Uw geluk dat ons fototoestel kapot is!

  
   Sinds kort wolkte er een prikkelend penetrant geurtje rechtstreeks uw zapnimf in. Een ware olfactorische nachtmerrie die de sensoren mijner reukorgaan deden klapperen alsof ze zichzelf terwille van zelfbehoud buiten westen wilden slaan.
Dit alles speelde zich telkens af in de keuken. Nog het liefst bij handelingen waarbij ik het hoekkastje opentrok waar de verzameling Tupperware en plastieken aanverwanten veilig opgeborgen lagen. Een vluchtige inspectie van de bodem naar verloren gelopen eetwaar leverde niks op. Als surrogaatoplossing werd het raam opengezet. Dag en nacht. Het wekte nauwelijks de illusie dat ademen tussendoor nog haalbaar was.
Pas toen ik ei zo na bewusteloos geraakte bij het nemen van wat kookgerei uit die bewuste kast en in mijn val tientallen potjes meesleurde, zag ik naast mij op de grond de omgekeerde charcuteriedoos met deksel liggen.
   
Had ik u al verteld over de vermiste overschot rosbief van de brunch twee zaterdagen geleden? Nee? Wel, ik heb hem teruggevonden. Half gesmolten in eigen nat, verworden tot een onnoembare kleur en ondertussen de huisvesting voor een koppel maden van twee centimeter groot die mij verwijtend aankeken : Zoek uw eigen stek, verdomde verstoorder, deze is al verhuurd!
 
Als straf voor deze respectloze boodschap heb ik ze ondergekotst.
  
 

Fris, monter en hupseflups 2008 – 2009 tegemoet

  
   De vakantie kreeg abrupt een einde. 
Gisteren. Met een ‘keitoffe’ karweidag.
Uw zapnimf haast en spoedt zich dan altijd naar het rommelkot om de grasmaaier vanonder het puin te zoeken wegens besmettelijke buren en het idee dat elektrisch duwen over iets dat van heel ver naar gras ruikt nog het minste kwaad is van al die verderfelijke klussen (dakgoot leegmaken, speelplaats borstelen, kapotte lampen vervangen op een plafond van drie meter hoog, het zand in de zandbak zeven…). Helaas waren de collega’s die in die buurt meestal het onkruid uittrekken op pensioen, druk bezig de verlengkabel door te snijden met behulp van de hagenschaar in het hofke vooraan of gewoonweg elders. In alle eenzaamheid nam ik die stinkende gauwe tussen de klimop dus ook maar voor eigen rekening. Vijftig meter in buigstand onkruid uittrekken, een mens zou voor minder een grote doos antidepressiva doorzwelgen. Terwijl ik daar wat beteuterd naar mijn gele handen stond te loeren en het in één ruk betreurde dat ik geen wratten heb aldaar, hoorde ik mijn beroepsgenoten in de voorbijgang tegen elkaar kwinkeleren :
“Oooh, wat heb ik er terug zin in!”
“Ja, ik sta ook te popelen om terug te beginnen!”
“Na twee maanden is het altijd leuk om te starten met een verse klas.”
Blablabla.
   
Vandaag stond er een megavergadering op het programma. Mijn rug voelde alsof hij op minstens vijf plaatsen gebroken was en er was iets raars aan de gang met de spieren in mijn billen. Die leken een eigen leven te leiden. Een pijnlijk.
“Oeoemja, wa-ah-ah-t heb ik goesting in een nieuw schooljaar.”, mompelde ik tegen de tachtigjarige versie van mezelf in de spiegel.”
En ik wenste mezelf doornroosje.
  

Tussen twee (v)(geb)uren

  
   – “Guido, hoort hoort!”
  “’t Is vijf voor zeven en die van twee huizen verder zijn al bezig.”
  “Ik gok op een heggenschaar. En die hebben wat hagen, amaai.”
  “Komaan, vent, schiet eens in gang.”
  “Pakt de grastractor, gezien het goed geregend heeft, is de gazon sinds drie dagen alweer gegroeid.”
  “Geef maar eens goed van jetje!”
  “Zal ik daarna wel met de graskantmaaier afkomen, de ouwe, die snerpt lekker.”
   
– “Ochot, ’t is weer van datte, Johan.”
  “Ze zitten daar weer op hun grasracemachien.”
  “Ons elektrische schaar heeft hen weer werklustig gemaakt.”
  “Maar niet met ons hè!”
  “Krijg ik ineens goesting om heel de oprit eens af te spuiten met de hogedrukreiniger sè.”
  “Als je haag en de oprit klaar zijn, zullen we de auto kuisen, ik zoek alvast een tof muziekje voor erbij.” 
  “Zoon, sleur jij al eens de stereo-installatie naar de zijdeur?”
  “Wat denken die eigenlijk wel, die van nummer 25?”
   
– “Breek nou mijn klomp.”
  “Jo Vally! Als ik aan iemand een hekel heb is het wel Jo Vally!”
  “Guido schat, vanachter is er mij nog een beschadigde boom opgevallen, allez, binnen dit en twee jaar zal die toch zo rot als snot zijn.”
  “Zal ik de kettingzaag zoeken tussen het tuinarsenaal?”
  “Ha! Daar zullen ze niet van terug hebben.”
  “Zelf gezocht, sukkels van den 21! Jo Vally, eikes!”
   
– “Vooruit Johan, bind onze Blackie aan die boom vast in ’t zicht.”
  “Hij verdraagt dat niet goed, kettingzaaggehuil.” 
  “Blaffen moet hij, blaffen.”
  “En nodig voor vanavond maar uw collega’s uit, als die wat op hebben, worden die onaangenaam luidruchtig.
  “Wie laatst lacht, best lacht.”
  “Het liefst keihard.”  
   
   
Wie o wie denk je dat er zich vanaf zeven uur ’s morgens nog maar eens dood lag te ergeren op nummer 23?
KLAARWAKKER! 
Juist ja.
Uw zapnimf heeft een hard leven.
  

Met de handen in het haar

  
   ’t Zijn net de getuigen van Jehova.
Ook onuitroeibaar.
Achter die eersten heb ik al met de riek gelopen, hun woordenvloed, over de archislechte wereld waar mijn kinderen in moeten opgroeien, verpletterd tussen de dichtslaande deur en ze proberen te overtroeven met een bloemlezing uit het moppenboekje in het toiletschuifje. Niks hielp, ze bleven met verse regelmaat oppoppen als de bacteriën in de snotneuzen van de kleuters die ik binnen een week weeral mag gaan super-viezen tijdens de middagpauze.
   
