Herfsthersenbriesje

  

   – Kijk! *wijs*
– Een zapnimf!
– Wat doet ze nu?
– Ze pakt.
– Ze pakt?
– Ja, zeg maar graaien.
– Wat graait ze dan?
– Herfstvakantie.
– Ooo. Maar dat is meer dan toegelaten.
– Ze pakt herfstvakantie in haar kop, zegt ze. Efkes.

Mijn straffe eerste zin!

  

   “Uw beginzin moet vlammen!”
“De lezers moeten willen verder lezen.”
“Werk met beelden, maak een webschema, brainstorm tot je aan een treffende voorstelling komt.”
   
Zo werd Madameblogt, Chelone en mijzelf ingeramd, vorige zonnige zaterdag. Wij offerden deze prachtige dag op om het verschil tussen cursiefjes en columns te ontleden, een initiatief van de vzw Creatief schrijven.
   
“Owkeey, wat hebben we geleerd vandaag?” recapituleerde ik die avond, toen het beeldscherm met klavier per ongeluk voor mijn neus kwam aangeschoven.
“Pakkende zinnen, sterke clou, abstractie overslaan…”
   
En ik begon mijn stukje voor Jutblogt, vandaag aldaar te bewonderen :
   
“Er was eens een boom.”
   
Als dat niet een echte keelgrijpende inleiding is…
Enne, echt gebeurd hè! Ooit.
Allen daarheen!

Een staaltje van goed bestuur

  

   Mijn sociaal leven ligt in de goot.
De diepvries is rijp voor ’t stort.
Mijn hoop is niet bijster groot
bij het zien van pubers rapport.
   
Inspiratueel ben ik aan ’t floppen.
Nefast voor de bloedsomloop.
Maar vooral :
De nieuwe laptop is sinds gisteren naar de knoppen
Zapnimf, uw leven is een groteske puinhoop!
   
En je had dat kunnen lezen in uw horoscoop.

Met de matras in de hand, vermijd je mislukte handstand

  

   Mijn wallen groeien als de wortelstok van onze bamboe door naar mijn oorlellen, waarbij ze ongenadig mijn wangen doorkruisen. Straffer nog, ik verdenk ze ervan, onzichtbaar maar vernietigend, al via het oor doorgedrongen te zijn tot de bovenkamer en daar als puntige speren ieder restje denkvermogend behang af te krabben.
   
De afgelopen week was er eentje om u tegen te zeggen. Al zou ‘verprutszevendaagse’ het plaatje beter illustreren. Zo verknoeide ik menig schoolarbeid, vatte ik geen essenties meer van gesprekken, vergat ik wat ik vergeten was en toen ik een middag over huis snelde om die vergetelheid alsnog op te halen, vergat ik ze opnieuw. Maar ik had in tussentijd wel een lekker stuk chocolade onder mijn verhemelte gemoeffeld. Negativiteit valt altijd wel te nuanceren.
   
“Slaaptekort,” sprak ik streng, “dit is de laatste dag van uw triomf. Frisse monterheid zal mij vanaf morgen, of overmorgen, of de dag nadien, terug kenmerken. Kruip alvast in je hol.”
Dit wijs voornemen met zich meedragend, sleepte ik mij omstreeks half drie ’s nachts – voor de allerlaatste keer op een werkendag, zeker weten – eveneens naar mijn duistere nest. Vertederd luisterde ik naar de slaapgeluidjes van mijn partner. Hij ronkte reeds in het stadium ‘durfmenietwakkermaken… nee,ooknietvoordatte’, dus ontweek ik in alle stilte de voor het bezoek verstopte wasmanden, de stapeltjes om ooit nog eens op te bergen, het nog te repareren kleerkastspiegelpaneel en zowaar, het was me gelukt zonder geluid aan mijn zijde van het bed te geraken zonder hulp van lichtgeschijn.
   
Het is op dit punt dat ik wil pleiten voor een grondige analyse van uw bedinstap. Gaat u eerst zitten om vervolgens uw benen te laten volgen? Kruipt u met handen en voeten onder uw dons en ploft u daaraan gekoppeld languit in positie? U duikt?
Ik interpelleer u hierover in uw eigen belang, mijn beste. Er kan hier wat worden bijgeleerd en vooral vermeden.
   
