Uw geluk dat ons fototoestel kapot is!

  
   Sinds kort wolkte er een prikkelend penetrant geurtje rechtstreeks uw zapnimf in. Een ware olfactorische nachtmerrie die de sensoren mijner reukorgaan deden klapperen alsof ze zichzelf terwille van zelfbehoud buiten westen wilden slaan.
Dit alles speelde zich telkens af in de keuken. Nog het liefst bij handelingen waarbij ik het hoekkastje opentrok waar de verzameling Tupperware en plastieken aanverwanten veilig opgeborgen lagen. Een vluchtige inspectie van de bodem naar verloren gelopen eetwaar leverde niks op. Als surrogaatoplossing werd het raam opengezet. Dag en nacht. Het wekte nauwelijks de illusie dat ademen tussendoor nog haalbaar was.
Pas toen ik ei zo na bewusteloos geraakte bij het nemen van wat kookgerei uit die bewuste kast en in mijn val tientallen potjes meesleurde, zag ik naast mij op de grond de omgekeerde charcuteriedoos met deksel liggen.
   
Had ik u al verteld over de vermiste overschot rosbief van de brunch twee zaterdagen geleden? Nee? Wel, ik heb hem teruggevonden. Half gesmolten in eigen nat, verworden tot een onnoembare kleur en ondertussen de huisvesting voor een koppel maden van twee centimeter groot die mij verwijtend aankeken : Zoek uw eigen stek, verdomde verstoorder, deze is al verhuurd!
 
Als straf voor deze respectloze boodschap heb ik ze ondergekotst.
  
 

Fris, monter en hupseflups 2008 – 2009 tegemoet

  
   De vakantie kreeg abrupt een einde. 
Gisteren. Met een ‘keitoffe’ karweidag.
Uw zapnimf haast en spoedt zich dan altijd naar het rommelkot om de grasmaaier vanonder het puin te zoeken wegens besmettelijke buren en het idee dat elektrisch duwen over iets dat van heel ver naar gras ruikt nog het minste kwaad is van al die verderfelijke klussen (dakgoot leegmaken, speelplaats borstelen, kapotte lampen vervangen op een plafond van drie meter hoog, het zand in de zandbak zeven…). Helaas waren de collega’s die in die buurt meestal het onkruid uittrekken op pensioen, druk bezig de verlengkabel door te snijden met behulp van de hagenschaar in het hofke vooraan of gewoonweg elders. In alle eenzaamheid nam ik die stinkende gauwe tussen de klimop dus ook maar voor eigen rekening. Vijftig meter in buigstand onkruid uittrekken, een mens zou voor minder een grote doos antidepressiva doorzwelgen. Terwijl ik daar wat beteuterd naar mijn gele handen stond te loeren en het in één ruk betreurde dat ik geen wratten heb aldaar, hoorde ik mijn beroepsgenoten in de voorbijgang tegen elkaar kwinkeleren :
“Oooh, wat heb ik er terug zin in!”
“Ja, ik sta ook te popelen om terug te beginnen!”
“Na twee maanden is het altijd leuk om te starten met een verse klas.”
Blablabla.
   
Vandaag stond er een megavergadering op het programma. Mijn rug voelde alsof hij op minstens vijf plaatsen gebroken was en er was iets raars aan de gang met de spieren in mijn billen. Die leken een eigen leven te leiden. Een pijnlijk.
“Oeoemja, wa-ah-ah-t heb ik goesting in een nieuw schooljaar.”, mompelde ik tegen de tachtigjarige versie van mezelf in de spiegel.”
En ik wenste mezelf doornroosje.
  

Tussen twee (v)(geb)uren

  
   – “Guido, hoort hoort!”
  “’t Is vijf voor zeven en die van twee huizen verder zijn al bezig.”
  “Ik gok op een heggenschaar. En die hebben wat hagen, amaai.”
  “Komaan, vent, schiet eens in gang.”
  “Pakt de grastractor, gezien het goed geregend heeft, is de gazon sinds drie dagen alweer gegroeid.”
  “Geef maar eens goed van jetje!”
  “Zal ik daarna wel met de graskantmaaier afkomen, de ouwe, die snerpt lekker.”
   
