Twee weken geen LO, toch ook niet te versmaden?

  

   Voormiddag
“Komaan zeg, doe niet zo flauw, ik zie niks. Een beetje zalf erop en dan is dat weer helemaal in orde. Over een beek springen is leuk, maar je moet ook wel goed neerkomen hè?”
   
Namiddag
“Allez vooruit, ga wat met de andere kindjes in die supermaïsdoolhof dolen. Mama blijft hier op dit zonnig terraske gezellig koffiedrinken met de vriendinnen. Hup hup! En mank een beetje minder, je overdrijft.”
   
Vooravond
“Jaaaaa, dat is nu eenmaal zo, ’t is dorpsdag en ik heb mij opgegeven om mee te helpen opruimen op school. Maar jij mag met je vriendinnen over de jaarmarkt en de kermis huppelen. O? Doet hij nog zeer? Ik zal er straks thuis nog eens naar kijken. Stop met dat op je tip lopen, straks forceer je die nog. Nee, ik vind geen parkeerplaats dichter in de buurt. Niet zeuren.”
   
Avond
“Als je een nachtje hebt geslapen, zal hij wel genezen zijn. Jij mankeert iedere dag wel iets. Zo erg zal het niet zijn zeker? Je hebt de hele dag gewandeld en gespeeld.”
   
Volgende morgen
“Hoe? Waarom hinkel jij? Pijn? Je kan er niet op steunen? Weet je dat wel zeker? Heel zeker? Hmm.”
    
Kerel bij het röntgenmachien :
“O madam, dat ziet er dik en blauw uit.”
Ik : “Euh Ja? Ik zie niks.”
Ik : “Blablabla… krulzap beetje hypochonder meestal… ”
Kerel maakt zich klaar om me het woord hypochonder te gaan uitleggen, alsof ik – godbeware – het in een hele verkeerde context gebruik.
   
Middag
Afijn… krulzap veilig op de schoolterreinen afgeleverd.
Met krukken en een plaaster.
En gewrichtsbanden die een trek hebben gekregen.

Wat een speleding kan overkomen

  

   Ik Fez, jij Fezt, wij fezzen.
En eergisteren Fezde ik.
Dé Fez, het Marokkaanse restaurant in de kloosterstraat in Antwerpen. U voedert zichzelf daar toch ook?
Uw zapnimf reeds voor de tweede maal. En waarschijnlijk tevens de laatste keer.
Indien u van het nieuwsgierige type bent, verwijs ik u gaarne naar jutblogt alwaar enkele relaasjes reeds hun plek hebben gevonden. Omdat het nu eenmaal met die troep losgeslagen mossels was, waarmee ik mij aan het schransen waagde.
   
Maar maar. Blijft u vooralsnog hier. Want ik ga het lekker over een vibrator hebben! Jaja, zo’n trilding voor de verzachting van pijnlijke nek- en schouderspieren en zijn afdwalingen naar minder oppervlakkige stimulering : het diepteonderzoek zeg maar.
Van een vibrator terug naar Fez, het is slechts een klein (gedachten)trapje. Het trapje onder tafel afkomstig van de laars van Huisvrouw die mij deed opschrikken uit mijn dagdroomspiraal.
   
Met het staren naar de lampionnen aan de lambrizering, terwijl ik daar voor pampus lag, ingebed in veloeren kussens op een bankje, stak de herinnering weer de kop op : mijn eerste kennismaking met de uitheemse maaltijd geserveerd in dezelfde eetgelegenheid.
Dat was met mijn homovriendjes en een bevriend koppel, die hun spaarcentjes hadden uitgelegd omdat ik zo’n toffe ben en toevallig jarig toen. Tussen de couscous en wat zelfingenomen blikken door kreeg ik een langwerpig pakje toegeschoven.
U weet uiteraard al wat, daar ik hierboven de clou al in uw maag heb gesplitst.
   
Het leek wel trendy, in het eerste jaar na de scheiding. Iedere gelegenheid was prima om die zielige turf zapnimf wat surrogaatplezier te verstrekken in de amoureuze en pornografische sfeer. Naast een tiental anonieme valentijnkaarten van lepe vriendinnen, kreeg ik dat eerste jaar ook nog : Chinese balletjes met zoemfunctie, die shampoo waar de hoofdrolspeelster in de reclamespot onder de douche zo hard kreunt alsof ze postuleert voor de erotische prent die in de studio ernaast werd opgenomen, niet eens ordentelijk uitgescheurde zoekertjes van vrijgezelle mannen uit de flair, kikkerprinsen op tassen en kaarten, fallusrietjes, een boek kaarten met blote venten en allerlei verwijzingen naar Jacky met zijn lamme arm. (Die mediageile gigolo die naast de fiscus ook nog vele vrouwen rolde(bolde). De minder mobiele sukkelaar leefde van een uitkering toen hij de ideale zwarte job vond. Zwart als in nacht, moet hij gedacht hebben, want overdag kwam hij te pas en te onpas zijn boek – ‘Mijn leven tussen de lakens’ – en zijn begaafdheden etaleren op tv en in de boekskes. Op een dag vind je de job van je leven, Jacky Secke, en dan word je gejost natuurlijk!)
Zo ontving ik van vriendelijke collega’s een grote pot yoghurt, van het merk Jackie, met aan de zijkant twee kartonnen armpjes geplakt waarvan er slechts eentje kon bewegen via een splitpen. Spitsvondig genoeg, mijn vriendenkring, maar een tegoedbon… ho maar!
   
In bovenstaand licht bekeken, keek ik niet eens scheel bij het openmaken van een bewegende dildo. Trouwens… in datzelfde licht, kreeg ik de invitaties destijds tot deelnemen aan talloze upperdare party’s niet meer verwerkt – goed gerief pertang – en had ik mijn voorraad hulpmiddelen reeds ingeslagen.
Ik bekeek het staafje argwanend. Moest dit een speeltje naar mijn formaat voorstellen? Gierige projecteurs van eigen (aars)maten! Zo’n miezerig stukje plastiek in mijn bijzijn! Ik voelde me terstond in de poep gepakt. Yo mannen, serieus blijven hè, er zit hier wel iemand voor jullie die al vier keer de rek in de uterus en zijn uitloopsels heeft meegemaakt. Flexibel. Omdat het nagerecht nog moest verschijnen en ik daar nog van wilde genieten, hield ik deze grondinborende flitsen voor mezelf en zei braaf : “Dankuwel lieverds, mmmm mmmm!”
   