Immers, uw zapnimf doet het via de-turner-aan-het-paard-methode : plant de rechterhand stevig het matras in en springt dan, met het onderlijf als een half schroefje in de lucht, hoepla, zichzelf rechtstreeks op haar rug de droomkosmos binnen. Misschien dat er nog net een zoen afkan aan haar voorganger. 
Inderdaad, ik ben mij ervan bewust, deze gang van zaken is ingewikkeld, neigt naar acrobatie en mag uitsluitend beoefend worden door ervaren bedlegerigen. Maar vooral! Probeer dit niet uit als uw hoofd aan kortsluiting lijdt!
   
Want dan zou dit uw deel kunnen worden :
Hand : “Waar is de matras? Ik voel niks! Waar is…aaah!”
Bekken : “Niks dat me tegenhoudt, waarom draai ik nog een kwartslag door?”
Rug : “Dit klopt niet. Help! Wat is dat? Een nachtkastje? Een afgebroken handvat van dat nachtkastje? Dat schrijnt! Dat boenkt! En waarom lig ik daar holderdebolder half op?”
Been : “Ik ben een spiegel aan het vermorzelen! Ik ben een spiegel aan het vermorzelen! Neeeeee, de spiegel is mij aan het vermorzelen! Doe iets! En rap!”
Ander been : “Er is niks dat ik kan doen, ik hang vast aan de bedrand! Ongemakkelijk!”
   
Deze apotheose van de dag ging gepaard met een gedonder dat de eerstkomende apocalyps ruimschoots zal overtreffen.
Moose klikte sneller recht dan een knipmes : “Zapzapzappie, wat is er gebeurd?!”
   
“O niks speciaals,” verklaarde ik vanonder brokken meubilair, blij dat ik de wekkerradio niet met mijn tong had meegeraspt, “mijn manier van verpozen als de helderheid me in de steek heeft gelaten.”
   
Fris en monter, het zal nog niet voor morgen zijn want mijn rug en gat doen zeer. Dat leidt de concentratie af.

In wezen zijn we alle vijf hoger opgeleid van inborst

  

   – “Vagina?”
– “Nee, dat klinkt te afstandelijk.”
– “Spleet(je) dan?”
– “Dan denk ik aan verkrachtingsscènes, laat het!”
We zwegen altegader, niemand die weten wilde wat Mme Zsazsa in haar eigen erotische tijd uitvreet in grotten en kloven op muren of waar zij ook kieren, scheuren, barsten mag tegenkomen.
   
– “Vulva?”
– “Zot? Dochterlief, was je vulva een keer… te medisch.”
– “Yoni?”
Het stuit op een universeel vomeergebaar, verstaanbaar voor doven en gehoorgestoorden.
– “Ik ken een kleine die zo heet. Die associatie wil je toch niet op je geweten hebben?”
   
– “Kut?”
– “Aaaargh, zwijg Leen, vroedvrouwen mogen van mij zo’n woorden niet in de mond nemen. Die moeten boven alle verdenking verheven worden zulke vulgariteiten te hanteren!”
Moeilijk mens, die Zsazsa. Het is dat ze van inborst hoger opgeleid is, of ze mocht buiten het terrein van de Huisvrouw haar ambities omtrent juiste woordkeuzes voor de intieme delen gaan waarmaken. Gekwalificeerd enquêteur, een kolfje naar d’r hand, als je het mij vraagt. Maar niemand die het vroeg dus de hoogstaande conversatie nam een verdere vlucht :
   
– “Gleuf-scheur-doos-muis-pruim-poes-snee-flamoes-voorpoep-schede?”
– “Er moet toch een woord voor bestaan dat niet kunstmatig klinkt?”
   
“Mijn foef jeukt,” kwam ik tussen.
   
De dames vertoonden plots een overdreven interesse voor hun mojito, de afgekloven limoenen en de deegrol waar eerder de ijsblokken door gemarteld waren. Dit zou duren tot de laatste druppel rum uit de kan in een bevallig keelgat zijn einde vond.
Wat later moesten de… euh… soort pannenkoeken met gehakt, een advocadopapsel en het groen eraan. Er bestaat vast een naam voor, maar welke ook alweer?
   