– “Ochot, ’t is weer van datte, Johan.”
  “Ze zitten daar weer op hun grasracemachien.”
  “Ons elektrische schaar heeft hen weer werklustig gemaakt.”
  “Maar niet met ons hè!”
  “Krijg ik ineens goesting om heel de oprit eens af te spuiten met de hogedrukreiniger sè.”
  “Als je haag en de oprit klaar zijn, zullen we de auto kuisen, ik zoek alvast een tof muziekje voor erbij.” 
  “Zoon, sleur jij al eens de stereo-installatie naar de zijdeur?”
  “Wat denken die eigenlijk wel, die van nummer 25?”
   
– “Breek nou mijn klomp.”
  “Jo Vally! Als ik aan iemand een hekel heb is het wel Jo Vally!”
  “Guido schat, vanachter is er mij nog een beschadigde boom opgevallen, allez, binnen dit en twee jaar zal die toch zo rot als snot zijn.”
  “Zal ik de kettingzaag zoeken tussen het tuinarsenaal?”
  “Ha! Daar zullen ze niet van terug hebben.”
  “Zelf gezocht, sukkels van den 21! Jo Vally, eikes!”
   
– “Vooruit Johan, bind onze Blackie aan die boom vast in ’t zicht.”
  “Hij verdraagt dat niet goed, kettingzaaggehuil.” 
  “Blaffen moet hij, blaffen.”
  “En nodig voor vanavond maar uw collega’s uit, als die wat op hebben, worden die onaangenaam luidruchtig.
  “Wie laatst lacht, best lacht.”
  “Het liefst keihard.”  
   
   
Wie o wie denk je dat er zich vanaf zeven uur ’s morgens nog maar eens dood lag te ergeren op nummer 23?
KLAARWAKKER! 
Juist ja.
Uw zapnimf heeft een hard leven.
  

Met de handen in het haar

  
   ’t Zijn net de getuigen van Jehova.
Ook onuitroeibaar.
Achter die eersten heb ik al met de riek gelopen, hun woordenvloed, over de archislechte wereld waar mijn kinderen in moeten opgroeien, verpletterd tussen de dichtslaande deur en ze proberen te overtroeven met een bloemlezing uit het moppenboekje in het toiletschuifje. Niks hielp, ze bleven met verse regelmaat oppoppen als de bacteriën in de snotneuzen van de kleuters die ik binnen een week weeral mag gaan super-viezen tijdens de middagpauze.
   
De geweldige vondst van mijn babysittende moeder had al evenmin succes om op een adequate manier ervan af te geraken. Zij deed het, de simpele. Een foldertje aannemen. “Hahaha, binnen de vijf minuten buitengewerkt! Gewoon briefke aannemen en uitzwaaien, zo doe je dat.” En haar kin sloeg daarbij een kwartslag naar omhoog om haar superieuriteit kracht bij te zetten. Jammer voor ons ma dat ze hier een vaste dag toezicht hield op mijn netgeborene. Exact één week later kreeg ze hoog bezoek. Ongenodigden die haar interpelleerden over de inzichten die de uitverkorenen haar schriftelijk hadden willen bijbrengenActie en reactie. Hoe ze dat opgelost heeft, kon ze zich later ook niet meer voor de geest halen, maar het zal alvast iets met ‘mond vol tanden’ geweest zijn.
   
Tot op zekere keer een van die brave godsleurders uit schrik voor de kenau die op het punt stond om mijn persoon over te nemen uitriep : “Maar mevrouw, als u dat liever wil, kunnen wij toch uw adres noteren als zijnde niet welkom?”
Het vijftal jaren dat daarop volgde, kenmerkten zich door rust, peis en vree. Toch aan mijn voordeur. Die overwoekerde gestaag, de sleutel verdween in de vergeetput en duizenden ongewervelden maakten er hun toevluchtsoord van. (De rest van de mensheid baant zich immers een weg langs de achterdeur om het zapdom te betreden.)
   