De geweldige vondst van mijn babysittende moeder had al evenmin succes om op een adequate manier ervan af te geraken. Zij deed het, de simpele. Een foldertje aannemen. “Hahaha, binnen de vijf minuten buitengewerkt! Gewoon briefke aannemen en uitzwaaien, zo doe je dat.” En haar kin sloeg daarbij een kwartslag naar omhoog om haar superieuriteit kracht bij te zetten. Jammer voor ons ma dat ze hier een vaste dag toezicht hield op mijn netgeborene. Exact één week later kreeg ze hoog bezoek. Ongenodigden die haar interpelleerden over de inzichten die de uitverkorenen haar schriftelijk hadden willen bijbrengenActie en reactie. Hoe ze dat opgelost heeft, kon ze zich later ook niet meer voor de geest halen, maar het zal alvast iets met ‘mond vol tanden’ geweest zijn.
   
Tot op zekere keer een van die brave godsleurders uit schrik voor de kenau die op het punt stond om mijn persoon over te nemen uitriep : “Maar mevrouw, als u dat liever wil, kunnen wij toch uw adres noteren als zijnde niet welkom?”
Het vijftal jaren dat daarop volgde, kenmerkten zich door rust, peis en vree. Toch aan mijn voordeur. Die overwoekerde gestaag, de sleutel verdween in de vergeetput en duizenden ongewervelden maakten er hun toevluchtsoord van. (De rest van de mensheid baant zich immers een weg langs de achterdeur om het zapdom te betreden.)
   
U voelt al nattigheid natuurlijk. Waarom bezit iedere sekte het soort dwarsligger dat hoopt dat bekeringen schering en inslag zijn in mijn woonst? Ja hoor, niet te verdelgen, opeens stonden ze daar weer. “Of ik misschien ondertussen nog niet van gedacht veranderd was?”
   
’t Zijn net de getuigen van Jehova.
En dan heb ik het over de luizen die na enkele jaren afwezigheid weerom de kop van krulzap als vaste stek kozen.
De rie… luizenkam, tevergeefs.
Verpletterd worden tussen mijn nagels is als kietelen.
En van mijn moppen vallen ze ook niet dood.
De schaar dient volgens krulzap enkel en alleen om ogen uit te steken. De mijne, als ik nog maar durf te suggereren.
   
De firma Radikal, verstrekkers van verzengend vergif voor vettige frisuurbeesten, zag zijn omzet deze zomer vervierdubbelen.
Ra ra ra…
Radeloos.
  

Tegen- bijeen- en be-komsten

  
   Geloof me. U wil mij nu liever niet tegenkomen.
Ogen bloeddoorlopen, mijn gisteren zorgvuldig geföhnd haar in een spontaan vlechtwerkraam geknoopt, alsof een of andere artistieke visser zijn netten haaks op de schedel heeft geniet en onder dit kunstwerk een geperste prop, die ik ooit in betere tijden wel eens benoemde als hersens. Spreken is een opgave. Bewegen een martelgang. Typen, mits beheersing van buitensporige emoties, krijg ik nog net voor elkaar.
De maag heeft zich ondertussen gestabiliseerd. Nauwelijks luttele uren geleden kreeg ik nog te maken met iedere scheur in het wegdek die zich via de voortplanting van trillingen liet voelen aan mijn binnenkant. Hup, kaasjes onder, flap, kaasjes boven, klets, zalmlasagne verspreid, bonk, pasta in knot, bubbelbubbel, wijn, koffie, cola light overal, krrrch, rijstkorrels rondom de kip, psssch, alle etenswaren in de lekkere kip… en ik allesbehalve kiplekker. Mijn grauwgehalte stak in die mate af tegen de felrode zonsopgang, dat de voelsprieten van mijn chauffeur geregeld informeerden of zij met mij erbij moesten wijken naar de wegkant om mijn composteerbaar innerlijke afval over de berm uit te schudden. Omdat er in mijn ogen slechts één ding erger is dan halvelings te sterven op een autozetel, zurige braakballen de zwaartekracht laten tarten doorheen een smalle slokdarm met name, droeg ik mijn pijnlijke lot waardig en in stilte, net als je van een echte zapnimf verwacht. Nuja, een enkele luidruchtige oprisping, weeë kreun en testamentair gefoeter nagelaten.
Daarvoor hebben wij dan Tia Hellebaut gemist!
      
Allemaal uw schuld! 
Want gisteren wilde u ons nog wel tegenkomen. U daar, bloggers altegaar, of toch wel twintig stuks uit dat universum. “Ja hoor mooselove en zappiebaby, altijd welkom, als je tenminste wat te vreten meebrengt, onze liefde gaat immers door de maag.” 
Tegen zoveel vleierij zijn zelfs wij niet bestand, dus nauwelijks hersteld van een vijfdaagse uitstap naar een tropisch zwemparadijs, prepareerden wij op dubbele snelheid ons geheim recept van chocolade moes en rijstepap. Wie kan het ons kwalijk nemen dat wij na zoveel energieke arbeid slechts anderhalf uurtje te laat arriveerden. (Dan zwijg ik nog over het oponthoud in de Aldi, alwaar de kassajuf onze blik minutenlang gevangen hield. In een vlaag van onoprecht medelijden scheen ze vooral mij priemend te viseren : ” Doe dat nou niet! Respecteer je lichaam. Die uitpuilende vleesrol wil nu al over je broeksrand ontsnappen. Zestien chocolade mousse’kes en acht blikken dessertrijst… tel uit die calorieën. Je kan ze nog wisselen voor vijf kilo sla!” Gelukkig ben ik sterk in het negeren van misplaatste oogboodschappen.)
Onze achterstand in feesterij had nog een reden. Al jaaaren zeurt die Menck aan onze kop dat wij marginaal zullen blijven zolang wij ons niet de aanschaf van een gps permitteren. Gisteren rook hij zijn kans. Wedden dat hij die arme Chelone heeft aangespoord tot het doorgeven van een routeplan doorspekt met haken en ogen? Net zoals de eerste keer dat we uitgenodigd werden bij die lieve gastvrouw, doolden we verdwaasd door een dozijn Zeeptstraten. Nu vraag ik je, is dit nu een naam waar je kwartieren aan een stuk in verloren wil rijden? “Neen!” schreeuw ik ferm in uw plaats op dit blog. Driemaal neen! Uw ego vaart er niet wel onder. Jezelf vermissen is enkel veroorloofd in straatnamen met aanzien. 
Uiteindelijk bracht de mobiel van de Huisvrouw soelaas. Nadat ze hem eerst misbruikte om ons eens flink uit te lachen – “Worblefdegollena?” – kon ze het uiteindelijk opbrengen om het mondstuk voor Chelone te houden, zodat die ons na wat overbodige lusjes in het stratenplan toch nog kon loodsen alwaar het festijn doorging.
De entree van de twee pioenhoofdjes volgde.
Terwijl we relaxed Tia Hellebaut vanuit onze zetel hadden kunnen aansporen.
   