De korte tussentijd dat de mond ruimte liet, begon er iemand aan een astrant en overmatig marginaal verhaal. Zo droef dat we er een competitie van moesten maken om een collectief tranendal te mijden :
– “Drie keer? Vrouw toch! Proest. Zoveel jaar? O.M.G.!
– “Een kasteel? En waar precies zit het ranzig randje aan deze vertelling? O? Zonder verwarming en zonder water? Tjing tjing! Vijf pluspunten erbij!”
– “Ochot, de snoodaard! Dees is eel errug! Woewoeha! Dat mag dubbel tellen.”
– “Nog niet zo heel erg lang geleden zeg je? Tjakkaaa! Goed voor een bonus!
– “Maar gij deugniet! Ok, een halfke dan. Allez vooruit, nog een halfke.”
– “Wat een marginaal aspect! Voor mij ben je al gewonnen! Zeker weten.”
   
Het was een op voorhand verloren strijd voor uw zapnimf. Haar foef mag dan al jeuken, maar dat leverde haar amper een stijging in de top op.
– “Mijn vrijer is een jonkie? Ik heb al eens gewaterd op een meubelstuk van een ander?”
In plaats van punten kreeg ik boegeroep : “Flauw! Passé! Zwak!”
   
Als troost waren er gelukkig nog de éclairs van Chelone, mijn zelfbeeld en vier gave andere vrouwmensen.
Oef!

Bowling voor beginners

  

   ’t Is schemerdonker en half acht. Mijn hoofd nog vol vergadering. Plukjes hersenspinsel cirkelden chaotisch tussen de schedelpan en autodak. In die toestand bemerk ik rechts in de berm allerlei bedrijvigheid van fluo vestjes met een pet erop. Zijnde geïnteresseerd in de antropologische gedragingen van de arm der wet, kegel ik bijna een afgescheiden individu, eveneens behorend tot het korps, omver met mijn motorkap. Mijn ooghoek had zijn heftig gezwaai met de lichtgevende worst niet als dusdanig herkend. Het remgebaar dat erop volgde was navenant.
   
“Zozo, mevrouw rijdt sportief?”
   
Als hij ‘politie kegelen’ als een sport wil beschouwen… wie ben ik om hem tegen te spreken?
(Volgende keer ga ik voor de strike.)
   
Maar ik verbeterde hem toch. Ik zei : “Nee hoor, ik stopte enkel wat sportief, afgeleid door uw collega’s.”
   
“Ok dan, nog een prettige avond verder.”
   
Daar ging de clou van dit blogstukje!
Had ik nu maar durven toegeven dat ik toch tien km per uur te snel reed.
Maar – beschouw u als bemind – zoooooveel bent u me toch ook niet waard, beste bloglezer.

Schiet eens in gang!

  

   Plaats : klas
Wat : muzisch project, drama
Opdracht : Zo en zo en zo schuiven jullie die banken aan de kant.
   
Iedereen op volle toeren en niet behept met de gevraagde voorzichtigheid, sleurde mijn groepje als een vork over een bord de lessenaars naar hun staanplaats voor de komende uren. Settakit, onze Thai en sinds twee jaar op school, vond dat hij het verdiende om zich op een stoeltje neer te zetelen.
   
“Settakit, schiet eens in gang, jong!” overstemde ik het gekras.
   
Energiek veerde hij recht en zoefde de klas uit.
Mijn verbazing stond me niet toe hem tegen te houden. Ik keek verbouwereerd naar de deur. In datzelfde deurgat piepte drie seconden later een zwartharig hoofdje met de vraagtekens uit een stripverhaal erboven zwevend :
   
“Wat moet ik precies in de gang gaan doen, juf?”
   
“Probeer misschien eens ‘pang’ ‘pang’?” imiteerde ik een alert opspringende Clint Eastwood in een van zijn duels.
   
En ik noteerde in mijn ‘datikhetnietvergeet!’-schriftje : NT2’ers (Nederlands tweede taal) : werken aan figuurlijk spreken en begrijpen.

Tataaaaaa! (Zonnebril! Pak uw zonnebril!)

  

Na de vrij vreemde veruitwendiging van hun zelfgekozen kleurvereisten,
na de creatieve aanwending van de bompa die kan vloeren,
na een stressbestendigheidstest.
    