Daags nadien holde ik met het geschenk naar S., net uit de echt gescheiden, met een taille als de steel van een parasol en bovendien slechts twee keer barend geweest. Zij moest haar experimenten maar voorzichtigjes opstarten zo redeneerde ik en ik kon haar daarmee blijmaken! Ok, beige is ook niet bepaals mijn meest lustopwekkende kleur, maar S., sinds wanneer ben jij aanhanger van ‘ondank is ’s werelds loon’? Aanpakken! En rap!
   
Ze leerde er mee leven. Ze leerde er zelfs vrij regelmatig mee leven. In harmonie.
Soms in iets mindere omstandigheden. Die keer toen ze ging zitten en vergat dat…
   
Tot op een dag dat leven letterlijk overhoop werd gehaald door een inbreker. De rotzak had haar hele huis ondersteboven gedraaid.
“Ma, pa, kom snel”, zo hyperventileerde ze aan de telefoon, “bezoek van een dief gehad!”
Haar ouders, de politie, de buren… ze hadden in die mate empathie voor haar dat ze mee alle kamers kwamen inspecteren.
   
“Wat is dat daar op het midden van je bed?” vroeg een curieus iemand nog.
En een ander : “S? Wat doe je nu? Waarom spring je ineens tussen al die rommel? Je verknoeit de sporen!”
   
We hebben nooit nog iets vernomen van haar speelgoed.
   
Sjotsjotsjot.
Huisvrouw bracht me op haar eigen zachtaardige manier terug in het heden. Jutblogt en Fez.
En nu allen daarheen!

Foute dicht(b)oel(ewapper)

  

   (vervolg op vorige)
 
Ik voelde mij Jacques Prévert.
Daar midden in de nacht.
Met rijmsels, zo spectaculair
en helemaal zelf bedacht.
 
Tijd om te evalueren.
Jee, ik heb het weer gelapt.
Zillion keer kut met peren,
geen kat die het heeft gesnapt.
 
Die poëet in mijn reet,
de geinponem, de malloot,
had me weer eens goed beet.
Ik schaam me alvast een beetje dood.
 
Een beetje.
Weinig.
Bijna.

Niks dan de medische waarheid!

  

We komen elkaar tegen,
na ’t werk en onverwacht.
Gij hebt mij dat verzwegen.
Ik vind dat vrij verdacht.
   
Wat doet gij hier, gij snotneus?
Indisch doof aan één oor?
Te klapperen als een koortskneus.
In de wachtzaal van mijn doktoor?
   
O gij zielige zeur, gij zieken boer,
waar is begod uw geduld?
Ook gij moet wachten op uwen toer.
Wat teent ge nu met mij op consult?
   
Voorkruipen… niet netjes hè maat?
’t Kan me niet schelen, manco of frustro,
maar bij wijze van traktaat
krijg ik van u mijn uitstrijkje cadeau!

Stokkerdeboere! Potvolscheetineenfles!

  

   Wat voor een kinky opgeblazen peutengedoe is me dat nu weer?
   
“Geef zes saaie onbetekenende details vrij over jezelf.”
   
Als er een gelegenheid komt aanwaaien om dolkjerugsteekje te spelen… ze zullen het niet laten, hè Huisvrouw? In mails klink je nog als : “Mag ik vriendin tegen je zeggen, o supernimf?” En ik mezelf maar inhouden om iets anders te schrijven dan : “Ok, je mag eerstkomende woensdag mijn tenen likken.” Neen, beleefd als ik ben forceer ik mijn pinken om ‘ja hoor, huisvrouwie’ terug te plokken via de dezelfde weg. Truttemie.
   
Laat het toeval nu wezen dat uw zapnimf uit één homp te verwaarlozen saaiheid bestaat. U maakt het zelfs bijna dagdagelijks mee. Slaapverwekkend vervelend tot in het kwadraat. Dat pikt eens een open monumentendag mee, dat wordt na jaren opgevist door verloren gewaande ouwe buurmeisjes, dat ontdekt dat de cola light op is en schiet in paniek. Dat soort. Niks van belang om over te rapporteren dus. Anderen springen nog wel eens van een berg met stoffen vleugeltjes of krijgen af te rekenen met het energieverlies dat de huidige maatschappij zo kenmerkt of kweken hun eigen deliriums. Spannend!
Helaas, een ander toeval in hetzelfde universum heeft uw zapnimf ingefluisterd dat het haar lotsbestemming is om al die niksigheden in quasi onleesbare zinnen te gieten. En u, dommekloot, leest dat dan ook nog. Waarmee u medeschuldig bent aan het ontstaan van de vicieuze cirkel die hier, hetzij een tikkel ironisch, ‘weergaloze fratsen’ heet.
   
Maar kom. Dat is het einde van de wereld niet. En nu de deeltjesversneller alweer op zijn gat ligt, zit dat ook niet zometeen eraan te komen. Tijd om mezelf te focussen op een ander zwart(geblakerd) gat. Indien u er niet zo expliciet achter had gehengeld, lieve Huisvrouw, en als ik er al niet minstens een vierde van mijn bloggies eraan gewijd had, dan zou ik met klem verzwijgen dat de term ‘oorverdovende flatulerende ontsnapping’ mij niet geheel onbekend is. De parabel van de talenten indachtig, probeer ik heden ten dage dit gegeven te ontwikkelen tot het het niveau van neusverdovend heeft bereikt. Hoewel, eerlijk is eerlijk, deze kunde zou ik niet op mijn uppie kunnen bolwerken. Mijn dank ging de laatste keer uit naar mijn gierige zus die vond dat een Chinese rijsttafel voor vijf personen volstond om tien hongerige familieleden te voeden. Nadat neefjes, bompa en de snelle beslissers met de bovenste laag uit de bakjes hun innerlijke mens versterkten, bleef er voor uw zapnimf vooral veel ajuin over. Moet ik er een tekeningetje bij maken? (veel wolk)
   
Gerelateerd aan deze problematiek, hoest ik losjes uit de mouw nog twee nietige en onbenullige details. Liegen en lachen. Weliswaar mij ingegeven door de druk van de gemeenschap. Naar het schijnt is het niet zo heel erg netjes om uw darmstelsel toe te laten waar het op dat moment hoge nood aan heeft. Stomstomstom. Liever dan petomanie te vereren als een gevarieerde kunstvorm, loopt de gecultiveerde mensheid dubbel van de kramp louter omdat het niet hoort van ongevraagd geluid/geur te produceren voor zijn beurt. Welk een ramp zou zo’n lucht kunnen toebrengen aan het binneninse persoon? Aan het inwendige stelsel van het scheetstimide individu met een lek! Dit vraag ik mij dus af. Gewoon hypothetisch. Want ook al dient uw zapnimf zich in dichtbevolkte gebieden al eens aan te passen aan haar medemens er is een grens aan haar toegevingen. Ze aarzelt bijgevolg niet om het leugen om bestwil te hanteren. Haar bestwil. “Maar Ingrid! Wat doe je nu?!” is een populaire. Of berispend : “Poes!!!” (gelet dat er een poes aanwezig is.) Of druk gesticulerend : “Ikke niet hoor!” en een onschuldig iemand vorsend viseren. Schijnheilig wegkijken wil ook wel eens helpen.
   