U voelt al nattigheid natuurlijk. Waarom bezit iedere sekte het soort dwarsligger dat hoopt dat bekeringen schering en inslag zijn in mijn woonst? Ja hoor, niet te verdelgen, opeens stonden ze daar weer. “Of ik misschien ondertussen nog niet van gedacht veranderd was?”
   
’t Zijn net de getuigen van Jehova.
En dan heb ik het over de luizen die na enkele jaren afwezigheid weerom de kop van krulzap als vaste stek kozen.
De rie… luizenkam, tevergeefs.
Verpletterd worden tussen mijn nagels is als kietelen.
En van mijn moppen vallen ze ook niet dood.
De schaar dient volgens krulzap enkel en alleen om ogen uit te steken. De mijne, als ik nog maar durf te suggereren.
   
De firma Radikal, verstrekkers van verzengend vergif voor vettige frisuurbeesten, zag zijn omzet deze zomer vervierdubbelen.
Ra ra ra…
Radeloos.
  

Tegen- bijeen- en be-komsten

  
   Geloof me. U wil mij nu liever niet tegenkomen.
Ogen bloeddoorlopen, mijn gisteren zorgvuldig geföhnd haar in een spontaan vlechtwerkraam geknoopt, alsof een of andere artistieke visser zijn netten haaks op de schedel heeft geniet en onder dit kunstwerk een geperste prop, die ik ooit in betere tijden wel eens benoemde als hersens. Spreken is een opgave. Bewegen een martelgang. Typen, mits beheersing van buitensporige emoties, krijg ik nog net voor elkaar.
De maag heeft zich ondertussen gestabiliseerd. Nauwelijks luttele uren geleden kreeg ik nog te maken met iedere scheur in het wegdek die zich via de voortplanting van trillingen liet voelen aan mijn binnenkant. Hup, kaasjes onder, flap, kaasjes boven, klets, zalmlasagne verspreid, bonk, pasta in knot, bubbelbubbel, wijn, koffie, cola light overal, krrrch, rijstkorrels rondom de kip, psssch, alle etenswaren in de lekkere kip… en ik allesbehalve kiplekker. Mijn grauwgehalte stak in die mate af tegen de felrode zonsopgang, dat de voelsprieten van mijn chauffeur geregeld informeerden of zij met mij erbij moesten wijken naar de wegkant om mijn composteerbaar innerlijke afval over de berm uit te schudden. Omdat er in mijn ogen slechts één ding erger is dan halvelings te sterven op een autozetel, zurige braakballen de zwaartekracht laten tarten doorheen een smalle slokdarm met name, droeg ik mijn pijnlijke lot waardig en in stilte, net als je van een echte zapnimf verwacht. Nuja, een enkele luidruchtige oprisping, weeë kreun en testamentair gefoeter nagelaten.
Daarvoor hebben wij dan Tia Hellebaut gemist!
      