Het mag vermeld worden : de mededisgenoten waren van het aangenamere soort. Hun kookresultaten evenzeer. Tig onderwerpen, van bodemloosheid tot bloemenweiden, IQ over cinema, vlogen over tafel. Alsook nepautisten die bij Micheleeuw horen en het fototoestel van Fotomart, die daar, tussen ons gezegd en gezwegen, zo overroepen enthousiast over deed. Poeh, ze demonstreerde haar gelijk met een foto vanuit kikkerperspectief van mijn achterwerkJE. Ik brul u, rijp voor de schroothoop, die kodak, dat geleek voor geen raap op mijn achterwaartse trotse tempel. Haar scherm liet iets zien dat het best te omschrijven viel als euh… smeuiige blubblubblub. Nogmaals, waardeloos brolspul! Koop u een keer kwaliteit, meid! Daniël aanzag de Huisvrouw abusievelijk aan voor moose. Of haar voor mij, daar zijn we tot op heden nog niet uit. Ncumisa moest bekennen dat de Monchichi in moose ondertussen verdwenen was. Madame vertelde hoe ze Meneer tot de hare heeft moeten dwingen met brood en kaas. Huisvrouw spuwde en smoste in de rondte, tot onze opluchting vooral op zichzelf. Chelone wist weeral wie wat achter kiezen en in keelgaten gestoken en gegoten had, voor de rest soigneerde ze het gezelschap perfect. Stef Flater ontpopte zich als een voorbeeldige afwasser. Zeezicht liet weten dat onze eetbare bijdragen niet aan haar besteed waren, waarop ik mijn kijkstraal naar haar gericht tot een vogelpikpijl probeerde te transformeren. Zabrila liet ons allemaal zwijmelen met haar knappe dochter. Maar echt een schoon kind. En ha! Zabrila deed haar reputatie weer eer aan, door nóg later te verschijnen dan wij. De nicht van Madame en vriend bleken creatieve duizendpoten. Agnes, die meteen de bijnaam ‘de efficiënte’ meekreeg, had Patrick geleerd hoe hij het moest vermijden de wc-bril te bevuilen (hij dook op geregelde tijdstippen dieper de hof in), Leen en Huisvrouw sloten zichzelf op in het kleinste kamertje ; ze sprongen iets te omstuimig om met de deurklink. Karel bleef zijn psychologische zelve in iedere conversatie. Margo, Hilde en Joke vielen op doordat ze net niet opvielen, toch niet qua lawaai. Wat niet van Enzo en Heidi kon gezegd worden, maar dat lag dan weer aan hun gehaktballen, hun Limburgs en haar kirrend lachje. Micheleeuws bloot gat deed stof opwaaien, maar hier weet ik het fijne niet helemaal van en Menck bleef zoals altijd evenwichtig en tot de laatste. Dat weten wij wel zeker, gezien Huisvrouw en wij als voorlaatsten vertrokken.
(Tia Hellebaut was eventjes vergeten.)
   
Half zeven ’s morgens. ’t Was toen dat ik mezelf tegenkwam. En het gen dat aantoont dat je na je vijfendertigste niet meer geschikt bent om een nachtje door te trekken.
   
De rot-vrt gaf geeneens herhalingsbeelden van een winnende Tia Hellebaut bij thuiskomst. Oh hemel, wat wilde ik met aandrang bij mezelf vandaan. Ver ver weg. Waar darmen en magen geen rol spelen…
  

Toedeloe

  
   Mag ik u een kleine pauze aanbieden?
Ik gun het u en ik gun het mij.
Tijd om wat drukte uit het hoofd te wieden.
Een poosje volledig lettervrij.
   
O maar, juich nog niet te luid
Laat zakken, die triomfantelijke toon
Al ben ik er even tussenuit
Ik zie u op ’t feestje bij Chelone.
  

Eerst onverantwoord melig, daarna onverantwoord triest

  
   Ik huilde.
Jankende uithalen, tegen het hysterische aan. Greep haar handen, streelde ze.
“Wij zitten hier toch?” fluisterde moose.
“Wij zien je zo graag, wat je zegt is niet waar.” traande ik in onduidelijke keelgeluiden.
Moose en ik keken als één naar haar man. Die zweeg. Zijn gezicht stond ongemeen hard. Gespeend van iedere uitdrukking.
   
Ze had de moed gevonden om het uit te spreken : “Ik heb het gevoel dat ik voor niemand nog iets kan betekenen.”
   
Slapen deed ze nog amper, huilen des te meer, haar lichaam gaf het op, ze zag eruit alsof ze ieder moment door haar benen kon zakken.
Daags voordien hielden we koffieklets bij haar, de vriendinnen en ik. Nadat we een sms gekregen hadden die verontrust klonk. Toen de bananentaart achter onze kiezen verdwenen was (zij at een vierde op van haar stukje want eten lukte ook niet meer zo goed), dwongen we haar een afspraak met haar dokter te maken. Alle vingers wezen naar mij om haar daarbij te begeleiden. “Zap, jij kan het goed uitleggen, we kennen haar, zij gaat gewoon over haar schildklier beginnen.” 
   
Haar man had het druk, shiftwerk en andere verplichtingen. Zij had het druk, shiftwerk, zwaar werk, weekendwerk, ver van huis. Nog twee weken te gaan tot het einde van haar proefperiode en één hoge pief die dacht dat hij in dat zwakke lijf van haar nog een mes moest keuteren aan de achterkant. Dat gaf de doorslag. Alle ellende van overal (die opschrijven zou mij te ver brengen) verpletterde haar laatste weerstand als een aaneengekoekt massief brok uitzichtloosheid.
   
“Je weet toch wel waar die slavendrijver zijn job van mij zou mogen steken?” , brulden we in koor.
“Je vindt geen tijd meer voor de kinderen, je ziet je man niet meer, je sociaal leven is verpieterd tot nul, wanneer was de laatste keer dat je nog eens een penseel hebt vastgepakt? Jij die altijd zo creatief was. Die natuurgidsencursus die je begon, heb je niet kunnen afmaken. Je bent over alle grenzen van je jezelf heengegaan.”
“Ben je gelukkig? Wat wil je eigenlijk zelf?” vroeg iemand. 
Zij antwoordde dat ze het gelukkigst was toen ze een jaar geleden drie maanden rust voorgeschreven kreeg. Maar dat dat niet kon want haar directe omgeving hamerde erop dat werk hebben zo belangrijk is in de maatschappij. 
   
Op het eind van de namiddag bleef ik nog met haar over. Ze vertrouwde me toe dat ze er regelmatig naar verlangde om dood neer te vallen.
Haar man kwam thuis en ik resumeerde in een paar woorden het verloop van ons gesprek. Het laatste wat ik gehoord had liet ik achterwege. Hij keek zonder emotie door me heen en ik vertrok. Mijn hoop ging uit naar de dokter morgen.
   
Het was haar man die me belde. Hij zou wel met haar naar de dokter gaan. Ze sliep slecht, hij zag ook wel dat het niet goed ging met haar, maar wij, kortzichtige vriendinnen, zo sprak hij, fixeerden ons slechts op één ding : haar werk. Wij moesten eens leren van naar zijn vrouw te luisteren. “Ze wil werken, ze vindt haar werk leuk. Ze moet gewoon bijslapen, dan komt alles in orde. Kan ze overmorgen terug monter haar volgende serie lates starten.”
Het telefoongesprek ontaardde in een resem harde woorden, zowel letterlijk als figuurlijk. Hij begon.
   