Onze lieve Heer weet hoezeer ik omtrent deze hele reutemeteut serieus tracht te blijven, maar het lukt me nooit. Even ongezond als uw onderste winden terug te zenden waar ze ontstonden… uw met decibel gepaard plezier onderdrukken. Ik weet het, het is zoooo schorem gelinkt, zo gespuisachtig, zo goedkoop, zo pariaminded, maar de hinnikende lach is mijn deel bij gebeurtenissen als bovenstaand. ‘Trek eens aan mijn vinger’, het zou bij wet verboden moeten worden. Ik zou clandestien opereren.
   
Bleve het maar beperkt tot dit unicum (ok, een regelmatige eenmaligheid, maar soit), mijn omgeving zou het mij nog kunnen vergeven, denk ik. Maar op gebied van lachen weet ik geen maat te houden. Doe uw ogen dicht want wat volgt is mijn intiemste geesteloos detail : ik ben zo’n sul die met zichzelf lacht. Vergeet iedere verwijzing naar relativering. Neenee, letterlijk. Walgelijk ergerlijk zoals in : nounou zapnimf, jij bent me er eentje, whoehahahahaha! Wat ben ik toch goed! Gnuifgnuif. Hihihihi, heb ik dat zelf uitgevonden? Er is duidelijk iets misgelopen bij het uitdelen van de ego’s. O o o, wat erg! Streel streel.
In mijn voordeel zou ik willen pleiten dat ik thans opgescheept zit met een egostrelend geboren moose die het nalaat van deze kwaal hardhandig de kop in te drukken. Als hij er mij al eens op wijst, is het steeds te liefdevol. Alweer mijn schuld niet dus!
   
Naast het aaien van mijn ik, doet hij dat op gepaste momenten ook wel eens met mijn andere kant, bekend als voeten.
Hoe vervuld met afschuw keek ik destijds naar de prentjes in een roddelblad dat toen zijn winst opstreek door de publicatie van Fergie (nog iemand die zich haar herinnert?) met een tenenlikkend kaalhoofdig minnaarssujet aan haar ligbedeind naast een zwembad. Hm. Tij kan keren, ik was nog erg jong en onervaren. Hier verschijnt alweer mijn gegibber als er tenenkusjes uitgedeeld worden, lebbers en zachte bijtbewegingen. Haha! Ziehier, dat is nog eens een onbeduidend detail dat u niet wilde weten hè? Zapnimf ondergedompeld in (blote)voetenfetisjisme!
   
Het laatste onnozele weetje over mijzelf, is er eentje waar anderen mij op attent maken. Zelf ben ik me daar geheel niet van bewust. Volgens zij die het kunnen weten ben ik best een toffe griet, een meid die een gesprek – als het niet over kwantumfysica gaat – kan volgen, een deerne die zich kan manifesteren in meervoudige situaties, een moeder met principes, iemand met een minimum aan culturele bagage. En toch, nog steeds de kenners aan het woord, zou ik helemaal niet zo overkomen.
Gij zijt precies een van ’t kantje! Een vettige troela. Een hersenloos schepsel. Dikke mee met haar twaalf stielen en dertien ongelukken. Proletarisch seksbeslust geteisem. Als ge u leest toch.”
   
Ja? Echt?
Geen idee waar dat beeld vandaan komt.

Wie het stokje past, trekke het aan.

Ben je er nu weer?

 

“Waarom kijk jij alweer naar ons?” 

“Dat zijn vogels mama, af en toe hebben die nood aan euh… vogelen.”

Hoezo? Wij?

 

  

Zapjong : “Maar neen, wij hebben die snippen niet eens aangeraakt!”

 

 

“En daarbij, volgens ons hebben die vogels zo’n bek!”

  

Ik herinner mij je ouders,
overbeschermend en begaan.
Het heeft niet mogen baten.
In de proloog van je leven
ben je onverwacht doodgegaan.
   
Je streed tegen overmacht,
bent lichamelijk teloorgegaan.
Het heeft niet mogen baten.
Aan het eind slechts verliezers,
hun nagedachtenis, hun stilstaan.
   
Hun herbeleven van jou,
zoon, broer, vriend, leerling, kompaan.
Tuurlijk heeft het mogen baten.
Alsof we je ooit zouden vergeten,
ook al moest jouw weg te vroeg afslaan.

De kanjer die mijn dag stuk kreeg

  

   In zo’n vier gevallen per jaar is het geoorloofd van plausibel te laat te komen op school. (Met de hele troep naar de mis is er eentje van.) Vrijdagochtend, net als je in het derde leerjaar mag gaan vervangen het eerste lesuur – een breuk als hoeveelheid – is daar dus geentje van.
Wat veroorzaakte dat uw zapnimf, in haar hoedanigheid van drie kwartier overslapen na een nacht die moeiteloos de top twintig allerslechtstaaneenstukdoormaffen haalde, gejaagd en met een net gedouched druipende haarhelm de treinstellen achter de gesloten slagbomen hardop uitfoeterde. De verkeerslichten en de file werkten ook niet bepaald opbeurend mede.
En dan die natte slierten, o hemel, het vergaan van zapnimfs wereld… ongekapt en vochtspoorachterlatend toekomen op het werk. Als iemand haar zo zag, zou ze ontslag moeten nemen!
Om haar weerspiegeling in het linker- en rechterraampje te ontlopen, liet ze deze zakken. Een zeventig per uurse bries (en tevens een ijskoude), woei meteen tussen haar krullen. Een weerelement als haardroger, dat ze daar niet zelf opgekomen was! Mits een beetje ondersteboven houden van het hoofd, dit betekent in verkeerstaal schuin, zodat je nog minstens één oog overhoudt om het knallen tegen de vrachtwagen voor je te vermijden en een stuk of honderd woelslagjes met de vingertoppen om een zekere mate van volume te verkrijgen… et voilà, la nouvelle zap est arrivée. Drie minuten voor het belsignaal nog wel. Een kanjer die mijn dag nog stuk kreeg.
   
Onverwachte hoeveelheden vrolijkheid hebben op mij het effect dat ik opgewekt collega’s aanklamp die mijn tidelidiegeratel maar moeten ondergaan. Meestal laten zij zich op hun beurt dan niet kennen en creëren we samen gezangen van blijdschap. Deze keer bleef het aan de andere kant angstvallig stil.
   
“Is er iets met je? Ben je ziek? onderbrak ik mijn zinnen.
    