Allemaal uw schuld! 
Want gisteren wilde u ons nog wel tegenkomen. U daar, bloggers altegaar, of toch wel twintig stuks uit dat universum. “Ja hoor mooselove en zappiebaby, altijd welkom, als je tenminste wat te vreten meebrengt, onze liefde gaat immers door de maag.” 
Tegen zoveel vleierij zijn zelfs wij niet bestand, dus nauwelijks hersteld van een vijfdaagse uitstap naar een tropisch zwemparadijs, prepareerden wij op dubbele snelheid ons geheim recept van chocolade moes en rijstepap. Wie kan het ons kwalijk nemen dat wij na zoveel energieke arbeid slechts anderhalf uurtje te laat arriveerden. (Dan zwijg ik nog over het oponthoud in de Aldi, alwaar de kassajuf onze blik minutenlang gevangen hield. In een vlaag van onoprecht medelijden scheen ze vooral mij priemend te viseren : ” Doe dat nou niet! Respecteer je lichaam. Die uitpuilende vleesrol wil nu al over je broeksrand ontsnappen. Zestien chocolade mousse’kes en acht blikken dessertrijst… tel uit die calorieën. Je kan ze nog wisselen voor vijf kilo sla!” Gelukkig ben ik sterk in het negeren van misplaatste oogboodschappen.)
Onze achterstand in feesterij had nog een reden. Al jaaaren zeurt die Menck aan onze kop dat wij marginaal zullen blijven zolang wij ons niet de aanschaf van een gps permitteren. Gisteren rook hij zijn kans. Wedden dat hij die arme Chelone heeft aangespoord tot het doorgeven van een routeplan doorspekt met haken en ogen? Net zoals de eerste keer dat we uitgenodigd werden bij die lieve gastvrouw, doolden we verdwaasd door een dozijn Zeeptstraten. Nu vraag ik je, is dit nu een naam waar je kwartieren aan een stuk in verloren wil rijden? “Neen!” schreeuw ik ferm in uw plaats op dit blog. Driemaal neen! Uw ego vaart er niet wel onder. Jezelf vermissen is enkel veroorloofd in straatnamen met aanzien. 
Uiteindelijk bracht de mobiel van de Huisvrouw soelaas. Nadat ze hem eerst misbruikte om ons eens flink uit te lachen – “Worblefdegollena?” – kon ze het uiteindelijk opbrengen om het mondstuk voor Chelone te houden, zodat die ons na wat overbodige lusjes in het stratenplan toch nog kon loodsen alwaar het festijn doorging.
De entree van de twee pioenhoofdjes volgde.
Terwijl we relaxed Tia Hellebaut vanuit onze zetel hadden kunnen aansporen.
   
Het mag vermeld worden : de mededisgenoten waren van het aangenamere soort. Hun kookresultaten evenzeer. Tig onderwerpen, van bodemloosheid tot bloemenweiden, IQ over cinema, vlogen over tafel. Alsook nepautisten die bij Micheleeuw horen en het fototoestel van Fotomart, die daar, tussen ons gezegd en gezwegen, zo overroepen enthousiast over deed. Poeh, ze demonstreerde haar gelijk met een foto vanuit kikkerperspectief van mijn achterwerkJE. Ik brul u, rijp voor de schroothoop, die kodak, dat geleek voor geen raap op mijn achterwaartse trotse tempel. Haar scherm liet iets zien dat het best te omschrijven viel als euh… smeuiige blubblubblub. Nogmaals, waardeloos brolspul! Koop u een keer kwaliteit, meid! Daniël aanzag de Huisvrouw abusievelijk aan voor moose. Of haar voor mij, daar zijn we tot op heden nog niet uit. Ncumisa moest bekennen dat de Monchichi in moose ondertussen verdwenen was. Madame vertelde hoe ze Meneer tot de hare heeft moeten dwingen met brood en kaas. Huisvrouw spuwde en smoste in de rondte, tot onze opluchting vooral op zichzelf. Chelone wist weeral wie wat achter kiezen en in keelgaten gestoken en gegoten had, voor de rest soigneerde ze het gezelschap perfect. Stef Flater ontpopte zich als een voorbeeldige afwasser. Zeezicht liet weten dat onze eetbare bijdragen niet aan haar besteed waren, waarop ik mijn kijkstraal naar haar gericht tot een vogelpikpijl probeerde te transformeren. Zabrila liet ons allemaal zwijmelen met haar knappe dochter. Maar echt een schoon kind. En ha! Zabrila deed haar reputatie weer eer aan, door nóg later te verschijnen dan wij. De nicht van Madame en vriend bleken creatieve duizendpoten. Agnes, die meteen de bijnaam ‘de efficiënte’ meekreeg, had Patrick geleerd hoe hij het moest vermijden de wc-bril te bevuilen (hij dook op geregelde tijdstippen dieper de hof in), Leen en Huisvrouw sloten zichzelf op in het kleinste kamertje ; ze sprongen iets te omstuimig om met de deurklink. Karel bleef zijn psychologische zelve in iedere conversatie. Margo, Hilde en Joke vielen op doordat ze net niet opvielen, toch niet qua lawaai. Wat niet van Enzo en Heidi kon gezegd worden, maar dat lag dan weer aan hun gehaktballen, hun Limburgs en haar kirrend lachje. Micheleeuws bloot gat deed stof opwaaien, maar hier weet ik het fijne niet helemaal van en Menck bleef zoals altijd evenwichtig en tot de laatste. Dat weten wij wel zeker, gezien Huisvrouw en wij als voorlaatsten vertrokken.
(Tia Hellebaut was eventjes vergeten.)
   