Tataaaaaaaaaaa !
    
    

  

(De twee andere muren… ook lila.)
   
We deden er ‘slechts’ anderhalve maand over, maar mini- en krulzap waren door het dolle heen (na drie weken grondslapen zouden ze dat bij ieder resultaat zijn) bij de eerste aanblik van hun nieuwe kamers.
   
Dat we hopen de pas aangeschafte pot donkermauve verf terug te vinden in de grote kuis van 2011 om het ladenkastje achteraan en nog wat accesoires en een paar bloempjes op de muur te schilderen, hebben we maar verzwegen.

Ikea, ook met vrachtwagenverhuur naar het schijnt

  

   – “Maar maar, gretige griet, ben je nu niet al te optimistisch bezig?”
– “Moosie-baby, laat mij nu maar doen, ik kan dat allemaal perfect inschatten.”
– “Toch vrees ik…”
– “Tutut, heb ik je al verteld over mijn verloren gegane roeping? Die van binnenhuisarchitect? Deze kast en deze kast en deze.”
– “Ik twijfel er geen moment aan, maar ik had het eerder over je verhuiscompetentie. En volumes berekenen.”
– “Wat is daar mis mee? Ik heb ooit nog het volume sneeuw op een dak moeten berekenen, mét het soortelijk gewicht van sneeuw. En nu gij weer.”
– “Mhoemoemoe-murmeltwatinhetijle”
   

   
– “Ik ga nu niet zeggen : Ziejewel, ik had het nog zo gezegd!, gelukkig ben ik zo niet.”
– “Moosieboesie, ik garandeer je, dat komt in orde.”
– “Oja? Zap, ik moet bekennen, jouw positiviteit kent geen grenzen… helaas.”
– “Stoeltje naar voo-oor, tapijtje een beetje opschui-ui-ven… Et voilà, je kan achterin!”
– “Wat voilà? Daar past net één bilkaak van mij in. Eén! Ik besta uit twee, plus eronder en erboven ook nog wat massa.”
– “O o o, is het zanikuurtje?” Hup met de geit en neem de rest van je achterwerk ook mee, zonder mekkeren.”
   
(Stomp-duw-wring- auw -, hoezo auw, je zit er toch in? – deurklets)
   
– “Gordel? Ik heb niet eens een zetel, die zit dichtgeklapt onder mij. ’t Is vandaag gordelloos.”
– “En jij denkt dat je het moeilijk hebt? Het stuur zit in mijn middenrif geklemd, mijn kin hangt boven het dashboard, ik moet de pedalen bedienen met een vierde grote teen, ik zit vastgeprangd met mijn dijen en ik kan alleen rechts rijden, want ik zie niks door mijn spiegels. Tjonge, jij bent de pasja en ik de flosdraad tussen zijn tanden.”
– “Wie wilde de kinderkamers een kleur geven? Daarna een nieuwe krukvloer? Nog even later nieuwe meubels? Al gehoord van oververwennerij?”
– “’t Was nodig. Oeoe, spreken doet zeer met dat stuur in mijn buik. De ruit dampt ervan aan. Hihihihi, giechelen gaat nog net.”
– “Mhoemoemoe-murmeltwatinhetijle”
   
(wring-trek-duw- auw -, hoezo auw, jij bent er al uit, help help! – deurtrek en moose valt eruit)
   
– “Ach man… het overdrijven is je toch ook op het lijf geschreven!” *hemeloogopslag*

    

  

  

Wraakroepend

  

   Als je elektriciteit in zijn totaliteit en onverwacht zijn geest geeft en dat na wat geschuifel met een kaars en de opdruk van de hoofdzekering terug opgelost is, dan haal je eens opgelucht je schouders op.
   
Als je twee dagen later in de diepvriezer tot je ontsteltenis nog enkel in brij, keuze uit papperig, waterig of smeuiig, kan graaien, dan zakken die schouders tot aan de waterspiegel, die van op de bodem in je onherstelbare frigokist.
   
Dàt is wraakroepend!