Haar man was via het onderzoek van zijn bloed na enkele pijntjes meteen naar het ziekenhuis doorverwezen. Zijn beenmerg gaf het op. De nog onzekere pistes gingen van een bacterie tot oncologie. (Gisteren liep hier per sms het bericht binnen dat hij een zeldzame vorm van leukemie heeft). Geprakte shit met rotte ei smaak. Ik ken haar man ook. Die familie heeft de laatste jaren hun deel miserie al gehad. Samen verfoeiden we de natuur en zijn schabouwelijke grillen. En hoopten ze hardop naar de achtergrond.
   
Het was niet eens middag of de volgende onheilsboodschap liep binnen. Het nieuws dat een oudleerling overleden was. Vroegere klasgenoot van puberzap, net veertien jaar. Hersenbloeding, levertransplantatie, de ontdekking van een ziekte die op de immuniteit inwerkt, coma. Ik zie het joch nog door de klas dansen. Een duim hoog, geen plaats genoeg om al zijn energie te kanaliseren. Die kregen wij in bakken over ons heen. “Juf juf, kom je vrijdagavond kijken? Want ik moet bij de opening van de ijspiste van zapdorp een demonstratie ijshockey geven.” Juf kwam kijken en hij miste een pas omdat hij al te guitig druk naar mij wuifde. Hij zal nooit meer zwaaien.
   
(Zaterdag begrafenis. Puberzap en ik zullen nog een laatste keer knipogen naar Glenn.)  
   
De sfeer op school werd plots even vergankelijk als het leven zelf.
Mijn haar bleef de hele dag onberispelijk.
Big deal.

Wat een boezem lijden kan

  
   “Oooo mama, ik was daarstraks helemaal in shock!”
Puberzap trachtte mijn aandacht te trekken.
Omdat puberzap gemiddeld zo’n vijf keer per dag in shock verkeert en ik net met haar papa de betalingen en gebeurtenissen van de voorbije week overliepen, hechtte mijn belangstelling zich even meer aan deze mededelingen. Die uitwisseling van informatie vindt plaats als hij hun spullen (fietsen, bakken met schoolboeken) komt terugbrengen, meestal de dag voor ze mijn week komen volstressen.
   
Ondertussen had puberzap het portier van mijn wagen opengerukt en schurkte zij op wel zeer radicale manier haar niet onaardige boezem tegen de binnenzijde van het raampje. Een kakofonie van geplette decolleté. Inderdaad een doeltreffende beweging om mijn blikveld te verleggen met opgetrokken wenkbrauw en af te wachten wat haar verhalenspuit zou voortbrengen.
   
“Yo ma, ik reed dus gewoon op het fietspad, dat smal aan ’t school, toen er een zeikstraal (moeder keek waarschuwend) de deur van zijn auto ineens opengooide. Mijn vriendin kon die nog net ontwijken en ik vloog zo (nog eens de truuk met het zijvenster, pletsch pletsch) erop.”
   
“Heb je zijn gegevens?” probeerde ik.
   
“Toen ben ik die vent beginnen uitschijten. (Moeder maakte afkeurende geluidjes.) Amaai, zie hier (wijst naar volgroeide voorkant) een blauwe plek zo groot als mijn gsm.”
Als een meelevende ouder bestudeerde ik de opgelopen schade en prikte er een paar keer in met de wijsvinger. Gekneusd, maar geen veerkracht verloren, constateerde ik.
   
“Heb je zijn gegevens gevraagd?” poogde ik nogmaals.
   
“Sidney lag zowat dubbel, die had zicht op mijn onnozel koppeke boven en tietafdruk (Moeder bloosde een seconde) op de deur, zei ze. Maar zeer dat dat deed, jong! Mijn arm hing over die bovenkant.” Ze toonde een donkerpurper merkteken aan de binnenzijde van haar bovenarm, gehavende benen en een koppel schrammen hier en daar.
   
“Je hebt die mens zijn telefoonnummer toch op zijn minst?” vroeg ik ten derde male.
   
“Mijn fiets wipte eerst vanachter omhoog en viel terwijl ik onflatteus boenkte en nu rijdt hij niet meer tegoei. Mijn stuur trekt altijd naar rechts en mijn wiel staat kadul.”
   
“Dat is verzekering, meid. Voor de zoveelste keer, je hebt toch wel een contactadres?”
   
“Nee.”
   
“Een nummerplaat dan?”
   
“Nee.
“Ja seg, hij vroeg of ik me zeer had gedaan en of mijn fiets nog marcheerde en ik zei, onder invloed van de adrenaline, nee en ja.
Wist ik veel?
Ik was immers in shock!”
  

Arme piet!

  

   U merkt het waarschijnlijk niet, maar ik voel het wel. Verse letters die vloeien uit een spiksplinternieuw klavier. Een ongebruikt toetsenbord, behorende bij de gloednieuwe laptop, op zijn beurt dan weer een speeltje uit de folder van de Aldi van vorige week. Uw zapnimf in opperste verrukking. Jodelahitie!
   
Wat vooraf ging…
Hij met een smoel als een wurm en ik die mij niet liet verwurmen. Zo zaten we in de auto op de parking van de winkel. “Jamaar,” jammerde hij zo’n beetje fakezielig, “dan hebben we vijf computers voor zes personen.” Goh, echte pathetiek vind ik zoiets voor door hun vrouw mishandelde mannen of voor houthakkers die hun vingers afzagen of gestenigde homo’s, maar nauwelijks voor tegenpruttelende mooses. In gedachten voegde ik – euh… luidop – eraan toe : “Watte vijf pc’s? Op mijn ouwe schootvod mag ik rammen en barsten slaan op de enter- en muisknop zoveel ik wil, het volgende scherm blijft achterwege en wil ik eens uitrekenen hoeveel keer ik de laatste maand het vastlopen ervan heb mogen oplossen met het uittrekken van de prise en het verwijderen van de batterij? Ben je vergeten dat de vaste gecrashed is? En onze snelheid van repareren kennende, gaat dat nog zo blijven tot ver in het volgende seizoen! Oja, dan hebben we jouw spel boven nog. Voor persoonlijk en professioneel getokkel only en waar wij met onze fikken moeten afblijven. En ach, dat was ik haast vergeten, die vierde pc die ook stuk is en nu als veredelde dvd-speler gebruikt wordt. Ik wil die laptop. Nu!”
Hij zette zijn gemeenste tronie op : “Ewel hè? Als ik arm zou zijn en geen piet had, je zou me al lang buitengekegeld hebben!”
Ik verslikte mezelf een rochel tegen het dashboard van het lachen en sleurde hem uit die auto.
   