De verdere dag wist ik met mezelf geen blijf, telefoneren naar de vriendinnen, emotioneel op het randje balanceren en een innerlijk dat sputterde, brieste en botste. 
Moose kwam thuis en luisterde. Moose pakte me vast. Moose nam de koe bij de horens. 
   
We werkten ons bij haar en hem binnen met een smoes. Ik wilde mijn excuses aanbieden voor daarstraks. Maar er was toch nog één ding… wist hij wel hoe erg het was? Wat ze stilletjes heeft laten vallen toen ik met haar alleen was? Zij ontkende niks. Van zijn gezicht viel niks te lezen. “Ze wil werken, ze kiest zelf.” verklaarde hij.
   
“Ik weet niet wat ik wil! Ik kan niet meer kiezen! Niet meer helder denken! Ik heb schrik dat ik spijt ga krijgen van eender welke beslissing.” kwam zij tussen.
   
Moose richtte zich tot hem : “Jullie zijn een koppel, jij hebt voor haar gekozen en zij heeft voor jou gekozen. Je hebt ook geluisterd. Zij. Kan. Niet. Meer. Kiezen. Nu moet jij weer VOOR haar kiezen.” 
   
Geen krimp. Ondanks alle registers die we opentrokken.
   
En dan van haar kant : “Ik heb het gevoel dat ik voor niemand nog iets kan betekenen. Geef me die pillen en ik slik ze allemaal tesamen door.”
   
Het had beter kunnen aflopen. Ikke pathetisch wenen. Zij een hoopje overblijfselen van wat ze ooit was. Moose die kalm bleef en rake dingen zei. Hij die echt woest werd. “Ze was er terug bovenop tot jullie binnen kwamen en haar gewoon de put komen induwen!” Ik die nog woester werd. “Sla me nu!”, bad ik, “dat ik je kan aanvliegen!” Rechtstaand neus tegen neus en geen beheerste vezel nog die me wilde stoppen. Dat deed moose.
Hij schreeuwde ons buiten. Stond klaar om de politie te bellen. Wij bleven zitten. Lieten doordringen dat we mislukt waren in het bereiken van ons doel. Het kalmeren van de gemoederen was nog slechts een afronding tot afscheid.
   
Hij zou me de dag nadien bellen zei hij. Ik vroeg me af waarom.
Ik weet dat hij ook het beste wil voor zijn vrouw, maar hij ziet het niet/anders.
   
Zijn sms later :
“Ik heb gezegd dat ik je zal bellen, maar dat lijkt me geen goed idee! Voor alle duidelijkheid : Ik laat me door NIEMAND beïnvloeden. Groetjes.”
   
De mijne : “Sorry x, ik dacht dat het hier over het welzijn van je vrouw ging en niet over jou. Haar noodkreten leken me nochtans duidelijk. Veel sterkte. Wij willen er voor haar zijn als ze ons nodig heeft.”
   
En ik besefte : het leven kan soms toch klote in elkaar zitten.
Broddelaar!” riep ik tegen niemand in het bijzonder. 
  
  

Eerst een beetje melig en daarna een beetje niet meer (2)

  
   Op de huwelijksreceptie van een collega die een week later doorging dan de eigenlijke trouw.
   
Ik : Oooooh, (traantje pink) het toppunt van romantiek!
Nu moet zij in haar trouwkleed naar Schiphol en rechtstreeks door naar Malta. Ze dacht dat ze haar huwelijksreis al achter de rug had, die paar dagen Ardennen van de week. En ineens zit die gast daar op zijn knieën in het midden van het volk en vraagt haar boembats van nú mee te vertrekken voor tien dagen. Manmanman, hier smelt ik van. Maar zoooo schattig!
Zij gillen : “Toeme, wie heeft mijn koffer ingepakt? Ik had alleen nog uitgelebberde onderbroeken in de schuif liggen, de rest zit in de was.”
Dat kind helemaal overdonderd van de verrassing, hoe zou je zelf zijn? Oeoeoe, ik zou hupsieflups overgelukkig zijn. Allez, dat wil iedere vrouw toch meemaken zeker? Ne man die je zo achterover kan doen vallen. Ik ben er nog niet goed van.
In vol ornaat op het vliegtuig moeten stappen… o zucht… zwijmel. 
Moose zoeteke, zeg ook eens iets, wat vind jij daarvan?
   
Hij : Niks. 
    

Eerst een beetje melig en daarna een beetje niet meer (1)

  
  
  
Ik : Hou je nog van mij?
Hij : Ja.
Ik : Laat dat dan eens zien.
Hij : Ik sla je toch niet?
  

De overtreffende trap van pummelige meubelseks

  
   Stel u voor, bijna reiken aan de veertig en Clement Peerens Explosition nooit in levende lijve hebben ervaren. 
Dat is even rampzalig als vóór de menopauze nog niet op een eetkamertafel seksueel te hebben gestunt. Ge weet niet wat ge mist! Maar daarvoor is uw zapnimf in het leven geroepen. Om het u van naaldje tot draadje uit te leggen. Hoewel, willen we niet met de waarheid jongleren… prrrf, het tweede voorbeeld wordt fel overroepen. Om te beginnen kiest u best een minnaar uit wiens piemel een hoger level haalt als het tafelblad. Hoeveel mannen kent u, groter dan één meter negentig? En dan nog, een reus met korte beentjes schiet ook tekort. Ik moest het doen met minder. Plus het keukentrapje. Het nare aan keukentrapjes is, dat je die nooit in beeld krijgt van zinnenprikkelende geladen filmprenten, de voorbeelden van passie, vlotheid en vanzelfsprekendheid bij uitstek. Wij weten ondertussen waarom. Te hoog. Het kinderopstapje van de wc : te laag, te smal. Twee delen van de dikke Vandale : te lachwekkend. Taal in beweging, niet handig op een gladde vloer. (Hoort uw uitprobeerspecimen tot het kleinere soort, stop ermee en verkas naar de salontafel! Of zet hèm op de tafel en wissel van positie.) Het natuurlijke concept, op de tippen van zijn tenen, veroorzaakt kuitkrampen. Dat merkt u meteen als u, als liggend tafelornament, een snok te verduren krijgt, waardoor de tafelrand plots onzalig scherp uw zachte billen tekent. Buiklig is ook niet aan te raden. Dat is zoooo ‘In de Gloria’. Met andere woorden : belachelijk en u weet met uw benen geen blijf. Onthou ook, het aanrecht in de keuken is nog een graadje moeilijker, tenzij u een Herr Seele te strikken hebt, maar in dat geval moet u misschien overwegen of een seksloze maand inlassen niet de voorkeur geniet.
   