Half zeven ’s morgens. ’t Was toen dat ik mezelf tegenkwam. En het gen dat aantoont dat je na je vijfendertigste niet meer geschikt bent om een nachtje door te trekken.
   
De rot-vrt gaf geeneens herhalingsbeelden van een winnende Tia Hellebaut bij thuiskomst. Oh hemel, wat wilde ik met aandrang bij mezelf vandaan. Ver ver weg. Waar darmen en magen geen rol spelen…
  

Toedeloe

  
   Mag ik u een kleine pauze aanbieden?
Ik gun het u en ik gun het mij.
Tijd om wat drukte uit het hoofd te wieden.
Een poosje volledig lettervrij.
   
O maar, juich nog niet te luid
Laat zakken, die triomfantelijke toon
Al ben ik er even tussenuit
Ik zie u op ’t feestje bij Chelone.
  

Eerst onverantwoord melig, daarna onverantwoord triest

  
   Ik huilde.
Jankende uithalen, tegen het hysterische aan. Greep haar handen, streelde ze.
“Wij zitten hier toch?” fluisterde moose.
“Wij zien je zo graag, wat je zegt is niet waar.” traande ik in onduidelijke keelgeluiden.
Moose en ik keken als één naar haar man. Die zweeg. Zijn gezicht stond ongemeen hard. Gespeend van iedere uitdrukking.
   
Ze had de moed gevonden om het uit te spreken : “Ik heb het gevoel dat ik voor niemand nog iets kan betekenen.”
   
Slapen deed ze nog amper, huilen des te meer, haar lichaam gaf het op, ze zag eruit alsof ze ieder moment door haar benen kon zakken.
Daags voordien hielden we koffieklets bij haar, de vriendinnen en ik. Nadat we een sms gekregen hadden die verontrust klonk. Toen de bananentaart achter onze kiezen verdwenen was (zij at een vierde op van haar stukje want eten lukte ook niet meer zo goed), dwongen we haar een afspraak met haar dokter te maken. Alle vingers wezen naar mij om haar daarbij te begeleiden. “Zap, jij kan het goed uitleggen, we kennen haar, zij gaat gewoon over haar schildklier beginnen.” 
   
Haar man had het druk, shiftwerk en andere verplichtingen. Zij had het druk, shiftwerk, zwaar werk, weekendwerk, ver van huis. Nog twee weken te gaan tot het einde van haar proefperiode en één hoge pief die dacht dat hij in dat zwakke lijf van haar nog een mes moest keuteren aan de achterkant. Dat gaf de doorslag. Alle ellende van overal (die opschrijven zou mij te ver brengen) verpletterde haar laatste weerstand als een aaneengekoekt massief brok uitzichtloosheid.
   
“Je weet toch wel waar die slavendrijver zijn job van mij zou mogen steken?” , brulden we in koor.
“Je vindt geen tijd meer voor de kinderen, je ziet je man niet meer, je sociaal leven is verpieterd tot nul, wanneer was de laatste keer dat je nog eens een penseel hebt vastgepakt? Jij die altijd zo creatief was. Die natuurgidsencursus die je begon, heb je niet kunnen afmaken. Je bent over alle grenzen van je jezelf heengegaan.”
“Ben je gelukkig? Wat wil je eigenlijk zelf?” vroeg iemand. 
Zij antwoordde dat ze het gelukkigst was toen ze een jaar geleden drie maanden rust voorgeschreven kreeg. Maar dat dat niet kon want haar directe omgeving hamerde erop dat werk hebben zo belangrijk is in de maatschappij. 
   