We hoefden er niet eens op woensdagochtend voor te vechten. Hun magazijn lag nog vol verzekerde een vriendelijke kassadame ons. Bij het betalen wilde moose graag zijn kapitaalkrachtige gram behalen. Zijn woorden van voordien in de verf zetten. Wat jammer dat hij er niet op gerekend had dat het schermpje van de elektronische betaling zijn kaart weigerde met de niet mis te verstane boodschap : weeklimiet overschreden, dikke knudde!
   
Ik haalde met zwier mijn betaalkaart uit mijn portefeuille en keek eens heel ostentatief naar zijn kruis. “Wat een geluk dat die piemel er nog aanhangt, hè?!”
   
Ook neptriestig neuriede ik dit nog bij het buitengaan. Met tussenhuppelpasje.

Stimulerende look voor gekwalificeerd dichten

  

   U kijkt alleen Canvas? En bij gelegenheid Arte?
U bent Knacklezer? Of nog liever focust u zich op Fjodor Dostojevski?
U spendeert uw vakanties in functie van de schone kunsten met de grote K?
U haalt uw neus op voor gecoiffeerde poedels, vooral als ze luisteren naar de naam Trixie?
U kijkt neer op flauwe plezante zatte nonkels op trouwfeesten?
U vermijdt de frituur van vettige Swa?
   
Goed, tijd voor u om door te klikken naar de volgende blog. Rechts op de pagina vindt u tal van erudiete pennenvruchten waar u een gading kunt aanvinken die u beter zal passen.
   
Dus.
Uw zapnimf maakte deze week twee keer een ommetje langs Ikea. U wil niet eens weten waarom, maar toch, later meer daarover, omdat ik nog wel ooit wil schrijven waarom. Wat ik met moose aan mijn zijde, ergo de eerste keer, moest overslaan, maakte ik met Tulp meer dan goed. Wij werden namelijk buiten onze wil naar het eetcompartiment gezogen. Zoals eigenlijk altijd. Van meubelshoppen krijg je honger. Ik koos voor vegetarische pasta. Dat het vlees vervangen was door vijf tenen look, wist ik pas toen ik onstuimig aan het kussen sloeg bij mooses thuiskomst. Met moose. Zijn hand zou die avond nog meerdere keren waaieren met als doel wat frisse omgevingslucht te convergeren naar zijn neusgat.
   
Des avonds, intiem gevlijd tegen elkander in de sponde, het serieuze deel van de dag reeds achter ons, bepoëette hij me plechtig :
“Ook al stink je naar look,
ik geef je toch een pook.
Hupla!”
Tegelijkertijd voelde ik iets tegen me porren dat in de gespecialiseerde lectuur omschreven zou kunnen worden als ‘de ultieme gulden uit de kluiten gewassen roede’.
“Oeoeoeoe.” beantwoordde ik dit uitnodigende gebaar van verlangen.
“Ook al stink ik naar look,
Ik zie jou graag ook!”
   
Infantiel dichten, je moet het mij niet leren hoor!
   
Vettige Swa en nonkel Prosper kunnen aan mij een puntje zuigen.

Breekbare bedoening (2)

  

   Dag drie : De sensatie van filmnet en het bubbelbad. (En het breken van mijn klomp.)
Omdat het dagelijkse blauwe plekken tellen al snel zoveel tijd in beslag nam, vulden die kinders die bezigheid aan met het aandraaien van het televisietoestel. Geen twee minuten later onthulde filmnet zich op hun netvlies. Uren later ondergingen zij nog steeds de bekoringen van hun ( ondertussen vierde) filmprent. ’t Was toen dat mijn klomp brak. Mijn stem evenzeer : “Volgend jaar vakantie in onze living. Ieder een zak snoep, twee weken de gordijnen dicht en een torentje dvd’s, veel goedkoper!” Waarop ik verder ging mokken in het bubbelbad dat ons onderkomen rijk was.
Mens! Fabuleus fantastisch, fel fenomenaal en flink fabelachtig, zo’n privéborrels! Je komt er welhaast van klaar. Als je zo een beetje scheef gaat hangen. Zo’n beetje richt. Zo’n beetje wiebelt. Allez… toch bijna, zo goed als, schier en misschien helemaal als je er lang genoeg in blijft weken. Maar mijn humeur had zich hersteld en mijn breintrommel ook. “Afwassen of gaan zwemmen!” beet ik de jong toe en ze kozen voor optie twee. Waarmee de volwassenen achterbleven met een vaat om u tegen te zeggen. Nog helemaal broebelbadminded stelde ik voor om het vuil servies een kwartier te laten schoonblazen onder de waterspiegel van de kuip, maar omdat Tulp later liever badderde in een lasagnaloze toestand, vond mijn idee geen oor dat instemde. De flauwerds.
Dit conflict nauwelijks verwerkt, verpletterde ik Tulp die avond genadeloos in – jaja – alweer de wildwaterbaan.
   
Dag vier : Lezen en winkelen (En het breken van het wereldrecord krijsen.)
Het weer bleef ongunstig. Moose en ik lazen tegen elkaar op, Jeroen Brouwers versus Sándor Márai. Teerkost werd ingeslagen, de caddy werd ontdekt, helaas in de verkeerde volgorde. En om de ledigheid (en de geforceerde schouder… onze bungalow lag op een uithoek van het terrein) te verdrijven, deden wij wat we al dagenlang uitvraten : snoepen en ons in – sorry hoor – in de wildwaterbaan werpen.
In de kleedhokjes, net in volledig in ontklede staat, hoorden wij een bekende uit zijn dak gaan. Schreeuwen was Tulpzoons deel. Omdat het fatsoen vraagt om toch een lapje confectie vooraleer je de deurtjes opent, duurde het nog even voor we Tulpzoon gevonden hadden. Ergens voorbij de uitgang liep hij te briesen tegen zichzelf en van zodra hij zijn moeder zag, tegen haar. Ocharme het menneke, het moest hem weer overkomen, zijn kastjeseuro in zijn kleedhokje te vergeten. De Hollandse meid die zijn plaats had ingenomen riposteerde doodleuk : “Nou? Staat er ergens je naam op? Neej? Dan is ie nu van mij!” Einde gesprek, begin frustratie.
We spraken af om morgen alle Hollandse meiden kopje onder te duwen in euh… uweetwel.
   