Vergeet het voorgaande. Clement Peerens niet bezichtigen, staat eenzaam aan de top qua vergelijkingen. Daar moet je je dus wel aan wagen. Die gelegenheid deed zich vorig weekend voor. Gratis en voor niks. Mijn gulheid is breed, we nodigden in diezelfde fijne eigenschap Laleña en Karel mee uit. Die hebben namelijk een gps. Wisten wij veel welk weiland op Linkeroever voor dat festival gebruikt zou worden. Het stikt daar van de weien. Hondenkakweien voornamelijk. Als de elektriciteitsvoorziening naar de gps niet geweigerd had, dan zouden we de juiste grasveld zeker en vast meteen gevonden hebben. Dat staat onomstotelijk vast. Maar drie keer de weg vragen heeft natuurlijk ook wel zijn charmes. Vooral als ze Kazachs praten.
   
De Clement had speciaal op ons gewacht. Laleña is een dulle griet die geen genoegen neemt met een mindere gluurplek. Recht voor het podium onder een zeildak, daar eindigde onze wurmtactiek. Even vreesde ik tevens voor het einde van zapmoose toen het ouwe wijven begon te regenen. Alle andere opgedaagden vonden ook dat ze recht hadden op een droge staanplaats. Hun handelingen weekten de volgende gedachten bij me los : 
“Als ik nu mijn voeten van de grond optrek, wedden dat ik blijf hangen?”
“Meiske, als die paardenstaart van jou nog één keer mijn neusgaten teistert, bijt ik er een stuk uit!”
“Mag ik u een betere kwaliteit van deodorant aanbevelen? Deze heeft duidelijk geen 24 uren werking.”
Nadat Laleña de harige worst rigide terug naar achteren had verwezen, nam een gigant prompt haar plaats in. Zo’n kolos die de maatstaf der erotische eettafels moeiteloos zou halen. Ware het niet dat met zo’n geelblauw geblokt houthakkershemd de preselecties niet eens tot de mogelijkheden behoren. Mijn oogjes konden nog net boven zijn schouder het sensationele podiumgebeuren ontwaren. Moose smaakte hetzelfde genoegen achter de reus zijn andere schouder. Laleña stond gevaarlijker opgesteld. Goliath durfde in zijn geestdrift zijn elleboog rakelings langs haar neusbrug scheren.
  
  
   
Voor deze oudere jongeren zijn zulke onveilige streken zeer aangrijpend, maar de rifjes, de bindteksten van een geniale Clement en de massakaraoke waarop het uitdraaide, liet iedere persing van de menigte achter zich als was het een akkefiet. Whole lotta Rosie van AC/DC op de MANDOLINE( !) pik ik er uit als hoogtepunt van de avond. Tesamen met het heelhuids weggeraken van het terrein.
   
Al kon dat café naderhand in Antwerpen centrum ook tellen als indrukwekkend…
   
   (foto’s van Leen) 
  
… zitcomfort.
   
Ach, als je bijna veertig bent en Dave de Peuter, Aertbeliën Silvain en Clement Peerens net achter de kiezen hebt, kan je alles aan.
Zelfs pummelige meubelseks.
  

De gustibus et coloribus…

  
   Over smaak valt niet te twisten.
Als ik zeg dat het op niks trekt, dan is dat zo, punt.
Als u vervolgens vindt dat ik een dikke nek erop heb bengelen, hebt u op uw beurt natuurlijk ook weer gelijk.
Iedereen tevreden.
   
Herinnert u zich nog dat logo van het laatste stokje, de blogaward 2008? Stomme vraag, uiteraard weet u dat nog, u heeft hem immers ook allemaal toegespeeld gekregen.
Die ene keer dat ik niet heb uitgesproken dat dat een mottig ontwerp was, deden velen dat in mijn plaats. Ik hield die banner gewoon weg van mijn webstek, ook opgelost.
Maar dat was buiten Pieter Van Herrewhegen gerekend. Een mens die met al zijn ledematen in het grafische vak staat. Zijn beroepseer verplichtte hem van een nieuw tekeninkje te maken… in ’t geel (Met vlammen!). Bweurk!
   
Het blad voor mijn mond was weer eens spoorloos, er verscheen iets ongezoutens in de plaats. U kent dat vast wel… sneller een reactie typen dan de neuronen hun synapsverbindingsprocessen kunnen voltrekken. In spreektaal heet dat tong willen afbijten.
Ik stelde mij de meneer al voor driftig in de weer met het creëren van een nieuwe uitdaging (in navolging van het knappe vrijgezellenavond t-shirt) : vlaggen, turnzakken, mutsen met ponpons, sokken en slabbetjes met in het centrum een zapnimf die deskundig onthoofd werd. Met ‘ZapZwijgt!’ of ‘ZapZeverloos’ eronder.
   
Maar niks van dit alles. Pieter is warempel een sportieve computerkunstenaar. Het type dat je de mond doet snoeren met werk op maat. Mijn maat. 
Omdat u naar alle waarschijnlijkheid te lui bent om postuum zijn creatie te gaan keuren in mijn archief, maak ik het u gemakkelijk. Zie zie!
 
     
   
Maar Pieter jonkske, had je de tekst ook niet een beetje kunnen aanpassen?
Suggesties : 
– Wauwiewauw in de kosmos
– Toppieblogs 2008
– Moet ge gelezen hebben, jom!
– Als je niet op de dt-fouten let, valt ‘m wel mee.
– Ik ben tot op het einde geraakt, ook al veel.
– Bijna zo goe als zap.
   
Of nee, bij nader inzien, schrap die laatste maar.
    
 

Gekraakte Holl

  
   Hill : “Als ik flauwval, dan heet ik Holl McKraak, begrepen? Moet je daar trouwens je paspoort laten zien? Onthou het, ’t is Holl… ‘O Holl, wat doe je nu? Giechel giechel. Zooo erg is dat nu toch ook weer niet dat je daar van moet wegdraaien?’ Ik hoor je het al tegen je vriendinnen vertellen. Dàt is de ware reden waarom ik mee moet, zodat jij weer sappig aan het vertellen kan slaan bij de vrienden over die slapjanus.
Zaal? Is dat in een zaal? Dat zeg je nu pas? Ik wil in een kotje apart. Keer die auto! Ik voel het hè, dit komt niet goed! En jij bent dan verantwoordelijk. Hoe dacht je me terug naar huis te dragen? Heb je daar al eens over nagedacht?
Let op voor die fietser! Zie… dit is een teken, een voorteken, een slecht bovendien, maar we kunnen nog terug, nee?
Watte scriptie? Gemene vrouw. Het staat letterlijk in mijn voorwoord : Dit is tevens een therapeutisch schrijven. En meteen op de volgende bladzijde lees je dat die doelstelling is mislukt. Ik heb zelfs stukken door iemand anders moeten laten overtypen omdat ik er misselijk van werd.
Niet vergeten… Holl!
En ik wil ook niet je laatste blogstuk worden hiermee!” (nvdr : wat een pech zeg)
   
