   Vanmorgenmiddag ontwaakte ik op een dooie arm. Verder onderzoek bracht uit dat hij nog steeds aan mijn schouder vasthing. Wiebelen dan maar, leven opwekken is moeilijk, maar niet onmogelijk. Was het met de bovenkamer ook maar zo eenvoudig, mist, rook en wazigheid. D’r was wat gebeurd, de moeite waard, gisteren geloof ik.
Naast mij zwol een dierlijk geluid aan. Gekreun : “Ik eet nooit van mijn leven meer!” “Die blogfeestjes zijn puur plezier, maar de dag nadien is hel!” “Ik wil een darmamputatie.”
Achja, het gesteun even negerend, gisteren hadden we een feestjen. Overvloed aan alles.
Na het zien van de overblijfselen (puik natgeregend) en het ontdekken van mijn gsm en sigaretten in een plasje, wist ik het weer. Haarscherp en bereid om het u nog een keer te laten (her)beleven.
    
   
Erg getalenteerd zijn wij niet.
Maar ik moet het ons nageven, feestjes alhier hebben vibes, die van het betere soort zelfs, als ik zo onbescheiden mag zijn. Eerst delegeren we een belangrijk onderdeel, het stimuleren van de maagsappen, naar de genodigden zelf, vervolgens geven we ze een stoel en altijd loopt dat meer dan prima af.
Coltrui even daargelaten, die heeft eigen criteria om met stoelen en wijn om te gaan (trefwoorden : zijkant en ondersteboven), maar minstens even lollig.
   
Ik stel het nu wel heel simplistisch voor. In de voorbereidende werken, riskeerden wij een fikse ambras voor u :
in de Colruyt : die wijven zijn hun hele levensloop aan mekaar aan het vertellen met hun karren tegen elkaar, ik kan niet voooolgen, snaptdatnueens! 
in de auto : O zut, in China liggen er nog mensen onder aardbevingspuin en gij zanikt wat over twee schepjes zand die uit die olijfboom vallen? Ja! Omdat ik weet dat China eerder heropgebouwd zal zijn dan onze auto gestofzuigd!
in de tuin : Als je nog eens plots neerdalende florissante ideeën krijgt over zestien vierkante meter extra terras, zou je dat in het vervolg dan drie weken op voorhand kunnen verwittigen?
   
U weet niet eens half hoelang er bij voorbaat is gefilosofeerd om die tafels tot een driepuntige ster te puzzelen. Dit alles ter bevordering van de onderlinge contacten. Jaja, een opstelling die het welgeteld een half uur uithield, daarna werd er danig met die tafels geschoven tot we in een rondje zaten en geen contact dat eronder leed!
   
Na enkele glazen van dat blauwe spul dat we zelf in elkaar hadden geëxperimenteerd, moet ik in een vlaag van zinsverbijstering gedacht hebben : ’t mijnen hof, ik mag mij hier aanstellen zoveel ik wil, met het meeste lawaai erbij. (Hoewel, die Sabine kan er ook wat van… en ’t is niet eens haar tuin!). Ontneem mij de volgende keer alle alcoholhoudend vocht en plak een pleister op mijn lippen, ik beloof dat ik ook eens naar u zal luisteren dan.
   
Het verzorgen van de catering uitbesteden, blijft een van de betere invallen die mij ooit bezocht hebben.
Tjonge, een beschrijving geven van al dat voedsel is onmogelijk, al was het maar omdat ik al die exotische gerechten niet eens kan naamgeven. Bewerkte bollekes, rare pasta, uitheemse korrels, sausjes die eruitzien alsof het een gezichtsmasker is (blijkt dan om je chips in te dippen.), taarten, kazen en vleesjes met griezelige namen, wortelcake, fruitjes, mediterraanachtigiets, slaatjes die erg positief verschillen van de sla die doorgaans in onze voorverpakte zakjes zitten. En dan vergeet ik misschien nog wel iets… expres. De quiche die om onverklaarbare redenen plots een omelet werd, bijvoorbeeld. (Neuh… ook heel smaakvol!)
Ik vergeef het ons volk zelfs dat ze voor minstens 60 000 calorieën hebben achtergelaten. Ons streng regime van water en brood is bij deze uitgesteld tot de laatste hap genuttigd is. 
   
’t Was fretten geblazen, zover was u ook al natuurlijk. Ik schrijf hier zelfs een unicum : gisteren wegens vol-gevuld-verzadigd geen taart/cake meer kunnen achterstouwen. Euh… wat ik deze morgen bij wijze van ontbijt meteen weer goedgemaakt heb. Wie die wortelcake heeft overgeslagen, die had verdomme ongelijk! Klinkt afschuwelijk, maar het smaakt als zeven engelen die ballet dansen op Bob Marley, in een zachtroze jurk met diepe decolleté.
   
Het spijtige van de hele zaak is dat gezellige gasten op een gegeven moment zichzelf ook weer oppakken en hun leuke babbels mee naar huis nemen. Veel te vroeg mensen! Leer de zapmoose etiquette! Kom allemaal nog eens terug, we zijn nog bijlange niet uitgepraat.
   
Moose en ik genoten nog een uurtje na tussen de kaarsen en onder een flikkerende ‘Grote Beer’. Toen hij het weeral raak formuleerde : “Zap kind, wat heb jij interessante mensen op je blogrol staan. Waarop ik niks anders kon dan het roerend met hem eens zijn. En even in zijn neusvleugel bijten.
   
Maar ’t was nog niet gedaan met verrassingen/genot/verrukking. Bij het slapengaan vond ik een zonevreemd voorwerp op de tafel in de living. Een geniepige bezoekster heeft haar boek, met een mij ontroerende boodschap voorin, daar achtergelaten. Haar boek als in : zelf geschreven en gepubliceerd. ‘Bollebuiken in beweging’ heten die bladzijden. Fantastisch! Zolang je maar niet verwacht dat wij nog aan een procreatie zullen beginnen, Leen!    
   
Voor eventuele slapenblijvers had ik – ongelooflijk maar waar – zelfs mijn badkamer gepoetst. Met een pincet de prut uit het doucheputteke gepeuterd, godbetert! Mijn wc opgeblonken. De tandpastaspetters van de spiegel verwijderd. De logeerkamer nog eens extra gezogen. Uhu, voor die ene keer dat die inspanningen geleverd worden, mag dat best eens in de openbaarheid gebracht worden. Helaas helaas, niemand die die onwaarschijnlijkheden kan bevestigen, want daar zat ik mijn laatste wakkere minuten in mijn alleeneke op het toilet.
En ik dacht : “Poeh… niemand die het zal merken, nu kan ik gerust terug tegen de pot ka… euh… never mind.