Dag vijf : Opkramen en weeral verdrinken. (En het breken van mooses hart.)
Geen sinecure de inpak te organiseren van acht personen. Nog minder hoopgevend als de inpak niet meer in de auto geraakt. En helemaal desastreus als je een aanvaring krijgt met de buren die met hun wagen de doorgang blokkeren en vervolgens eisen dat de hele ontstane file maar achteruit tegen de richting in zich moet verwijderen. Gelukkig bleven wij zelfs in omstandigheden van afgebeten neuzen kalm en reageerden wij ons nog een laatste keer af in het wilde water.
Onze lijven mochten na vier dagen bobbelen, botsen en knotsen wel gehard zijn, de verdrinkingsscenario’s lagen nog steeds op de loer. ’t Is daar dat ik moose zijn hart heb gebroken. Ik had het natuurlijk ook kunnen verzwijgen. Ik had er misschien niet zo uitdrukkelijk hard lacherig over moeten doen tegen Tulp. Ik had ook gewoon onder water mijn longen kunnen laten vullen en nooit meer bovenkomen… Maar ik ageerde anders. Iets met de teelballen van een jongmens die toevallig in graaigreep lagen toen ik ondersteboven en vrij benard de vervallen in het water trotseerde. Een scrotum waaraan ik mij terug aan de oppervlakte kon optrekken toen mijn luchtvoorziening het liet afweten. Ja zeg, het hadden evengoed reddende aambeien van een tachtigplusser kunnen geweest zijn, in penibele besognes mag je toch wel al eens overgaan op je instinctiviteiten zeker? Al dachten jongmens en moose daar net iets anders over.
Mooses hart, weet ik, is handig terug te lijmen. Een paar achterafse kneepjes in zijn klokkenspel en hij vergeeft mij alles. De lieverd.
   
Oja. Heijderbos heeft ook nog een golfslagbad, bubbelbaden, een glijbaan, zonnebanken, een kinderboerderij en een Jungledome. Maar wat kon ons dat schelen?!

Breekbare bedoening (1)

  

   Dat krijg je nu met die wildgroei van wensputten zonder bouwvergunning.
Na haar vurige periode, verhoop je in haar plaats enkele watervallen van ontspanning en voor je het weet zit je een midweek vast in iets dat ‘een Center Parcs bungalow voor acht personen in Heijderbos’ heet. Mét Tulp(D.) en haar zoon. Over masochisme gesproken.
Maar ach kom, moose en zapnimf zouden hun ereteken van welwillendheid niet verdienen als zij ook hier niet hun open verwachtingen zouden aanspreken. Het Grieks eilandhoppen met twintig kilo op de schoft zouden zij dan wel uitstellen tot ze pensioengerechtigd zijn.
   
Dag één : De ontdekking van de wildwaterbaan. (En het breken van botten.)
De info beloofde het ons al : een wildwaterbaan zonder weerga. Daar is geen woord van gelogen. Over weerbotsen repte de folder in geen taal. Wij zijn nochtans polyglot. Onder het motto : ‘zelf ervaren is lekker zelf opsporen van de gevaren’, beëindigden we onze eerste dag met een gebroken teen (zapzoon) en een geknakte arm (minizap). Zij hadden verzuimd hun uitgroeisels aan de romp binnenboords te houden. Niet bijster intelligent van die twee. Wat ook hun gebrekkige diagnosestelling verklaarde, want een pleister verder, een teennagel minder en een smeer zalf extra, besloot de redder-verpleger dat als het morgen nog niet beter is, ze bij vooral iemand anders op een Rode kruis post nog maar eens mochten gaan klagen.
   
Dag twee : De verdere verkenning van de wildwaterbaan. (En het breken van bikinibandjes.)
Tulp en ik twijfelden een flits of wij ons achterste door zalvende reddershanden zouden laten onderzoeken vooraleer wij te water gingen. Het voelde namelijk aan alsof we een hele nacht als buffer dienden tussen twee pogoënde dinosauriërclans, op dé fuif van het Mesozoïcum welteverstaan. Maar omdat we mekaar geen mietje wilden noemen, pookten we enkele keren met de vinger naast mekaars bilnaad en constateerden dat onze natuurlijke beschermlaag voldoende doornee bevat om ons onbehandeld te wagen aan het volgende level van wildwaterbanen : het wedstrijdje. Let op! Dit vereist een megadosis egoïsme. Voetjetrek, onderduwen, kolkdompelen en batsen uitdelen veroorloofd. “Sorry kind! Ik ben aan’t winnen! Uit de weg!” schaterde ik puberzap tegemoet, toen zij met handen als schelpjes haar boezem onttrok aan het zicht van de medemens, onderwijl gillend : “Help help, mijn bikinibovenstuk! Mijn bandje is geknapt!.” Slechte moeders als ik vonden dat best lollig. Slechte moeders als ik, worden als straf dan luid brullend van plezier het volgende moment meedogenloos ondergezogen in de eerstkomende versnelling. Uw zapnimf was bijkans vergaan. En tesamen met haar, haar gein. Nog eens let op! Lach nooit terwijl u verzuipt! Onheil!
   
En geen dochter die je ter redding schiet.

“Ik stoor toch niet?”

  

   Stel.
Je zit op je gemak.
Je zit op je gemak te lezen.
Je zit op je gemak te lezen als plots de telefoon de stilte in huis ongedaan maakt.
Het rondlopen van een reeks kinderen geeft je de geruststelling dat zij dit lawaaierige varkentje wel zullen wassen. Toch zet je je wat rechter en spits je je oren in de richting van de actie. Wat je gevreesd had, komt uit. Haastige voetstappen trippelen jouw kant uit. De tijdsspanne tussen het besef en de mum die het kost om je in gang te schieten, is te verwaarlozen. Nog een laatste perspoging, terwijl je reeds ongecontroleerd een ruk geeft aan de vellen, je ellebogen knotsen tegen de muur, je boekje vliegt eender waar, het liefst de wc-borstel omver en dan plots staat puberzap in het deurgat : “Ik zal ze eens doorgeven…”
Verwoed probeer je nog een seconde te rekken want je aanneemhand hangt nog ergens in de pot aan je onderkant te friemelen. Vlugvlug klem je die hoorn tussen je schouder en oor, doet verder waar je mee bezig was, haalt eens diep adem door je mond. Net iets te wild want de praatstaak klettert ervan op de grond. Je herstelt deze kleine klungelarij, met één hand je broek optrekkend. Niet voor beginners!
“De galm van het toilet!” panikeer je en je bromt zo diep mogelijk om hem te verdoezelen, toch je onbekommerste toon zoekend : “Met zapnimf.”
Terwijl de andere zijde van de lijn zich voorstelt, druk je je duim op de microfoon, hoopt dat het nog niet meteen jouw beurt is om te spreken en trek je, dat wat net je lichaam heeft verlaten, door.
Vervolgens lieg je alsof het dagelijkse kost is : “Neen hoor, Hélemaaaaal niet!”
   
Bij je verplaatsing naar betere telefoneerruimte, bots je tegen je dochter die dubbelgevouwen achter de deur je uitlacht en nog niet eens zo geruisloos lipt : GIJ SCHIJNHEILIGAARD!