Zijn fulmineren vond zijn oorsprong in mijn populariteit. Niet alleen vriendinnen, vroedvrouwen, huisvrouwen, mijn ouders, televerkopers, de bank en verdwaalde buitenlanders vinden mij de moeite om een praatje langs de telefoonkabel mee te slaan, de laatste week hing ook het Rode Kruis meermaals aan de lijn. Of ze mij toekomstig in hun annalen mochten noteren als zijnde een very important bloody gift. Moose ketste op mijn uitnodiging – vriendjes meebrengen mocht – een hele week als een triangel op speed van ja, nee, misschien.
Pro : “Dan kunnen ze eindelijk eens ontdekken dat ik Cee-Vee-eS heb. (monkellachje) Gedaan met mij hypochonder te noemen. En mij dood te poepen.”
Contra : “Stel dat ze mijn bloed gebruiken om een massamoordenaar te redden die bij een vluchtpoging tegen een betonnen pijler van een convoi exceptionnel aanrijdt.
Ik heb misschien dat vermoeidheidssyndroom en wat dan? Is dat besmettelijk?
Die verpleegsters worden ongetwijfeld verliefd op mij en dan ben je me kwijt natuurlijk.
Enne, ik kan er niet zo fantastisch goed tegen, tegen het idee van veneuze stromen in mijn gezichtsveld.”
   
Vertwijfeling tot de minuut voor vertrek kortom. Voor hij het bijltje erbij neer wilde leggen, schoof hij het gauwgauw mij toe om de knoop ermee door te hakken.
“Dat was het verkeerde antwoord! Peut! Peut!” riep hij nog, maar te laat, de wagen rolde en het kinderslot stond op aan voor zijn eigen veiligheid. “Springen doe je later maar, eerst doneren vooraleer je jezelf wil deurwerpen. Er is een tekort aan jouw bloedgroep in vakantietijden.”
   
Hill : “Onee! Dit is groots opgezet spel. Kijk, d’r staan twee van die ambulances, niet één maar twee! ‘Bloedgevendoetleven’ Hoempf. ‘Mijnbloedaangeboden, zalmijdoden’ ja. Ik ruik het al, het ruikt hier naar… naar… onpasselijkmakende dinges.
   
Maar ach, het is hem gelukt.
Zo bleek als een vaatdoek geweekt in javel, teruggestuurd door de verpleegkundigen voor een tweede beraad bij alle drie de dokters, (Sla deze maal anders over. Ah? Het is uw eerste keer? Mja, probeer dan maar wel, of je komt nooit meer terug.) (Twee tegen één) vooraf reeds gesoigneerd met enige eenheden cola door diezelfde Florence Nightingales en ik, reeds afgelaten, die naast zijn ligstoel een beetje danste, moppen vertelde en risicoloze gespreksonderwerpen uitzocht die het bewustzijn verboden van zich te verliezen.
   
Als nazorg heb ik de verdere avond alle varianten van ‘Heel flink, jongen’ uitgesproken.
En eens gaan googlen op hematofobie.
   
_______________________________________________
 
PS : Mijn mail naar hem vanmorgen : Hoe luidde die titel van je thesis alweer precies?
   
Zijn mail terug :
Tussen vrije gift en vrije markt : Een onderzoek naar de bloedinzameling in België.
Door Holl McKraak.
   
Nog wat.
Ik heb ZjanPool gezien op de trein.
Wel, hij heeft een zuster wiens nonkel ook bloed ging geven en die is daarna in de wachtrij voor de koffie weggedraaid. Pats op zijn achterhoofd. Complexe schedelbreuk. Maanden herstel nodig gehad en jaren koppijn.
Ziedetwel dat dat allemaal niet zonder risico is!
   
Uw zapnimf bedacht na het lezen van deze info :
De nonkel van je zus, is dat ook niet jouw nonkel?
En ook : Holl Mckraak mag in het vervolg rustig thuis blijven, cvs of niet.
’t Is geen avance met die gast.
   

Kut ende fuck

  
   Vandaag Donder-Dag
   
Woest en wild
Hard en hevig
Hel en fel.
Achter glas
zapnimfs genot
bij dit fenomenaal schouwspel.
   
Ruw en reuze
kracht en kras
fiks en fors.
Achter hetzelfde glas
een zapnimf,
buitengewoon nors.
      
Effenaf.
Flarden kut ende fuck.*
Op zapnimfs toot,
een kwak ongeluk.
   
Gallisch en grimmig
Kwaad en koleirig
Rabiaat en razend.
Hoe zou je zelf zijn?
Met weergoden, zelden gekend.
En je je gsm op de tuintafel vergeten bent?
   
_________________________________________________________________________
   
*
“Flarden kut en de fuck?”
Uit mijne mond?
Hoe ongezond!
’t Is zo goed alsof ik het heb gehad.
Straks koop ik nog een blinde BT-hond.
    
Weer één namiddag in haar gezelschap.
En zie boven, hoe straf!
Met dat mens moet ik dringend breken.
Effenaf.
Want ik begin al helemaal gelak heur te spreken.
Zapnimf, maske, BLEFTERAF! 
  

Muilkorf de mening!

  
   Over auto’s heb ik geen mening.
   
Misschien een voorzichtige over Jeeps en consoorten. Hoe overtollig ik die vind, tenzij je dagelijks dertig km moet afleggen op een bergwegeltje, daarna vijf modderweiden moet doorploeteren en je hem op gebruikte frituurolie kan doen rijden. En er vooral niet mee botst.
   
Weergaloos oninteressant, palaveren over vierwielers.
   
É é é, buurman? Lopen pochen in hoeveel seconden (5!) uw bolide tot de snelheid van honderd kilometer per uur optrekt. Om de week daarna uw rijbewijs drie maanden op de balie bij de polies achter te laten. Lap, uw ego kwijt. Wat nu? 
   
Wat valt er in godsnaam nu over een drijfriem, de prijs van de naft en een aantal kleppen te vertellen?
   
Kom eens terug als de wagen op waterstof algemeen wordt en tevens betaalbaar.
   
Lachen met Top Gear, sja, een kleine zonde van me, maar dat heeft geen reet met die schroothopen an sich te maken. 
   
Enfin, ze laten me koud. 
   
Tot vorige week.
Vorige week tijdens een minder dagje waarschijnlijk.
Vorige week tijdens een minder dagje en ik achter een rijtuig hing op de snelweg.
Als protagonist van de subjectiviteit, glipte er als vanzelf toch een mening uit uw zapnimf :
“Wat een affreus gedrocht is me dat hier voor mij! En dan die kleur, zo’n soort beige wordt niet meer gemengd sinds de jaren zeventig. Daar waar het in combinatie met grasgroen en pekesoranje en gegoten in monsterlijke bloemvormen op behangpapier een hele generatie heeft doen afzien. En dat komt zomaar terug in het volgende millenium mijn ogen bezoedelen? Er is iets mis met die achterkant ook, jom. Ik kan er niet meteen mijn vinger opleggen, maar aaargh, mottig mottig mottig.”
   