Op het eind van de namiddag bleef ik nog met haar over. Ze vertrouwde me toe dat ze er regelmatig naar verlangde om dood neer te vallen.
Haar man kwam thuis en ik resumeerde in een paar woorden het verloop van ons gesprek. Het laatste wat ik gehoord had liet ik achterwege. Hij keek zonder emotie door me heen en ik vertrok. Mijn hoop ging uit naar de dokter morgen.
   
Het was haar man die me belde. Hij zou wel met haar naar de dokter gaan. Ze sliep slecht, hij zag ook wel dat het niet goed ging met haar, maar wij, kortzichtige vriendinnen, zo sprak hij, fixeerden ons slechts op één ding : haar werk. Wij moesten eens leren van naar zijn vrouw te luisteren. “Ze wil werken, ze vindt haar werk leuk. Ze moet gewoon bijslapen, dan komt alles in orde. Kan ze overmorgen terug monter haar volgende serie lates starten.”
Het telefoongesprek ontaardde in een resem harde woorden, zowel letterlijk als figuurlijk. Hij begon.
   
De verdere dag wist ik met mezelf geen blijf, telefoneren naar de vriendinnen, emotioneel op het randje balanceren en een innerlijk dat sputterde, brieste en botste. 
Moose kwam thuis en luisterde. Moose pakte me vast. Moose nam de koe bij de horens. 
   
We werkten ons bij haar en hem binnen met een smoes. Ik wilde mijn excuses aanbieden voor daarstraks. Maar er was toch nog één ding… wist hij wel hoe erg het was? Wat ze stilletjes heeft laten vallen toen ik met haar alleen was? Zij ontkende niks. Van zijn gezicht viel niks te lezen. “Ze wil werken, ze kiest zelf.” verklaarde hij.
   
“Ik weet niet wat ik wil! Ik kan niet meer kiezen! Niet meer helder denken! Ik heb schrik dat ik spijt ga krijgen van eender welke beslissing.” kwam zij tussen.
   
Moose richtte zich tot hem : “Jullie zijn een koppel, jij hebt voor haar gekozen en zij heeft voor jou gekozen. Je hebt ook geluisterd. Zij. Kan. Niet. Meer. Kiezen. Nu moet jij weer VOOR haar kiezen.” 
   
Geen krimp. Ondanks alle registers die we opentrokken.
   
En dan van haar kant : “Ik heb het gevoel dat ik voor niemand nog iets kan betekenen. Geef me die pillen en ik slik ze allemaal tesamen door.”
   
Het had beter kunnen aflopen. Ikke pathetisch wenen. Zij een hoopje overblijfselen van wat ze ooit was. Moose die kalm bleef en rake dingen zei. Hij die echt woest werd. “Ze was er terug bovenop tot jullie binnen kwamen en haar gewoon de put komen induwen!” Ik die nog woester werd. “Sla me nu!”, bad ik, “dat ik je kan aanvliegen!” Rechtstaand neus tegen neus en geen beheerste vezel nog die me wilde stoppen. Dat deed moose.
Hij schreeuwde ons buiten. Stond klaar om de politie te bellen. Wij bleven zitten. Lieten doordringen dat we mislukt waren in het bereiken van ons doel. Het kalmeren van de gemoederen was nog slechts een afronding tot afscheid.
   
Hij zou me de dag nadien bellen zei hij. Ik vroeg me af waarom.
Ik weet dat hij ook het beste wil voor zijn vrouw, maar hij ziet het niet/anders.
   
Zijn sms later :
“Ik heb gezegd dat ik je zal bellen, maar dat lijkt me geen goed idee! Voor alle duidelijkheid : Ik laat me door NIEMAND beïnvloeden. Groetjes.”
   
De mijne : “Sorry x, ik dacht dat het hier over het welzijn van je vrouw ging en niet over jou. Haar noodkreten leken me nochtans duidelijk. Veel sterkte. Wij willen er voor haar zijn als ze ons nodig heeft.”
   
En ik besefte : het leven kan soms toch klote in elkaar zitten.
Broddelaar!” riep ik tegen niemand in het bijzonder.