Het torsen van de bevalligheid, niet voor iedereen

  

   “Mijn linnen broek! Mijn linnen broek!”
“Ik heb mijn linnen broek teruggevonden!”
   
Ondersteund door eigen gezangen, schudde ik een variant op de polonaise uit de broekspijp en hinkte ik vrolijk doorheen de slaapkamer. Een gepaste viering voor het weerzien met mijn chiqueste stuk textiel na twee jaar. Eenmaal gedragen op de eerste communie van minizap. Sindsdien als een bolletje rimpels zoekgeraakt in een kleerkastkier.
   
“Wie maalt er nu om een kreukel meer of minder?”, redeneerde ik, “de perfecte onderstreping van dat deelaspect van mijn persoonlijkheid.” En ik sprong als een vijftienjarig veulen met een vloeiende beweging tweebeens tegelijk in mijn herontdekte stof.
Oeoeoe, het flapperen rond de enkels voelde als tiptoetsende vleugeltjes. “Zwuis zwuis zwuis”, ruisde mijn kuithaar zachtjes onder de stimulans van mijn heen en weer schrijden voor de spiegel. Een elegantie in ecru waar ik geen genoeg van kon krijgen.
    
Omdat meevallers niet altijd zich op een ander hoeven te manifesteren, kreeg ik reeds diezelfde avond de gelegenheid om de nieuwe prinses zapnimf te laten bezichtigen aan een publiek. In de agenda stond een toneelvoorstelling met vrienden geprogrammeerd. Twee vliegen in één klap! De openvallende monden van onze gezellen observeren en minstens honderd onbekenden laten genieten van de pronkende esthetieke pracht omheen mijn middel. Dat zou wat geven!
   
Net voor vertrek, nadat ik moose met vlugzout weer had bijgebracht – de jongmens uitte zijn bewondering voor mijn verschijning redelijk stevig – wilde ik toch nog eens in de grote spiegel boven het effect van mijn zorgvuldige opmaak controleren. Een overgeslagen wimper door de mascara kon ik mij in dit belangrijke stadium van de herboren gracieusiteit niet veroorloven.
Nog steeds gedragen door dartele lichtvoetigheid hupte ik blootvoets de trap op. Halverwege haakte mijn rechterteen in de opening van de linker broekspijp. Uw zapnimf daalde daarop uiterst onbekoorlijk met haar volledige meter vierenzeventig hardlijvig neder. Iedere twintig centimeter ervan gemarkeerd door een treesnee.
   
“Wat doe je nu?” klonk het enkele meters lager.
“Als ik opnieuw bij positieven ben, mijn ordinaire jeans aantrekken!” snauwde mijn oude ik in een aan reten gescheurd humeur terug, terwijl ik mijn armen en benen bij elkaar zocht.
   
Voortaan laat ik de sierlijkheid over aan hen over die het aankunnen.

Misbare snelheden

  

   “Het leven is aan de rappen.” bedacht ik.
   
– Het ongedierte, bijvoorbeeld, dat mij nog steeds te snel af is in die kubieke dm lokkendos der mijner derde telg. De siliconen zijn ondertussen ook al getest.
   
– Het razende geratel van de logopediste die mij deed verstaan dat ik helaas niet met het beoogde stuk administratie wedergekeerd ben van de geachte pediater. Ik had een toelating moeten vragen om een logopedisch bilan op te maken, waarna ik later opnieuw zou moeten verschijnen om een logopedische behandeling voor te schrijven met terugbetaling. Bij het ziekenfonds voordien werd ik ook wandelen gestuurd met mijn doktersbriefje : eerst naar de logopedie, zapnimf, dan pas komen smeken om tussenkomst!
(Mijn eis op school om een degelijk stappenplan voor oerdomme ouders, zoals ik er zelf eentje ben, op te stellen om hen te begleiden in de martelgangen van de medische diensten en de rand ervan, zal eerstdaags gerealiseerd worden.)
   
– Het tempo waar arme moedertjes zich aan moeten onderwerpen om de tientallen brieven van het clb in te vullen, naast alle strookjes over ineten, reglementen lezen, schoolkosten, toestemmingen voor uitstappen en alle klasafspraken voor ieder vak waar mammies (en pappies) gehandtekend van op de hoogte moeten blijven. Moordend!
   
– De onkunde van pubers om hun eigen boeken te kaften, ook al heb je de eerste netjes gedemonstreerd en in haalbare technieken gevisualiseerd. Vraag me niet hoe het komt, maar op het eind van die reeks onuitputtelijke energievretende bezigheid, hing er toch maar weer mijn handenarbeid om die boekenruggen. (Poging één : scheur. Poging twee : krak. Poging drie : te weinig papierrand. Poging vier : meer plooien dan de karakterkop van Nand Buyl. Poging vijf : Komierdakiketdoe! Stelletje motorisch dysfunctionelen!)
   
– Oudercontacten als toeschouwer en als beoefenaar. Ook altijd nefast voor de zenuwen.
   
– De vuile was die plots na drie weken staking overal in bergjes op vloeren verscheen en schreeuwde om behandeling.
   
– De overwachte verwachting bij de orthodontist waar er aan zapzoon extra werd gesleuteld met de mededeling : “Uw zoon heeft bijkomende zorgen nodig in de vorm van iets dat zijn onderkaak genadeloos naar voor zal trekken en dat zal u bovenop het budget nog zoveel meer kosten.”
Daarna werden we verbaal genegeerd en terwijl ze stevig in de weer was met ijzerdraad, rekkers en tangen, keuvelde ze gezellig met de vips op de ligstoel naast ons.
Ik weet nu dat Jaak Rogge toch zo’n lieve man is, die zijn pupillen meeneemt naar de Chinese muur. Dat het Belgische turnstertje langs alle kanten pijnlijk kraakt. Dat het in Londen over vier jaar niet zo’n vette zal zijn als wat we pas gezien hebben. Wist u dat een groot ijsje in het Vogelnest slechts 30 eurocent kostte? Maar de smaak was dan ook navenant. En olala! Die watercube! DIE WATERKUBUS! Architectonische hoogstand!
Dit alles mag u als waarheid beschouwen, want ik heb het uit eerste hand : de broer en de moeder van Elise Matthysen, jonge vaandeldraagster van het nationale zwemmen, nevelden deze woorden rechtstreeks in mijn oregaatje.
Een mens leert wat bij op tandartsbezoek! Dat Elise vanaf nu op haar eten gaat moeten letten. Strengheid en discipline staan haar te wachten. Gedaan met onbekommerd puberen. Oja, en dat het bovenal een passie moet blijven. Dat ook.
   