Moose zwijgt en zweemt naar het soort glimlach waar ik de sissen van krijg : Ik weet iets dat jij niet weet, dat gedoe.
   
In al mijn gefoeter nader ik de tist voor mij tot op leesafstand.
Nu zag ik het ook : het was dezelfde wagen als de mijne… 
   
Achteraf heb ik mij gewaagd aan een minitieuze bestudering van de achterkant van mijn wagen.
Dat doet toch veel hoor, dat bordeaux!
Véél schoner!
VEEEEEEL SCHONER!
  

Het gat in onze vloer gedicht door het gat in ons hand

  
   Wij hebben in de slaapkamer tapis plein. Wist u dat al?
Totaal out, ik ben mij daar terdege van bewust. En als ik dat even vergeten was, dan deed mijn wijde omgeving wel inspanningen om mij eraan te herinneren dat ik die enige homo sapiens ben die die vorige-eeuwse gewoonte nog niet heeft buitengezwierd.
   
Sja, hoe gaat dat? Vers uit de huwelijksceremonie betrek je je huis dat ei zo na de term ‘ruwbouw’ achter zich laat. Deuren, gordijnen, vloeren, een keuken, houten plafonds op de eerste verdieping zijn luxeartikelen die je uitstelt tot ooit. Ouwe tantes smijten hun versleten salon en kapotte tuinmeubelen in je richting om je tussentijds zitcomfort te kunnen bieden en van de buurvrouw krijg je een tiendehandse mat die zijzelf als gekregen paard wel in de bek had gekeken en zo snel mogelijk wilde doorsluizen. Intussen investeer je in een kwaliteitsvol paar sleffers om de zool van je voet niet kwijt te geraken op het ruwe oppervlak van de chape.
   
Maar niet zo in onze slaapkamer. Daar eiste mijn snobistische kantje iets warms aan mijn poezelige voetjes als ik des morgens koket in mijn jonge oogverblindende gedaante de afstand naar de badkamer betrippelde.
De parvenu in mij werd in de winkel ter plaatse ingeslikt door de lege geldbeugel. De armoeizaaier koos voor het goedkoopste soort vasttapijt, twee millimeter dun en in iets neutraal grijs. Let wel : voor voorlopig! Zo voorlopig als vage splitsingsbeloften van goed bestuur in regeringsverklaringen. 
Het nadeel aan voorlopigheden is, dat er in het kader van de oneindigheid geen wiskundige limiet vastgesteld wordt die een halt toeroept aan het harig liggen wezen op bodems in slaapkamers van werkschuw tuig. Vereenvoudigd : zeventien jaar later hompel ik nog steeds over datzelfde stuk synthetische vod naar de badkamer. Vervang het tentatieve ‘koket en oogverblindend’ door ‘gebocheld en struikelend over mijn rimpels’.
   
En dan moet ik nu bekennen dat ik de waarheid oneer heb aangedaan in het bovenstaande deel. De eerste zin klopte al niet. Wij hadden tapis plein in onze kamer. Heden kijken wij uit op gaten, met daarrond nog wat overschotten van wat ooit een steraanbieding was bij Tonton Tapis.
   
   
   
Mijn vorige blogstukje was enkel bedoeld om voor die gebrekkige constellatie van het vloerkleed met een beschuldigende trefzekere vinger naar mijn ex-schoonmoeder te wijzen. Het was immers zij die meerdere keren als een assepoester mijn bloedsporen kwam wissen met de meest harde borstel die ze in huis kon vinden. Doppen met een sopje, dat was te nieuwerwets voor haar, schrobben zou ze en schrobben deed ze… tot ze de mousse van dat onding blootlegde.
(Voor de spiegel van de kleerkast zit er ook nog zo’n megagat. Puh… waarschijnlijk heeft ze van mijn afwezigheden geprofiteerd om ook nog eens mijn garderobe uitvoerig te passen.)
Nuja, heel misschien is een klein percentage van deze toestand ook wel terug te brengen op slijt door gebruik, heel misschien.
   
Het rare van zo’n zaakjes is, dat je op de duur niet eens meer ziet dat je vreemdsoortige grondbedekking een klein beetje verschilt van die in andere huizen. Zoals ik ook steeds vergeet dat er nog niet overal plinten hangen of dat de traphal waar twee jaar geleden de isolatie achter gyproc verstopt werd, nog geen laag verf gekregen heeft. Selectieve geheugenuitschakeling kan je bestaan danig vergemakkelijken, jaja.
   
Maar bij het opknappen van de kinderkamermuren enkele weken geleden, bekeek ik hun vasttapijt eens grondig en plots stonden een denkbeeldige Sien en Maria, die twee meedogenlozen van vtm weetuwel, in mijn oor ‘vies voil en vettig‘ te razen en ik kon ze geen ongelijk geven. Tjonge, kinderen, wat een vuiligheid om in huis te halen, eikebah! Dat schrijft met alcoholstift op muren en vloeren, dat smeert plasticine waar het het kwijtwil, in hun jeugdigere jaren vonden ze volle-pamper-gooien een toffe hobby en dat creëert modderbadjes op een bouclé. En dan te weten dat, als ik wat slimmer was geweest, die extra ruimten had kunnen verhuren aan eenzame poetshulpen, maar neen, ik kon weer niet weerstaan aan de drang om me voort te planten.
   
Omdat gedane zaken nu eenmaal geen keer nemen, besloten wij van in één keer iets te nemen dat de zaken op de boven zou gedaan maken : nieuwe vloerbedekking.
Moose stelde zijn veto. Geen tapijt meer, daar is hij allergisch voor. (Niet stofzuigen helpt echt!) Ik opteerde voor iets dat makkelijk zelf te leggen is.
   
Over kurk vertelde het internet ons de volgende weetjes : tussen de acht en de vijfentwintig euro per vierkante meter, lijmen, vier lagen vernis en hopsakee klaar!
De werkelijkheid luidde : niks onder de vijftig euro per vierkante meter, reken daarbij nog twintig euro voor de lijm en de vernis, hopsakee arm! 
De verkoopsmeneer, liet ons uiteindelijk nog kennismaken met een reeks einde loten, sterk afgeprijsd, waar er eentje onze goesting kon wegdragen. Nog beter zelfs : het ging hier over een zwevend kliksysteem, afgewerkt, waar geen lijm of vernis meer bij te pas komt. 
   
Onze samengeraapte pree van deze maand is er in één trek helemaal aan, maar ach, wat een kleine prijs om het marginaalschap voor eens en altijd op te bergen.
   
Het gat in onze vloer/beschaving gedicht door het gat in ons hand.  
   