De bruid van God

  

   Al blies ik vorig blogstuk nog een potpourri aan blasfemie in geur en kleur, vandaag wil ik mij daarvan distantiëren.
Doordrongen van religieuzenissen, ons voorbije weekend. Kort samengevat : God, klein Pierke, wij in jeans… vieren en slempen.
   
Lang samengevat :
Mijn gemaal heeft een nicht. Een toffe nicht (dat is mij zo verteld). Een nicht die zaterdag plechtstatig en gewichtig door een echte bisschop (dat weet ik wel zeker want ik heb hem aangeraakt) godgewijd is. Best wel een droogkomiek, die Roger Vangheluwe. Met zijn werkmakkers, een ploeg priesters en diaken – zoek er nog drie bij en je kan een voetbalploeg beginnen, Roger – gleed hij in stoet de kerk binnen. De wierook nevelde kwistig door jongelui die hun grove motoriek vrij spel gaven met het potje. Vooraan het podium trok een stuk boomstam de aandacht. Hier heette dat ‘altaar’. Het koor gaf het beste van zichzelf en ik miste alleen nog het verdoken danshupje van een hoofdrolspeler. Ambiance!
   
Helemaal leuk werd het, toen wij, publiek ongeschoold in het toon houden, mee mochten preconiseren met de refreintjes. Moose bromde bas en ik piepte. Het laaide liefde, het ontwaakte gein en dit allemaal in vijf talen : Gott is nur Liebe, Christ be beside me, Als een heel zachte adem is je woord ons gegeven, Alleluia, Adoramus te Domine en J’aime j’aime la vie. (Al dien ik toe te geven dat deze laatste hit door ons ten berde werd gegeven in de auto op de terugweg.) De heupen wiegden, de schouders knikten ritmisch. Feest!
   
Terwijl wij uitbundig zongen, ging nicht op de grond liggen. Uitgestrekt en sereen. Ik vond dat griezelig, zo’n totale overgave op een koude kerkvloer. Iemand had tijdens dat deel een eindeloos lied geprogrammeerd. Een minder gemotiveerde mens zou al lang aan spierverslapping gaan lijden. Tot op het eind van de dienst, bleef ik gefascineerd staren naar de natte plek die haar adem gecondenseerd had op de tegels. Jaja, creëer een detail en uw zapnimf heeft het in de smiezen.
   
“Laat ik meteen gaan voor de allerhoogste,” moet nicht gedacht hebben en even later schoof de monseigneur haar een trouwring om haar vinger. Een huwelijk met God, die polygamist. Het is een keuze.
   
Moose ontleende autoriteit aan het feit dat het hier zijn nicht betrof. Er popte een superieur kantje uit zijn kraag :
“Aha! Als je mij niet had leren kennen, je had nooit van je leven een godswijding meegemaakt!”
Uiteraard waar, maar of hij daar veel verdienste aan heeft?
   
En die twee keer dat ik mij van woordje vergiste, siste hij me smalend ‘heiden!’ toe. Tsss. De klemtonen van een West-Vlaamse echtverbinding liggen gewoon anders dan een Antwerpse. Ik deed eenvoudigweg of mijn lapsussen een dialectische afwijking waren.
   
Hij zei het niet, maar ik zag hem uitdagend rondkijken en daarna ostentatief onze plunje monsteren. Waarna er zo’n grimasje op zijn lippen verscheen dat je met de schuurspons zou willen teniet schrobben. Deze praktijk vindt zijn oorsprong in onze eeuwige zelfde discussie :
– “Dit is West-Vlaanderen, ze gaan allemaal heel chique opgekleed zijn!”
(variaties : zich gedragen als een stijve hark/ durven niet (eender wat) want dan vallen ze op)
– “Scattie, je bent – hoelang is het ondertussen? Meer dan tien jaar? – uit die provincie weg. Wees maar zeker, ook daar staat de evolutie niet stil. Informeel mag daar nu ook.”
– “Wedden?”
   
Hij won. De twee enige spijkerbroeken in die kerk hingen aan onze taille. Temidden de hooggehakte zwarte laarsjes, de grijze kostuums, de donkere rokken en de brede ceintuurs waarvan ik nog steeds niet snap wat hun nut is, sprong onze blauwe denim in het oog. Ik troostte mij met de gedachte dat jezus het indertijd voor schooiers had en trok er mij verder niet veel van aan.
   