“Het leven is aan de rappen.” bedacht ik dus.
Terwijl ik ergens in een ontregeld lessenrooster ter compensatie gestaag doch kalmtebewarend vierhonderd leerlingendossiers doorploegde en triëerde.
En voordelen vond in een tijdelijk zombieschap.

Je bent een kei, zoon!

  
   – “En zoon? Hoe was’t? Je eerste schooldag in het middelbaar.”
   
Zapzoon : “Ooh, keigoed!
Ik heb wel twintig minuten vastgezeten in die fietsenkelder, seg. Ik wist bijgod niet waar je je fiets moest zetten in die chaos, daarna merkte ik ineens dat ik mijn boekentas thuis vergeten was. Keistom, hahahaha. Met alles erin. Bweeeeurk, moest ik ’s middags zo’n keivieze boterham eten van iemand anders met iets erop dat ik helemaal niet luste, echt vortig. Daarna kreeg ik van de juf een keibelachelijk plastiek zakje om al ons gerief en boeken in te steken. Dat scheurde natuurlijk langs alle kanten. Je had mij terug naar huis moeten zien fietsen met dat ding onder mijn arm. Not cool! 
Alleen Jonas van de vorige school zit in bij mij, alle anderen zitten bij elkaar in de andere klas, balen, eigenlijk kan ik Jonas niet zo goed uitstaan. De andere jong in mijn klas? Bwa… die ene die rechts van mij zit valt wel mee. Alleen, hij heeft zo’n kinderachtige humor, maar hij kon met mij lachen, daarom valt hij wel mee. Aan de andere kant zit een neger (nvdr : niet van mij geleerd!), dat lijkt me ook wel een grave gast. Gemakkelijk, die zegt niks. Tenzij je hem wat vraagt. En ik mocht toch een balpen van hem afluizen. Ik geloof nooit dat ik diens naam ga kunnen onthouden, iets heel keieigenaardigs… Me… Mena… Menatuew of zoiets. Misschien dat ik het hem morgen nog wel eens vraag.
Als klastitularis heb ik mevrouw van Doorn. Precies niet slecht, maar die zag zo keirood! En die haar neus was zo keibroebel. Hihihi, ze keek altijd maar naar mij. Vooral toen ze zei wat we tegen morgen vooral niet mochten vergeten mee te pakken.
Keitof, wij hebben de hele tijd spellekes mogen spelen. Wel van die keionnozele. Ballekes naar mekaar gooien en dan moest je de gegevens van diegene die naar jouw had geworpen proberen op te zeggen. Jee, ik gokte telkens maar. Wist ik veel?
Voor de rest lijkt me die school wel kei-inorde.
Afgezien van de nerds dan die daar rondlopen.”
  
     

pedia-idioo-trie

  
   – “Mevrouw, u bent te laat.”
– “Meneer kinderdoktoor*, ik zou niet te laat geweest zijn als uw ziekenhuisadministratieve diensten achter de balie beneden die achttien wachtenden voor mij met met wat meer spoed zouden geholpen hebben in plaats van hun privételefonie tijdens hun werkuren te plegen.”
(In werkelijkheid : “Mompel mompel… heel veel volk om in te schrijven… knor.”)
– “Mevrouw, ik heb een logopedisch bilan nodig om u uw ziekenfondsterugbetaling te kunnen garanderen.”
– “Meneer doktoor, dat is het ‘m nu juist. Vooraleer ik een logopedist mag contacteren voor minizap, heb ik uw toestemming nodig.”
   
Minizap zelf zit erbij alsof ze naar een tafeltennismatch kijkt. Hij, ik, hij, ik, hij… De rest van haar lijfje durft niet bewegen. Al haar zenuwen staan stijf uit voorbarige schrik dat ze zou eindigen met – weetikveel – elektroden op haar hersenpan, platgespoten in een monsterlijke scanner ofzo. Ikzelf begrijp ook niet waarom dat kind er persé bij moest zijn volgens de telefoonstem daags voordien toen ik de afspraak maakte. Angst voor het uitvinden van een fictieve dochter? Haar inbreng in dit geheel beperkt zich tot haar fysische stilzwijgende aanwezigheid.
   
– “Mevrouw, hoe kan ik u nu een toelating schrijven als ik geen lo-go-pe-disch bi-lan kan inkijken?”
– “Maar zeer geachte heer pediater, ziehier de dyslexietest van het CLB met bijbehorend verslag, de evolutie van haar LVS-testen* voor lezen en spelling van leerjaar één tot drie : C en E-zones, een begeleidend schrijven van de zorgcoördinator op school. Wat wil u nog meer?”
– “Mevrouw, ik wil een LOGOPEDISCH BILAN!”
– “Meneer, ik mag pas hierna naar een logopedist, op woensdag eerstkomende om precies te zijn, dus als u zich zou kunnen haasten? Lees toch wat hier zwart op wit geschreven staat in al mijn verwoed verzamelde bewijzen!”
– “Sja, mevrouw, verwacht u nu van mij dat ik dit kan interpreteren?”
– “Euh ja. En zoniet, hier kan u lezen dat ze bizarre spellingsfouten maakt en bezitter is van een fameuze leesachterstand.”
Mijn ondertussen oorwurmuitdrukking stroomt door naar mijn vinger die onzacht op het gefluostifte kadertje tokkelt.
– “Zucht zucht… in het vervolg zou ik u toch graag willen zien verschijnen met een logopedisch bilan. Wat zal ik erop zetten? Een half jaar?” 
– “Een jaar zou fijn zijn?”
Stel je voor! Over zes maanden ben ik nog niet eens bijkans gerecupereerd van deze ontmoeting. Wat als ik dan terug de confrontatie met deze bricoleur moet aangaan?
Zoals zelfs een kwakzalver eer moet hooghouden, kribbelt hij wat onleesbaars op een briefje.
– “Alstublieft mevrouw…”
En als ik mijn portemonnee wil bovenhalen : “Neenee, deze consultatie hoeft u niet te betalen.”
“En bol het nu als de bliksem af, vranke teef!” hoorde ik hem ons in gedachten nog natrappen.
Maar dochter en ik staan al te giechelen in de lift, dokters frustraties wegwapperend met het kleinnood.
   
   
   
*Dit soort gebeuren mag niet bij een huisarts doorgaan.  
*LVS-testen : Leerlingvolgsysteemtesten. Bij het begin en midden (en eventueel einde) van het schooljaar worden de leerlingen onderworpen aan een landelijke uniforme test. Aan de hand daarvan volgen scores van A tot E, die meegeven in welke mate ze de leerstof beheersen in vergelijking met hun leeftijdsgenoten. E is verontrustend. A wil zeggen : gelukzak, jij zal je arme moedertje niet opzadelen met een piwiebotsing die alleen logopedische bilans eist.