En niemand die zegt : Blijf bij je onderwerp

  
   Je ligt in bed. Hoogzwanger.
Hoppiefloppie voel je plots een warme vloed ontsnappen uit het plekje waar je benen ergens beginnen. “Ooh, mijn water breekt!” kraam je uit. Niemand die je corrigeert en zegt dat water onbreekbaar is, maar wel iemand die het dekbed achterover slaat en waarbij je de blik van opgewonden spanning ziet omslaan naar ‘Jee, horror!’. Als hij zijn stem teruggevonden heeft, licht hij je in dat je buiten alle verwachting in een plas bloed ligt te dabben. Ho maar, daarover repte het foldertje van de materniteit ‘Wanneer te vertrekken naar het ziekenhuis?’ met geen woord. Miscommunicatie ten top! Verwarring in de lichaamsleer!
Ondertussen sta je reeds naast je bed leeg te bloeden, op hetzelfde stukje tapis plein waar je maanden eerder je maaginhoud had gedeponeerd, omwille van dezelfde reden ; de dracht van vrucht nummer twee. 
   
Wel, ’t is dat tapijt waar ik het over wilde hebben. 
Met mijn gebroed is alles nog in orde gekomen. Behalve misschien dat hij twaalf jaar later graag op podia de harige pipo wil uithangen, maar ik maak mij sterk dat die afwijking in een later stadium dan de baarmoeder is ontstaan. 
“Ach mevrouw,” oreerde de assistent van wacht, “zo’n paniek om niets.” Terwijl hij drie (doordrenkte!) badlakens uit mijn broek viste, de harttonen een geruststellend luid niveau liet klinken en een echo nam om te tonen waar het bloedvat was gesprongen : daar waar de placenta net iets te dicht bij de baarmoedermond was gekropen. (En weer niemand die zei : “Moederkoeken kruipen niet.”)
De mens zonder empathie (“Ik wil NU bevallen, dit wil ik NIET meer meemaken!”) stuurde me zonder pardon terug naar huis.
   
Wat dacht u nu? Natuurlijk maakte ik het nog eens mee. Enkele dagen nadien, net hetzelfde scenario. Weer mijn mat rood besmeurd.
Deze keer klampte ik mij aan de eerste de beste vroedvrouw vast tot ze me een arbeidskamer toewees.
Zoonzap bleek blauw ter wereld willen komen. Een scheurtje in de navelstreng. De namiddag brachten we terug door in een arbeidskamer, de gewone kamers en bedjes waren nog eventjes ontoereikend in aantal. Het joch werd doorgegeven aan familieleden en zoals het een goeie opvoeding betaamd, begon zijn leven met uitgelachen te worden. Onze smurf, hihihi. Dat lachen verging snel toen ettelijke uren later pas, een medisch opgeleid personeelslid hem alsnog uit mijn armen kwam plukken wegens té blauw. Zoons vier kilo mochten twee dagen gaan verpozen : een reus in een couveuse, met naast hem uitzicht op prematuren in ‘slechts’ een verwarmd bedje. Behoorlijk confronterend, en niet in de laatste plaats voor de ouders van baby links en rechts, die meteen een visuele voorstelling kregen van de weg die hun kind nog te gaan had.
   
Maar zoals ik al vroeger aanhaalde, hem wacht nog een schitterende toekomst, als alles verloopt volgens plan. Frontman van Metallica ofzo. 
Dat kan niet gezegd worden over dat karpet waar ik al een heel blogstuk over wil schrijven. Dat vloerkleed waarover ik naast flessen cola, muggenlijkjes, weggeschoten neuskeutels, braaksel ook ongelukkiglijk mijn rood vocht uitstortte.
   
Oja… de verpleegster nog toen ik bijna flauwviel bij het rechtstaan : “We denken erover om u wat bloed bij te geven, u hebt er blijkbaar veel verloren.” Nounou, wat een verrassing toch! Lees het dossier… ik ben al leeggelopen nog voor er één perswee aan te pas kwam! 
Op. Mijn. Mat!
   
Maar daar dus morgen meer over, beschouw dit dan maar als een inleidend bevallingsverhaaltje.
  

Mohow! Santé!

  
   Hm. Ik heb gisteren nog wat verzwegen.
Niet alleen kwamen al die ongepaste beroepen samen in onze tuin, de beoefenaars ervan zijn – hou u vast – ook nog allen West-Vlamingen. Ja? Ja? Daagt het? Uiteraard kunt u zich mijn paniek levendig voorstellen. West-Vlamingen! Ik versta dat soort niet. Oren spitsen, liplezen, concentratie hoger draaien, niks helpt daartegen. Weg met Gerrit Callewaert uit Bavikhove! Tekstballonnen boven koppen willen wij (Antwerpenaren) als we per ongeluk in een converstatie met die vreemdelingen verzeilen. En als het niet per abuis is, omdat je ze zelf uitgenodigd hebt, zou er een gratis tolk met hen moeten meereizen. Maar ik ben ondertussen al groot genoeg om te beseffen dat mijn wenken nooit uit zichzelf bediend worden, vandaar dat ik zelf een oplossing brouwde. Eigenmaak! ’t Ziet blauw, ’t kapt naar binnen als limonade en het lost iedere spraakverwarring op. Eén glas en je kan al volgen waarover het gaat. Twee glazen en je bent helemaal mee. Drie glazen en je actief gesproken Westvlaams groeit zienderogen. Vier glazen en je krijgt een nooit geziene universele verbroedering. Wij leenden onze zwemkledij uit en zij (het mannelijke gedeelte toch) bakten ons vlees. Een uitstekende deal, al kwamen onze kalkoenlapjes redelijk zwartgeblakerd terug van het rooster. De kok in de voedselinspecteur was nog niet helemaal ontwikkeld tot zijn eindpunt. De voedselinspecteur in de voedselinspecteur was ook ietsiepietsie afwezig. Ik heb het wel gezien dat die worst eerst de grond heeft geraakt vooraleer hij op een bord terecht kwam! De zaps niet… die lieten het hen smaken.
   
De mens die alles van verf en zijn techniek weet, is toch doorgedrongen tot de verboden gebieden. Doordat de leute er zodanig ingebakken zat (onder de aangebrande korst ongetwijfeld) werd het samenzijn in die mate uitgestrekt dat hij zijn kinderen te slapen legde in de zapjeskamers. Over kleur en ambacht zweeg hij bij zijn terugkeer in alle talen. Of dat nu positief of negatief is, het maakte geen moer uit, gezien zelfs zwijgen in alle talen zeer verstaanbaar uitgewisseld kon worden.
   
Wij vrouwen brachten alles wat het kerelbestand in de tuin verklootte terug tot punt één : hun manzijn. Waarmee alles giechelend verklaard werd. Zo ook het incident met voedselinspecteur, zwembad en beteuterde kindergezichten, maar daar zal betrokkene nummer drie u later nog over berichten.
   
Net na de nachtelijke zwempartij van de kinderen, kregen we regen. 
Een ander iets dat ik leerde over West-Vlamingen : je krijgt ze met geen stokken terug naar huis. De parasol werd erbij gesleurd en lekker dicht bij elkaar eronder ging het feestje gewoon verder… 
   
Enfin, stress voor niks.
Zou ik die gisteren gekochte koelbox nog terug kunnen brengen naar de winkel?