Zondag volgde dan het trouwfeest.
   
(Volgende gesprek in de auto :
– “Dit is West-Vlaanderen, daar wordt ook de baas van de vader en zijn collega’s uitgenodigd.”
– “Zot!?”
– “Wedden?”)
   
(Hij won.)
   
Een bacchanaal van eten en drinken, maar zonder dansen.
Spijtig, ik kan neig dansen in een jeans. Gelukkig maakten de koekjes veel goed.
En het volk ook. Al waren ze allen te deftig aangekleed.
   
Felicitaties aan de bruid/godsgewijde! Moge deze verbintenis je verwachtingen inlossen.

De fiasco van juf fantastico

  

    Uw zapnimf kantelt de laatste tijd wat onder de balen hooi op haar kookenetenvorkje, om de verhoudingen meteen vanaf het begin duidelijk te stellen.
Geen schuldige om af te troeven, want dat ben ikzelf. Kleinzerige ikzelf. En mijn voortvarend professioneel gekwebbel :
“Dat doe ik wel even.”
“Neenee, dat materiaal flans ik voor jullie in elkaar.”
“Kloklezen? Doelstellingen? Vergaderen erover met de tweede graad? Komt in orde.”
“Of ik die socio-emotionele vaardigheden en die toekaweek eromtrent wil uitschrijven? Startmoment, slotmoment, vierhonderd boekjes maken en nieten? Uiteraard.”
“Kijk, het opzoekwerk neem ik voor mijn rekening, ik lijst een aantal spellen op, maar dan moet je er wel in de klas rond werken.”
“Jaja, tegen gisteren!”
   
Wil ik indruk maken op iemand? Ja.
Wil ik mij beter voordoen dan ik onder het oppervlak ben? Ja.
Wil ik doen uitschijnen dat ik juf fantastico ben? Ja.
   
Goed, maar dat wil ik allemaal al jaren en nog nooit kwam ik in de buurt van de leerkracht zoals hij in mijn functieomschrijving uitgeschreven staat. (Dan moet je daadwerkelijk hyper, super en perfect zijn. En een eenzame ouwe vrijster.)
   
Het zit zo. Mijn collega zorgcoördinator beleeft spannender tijden dan je iemand toewenst. Haar mans leven heeft de afgelopen maand al meer keren aan een zijden draadje gehangen. In een steriele kamer wacht hij na de chemo op stijging van zijn witte bloedcellen. Bezoek krijgen (lees : ziektekiemen) is niet evident, ook niet van zijn vrouw. Die zoekt op school nog afleiding om niet hele dagen hoeven te piekeren.
Wat doet een zapnimf dan? Die probeert haar een beetje te ontlasten en neemt wat extra taakjes mee naar huis. Allemaal leuke inventieve werkjes. Rekbaar tot in het oneindige. Het oneindige betekent in mijn geval dat ik de laatste weken het eerste deel van de nacht nog heb mogen meemaken. Hoera voor de nieuwe laptop en zijn chique versie van word!
   
                                                                                             retreyuoeruri
                                                                                     lqsdjfoariuenvdsjfzoierja
                                                                                sdfjvvnvlqldlffoqzejvnnvlqkefizlsdi
                                                                            dfqsdlfa^^^v,fmaoraùa555mdskfv,pppp,v
Gisteren echter, kreeg ik dit :                               dfnvvnlaakaeazme,dcfo,cpqsjpfrjazeirjazejrpj
                                                                      fkvnmrjazoiuràu’&spijf”a)çr'(çufpg,jfv,zk,dv  vùqùqaù
                                                                         ifjqson,cosvnqpfjzoaijeràajelkdsfon,fciàjtreo
                                                                           llidjfnv novez’rhja’àrjfsnkvnskaljnfoazrhjl
   
Te wijten aan iets met voorhoofd, toetsenbord en slaap. Dit alles voor half negen ’s avonds.
   
Het moet van voor 1975 geleden zijn, maar uw zapnimf lag in de vroege avond reeds in de armen van Morpheus. Tevens lang geleden, de tijd dat ik nog borstvoeding kreeg ofzo, maar uw zapnimf ontwaakte om half vijf, geholpen door een wekker want de typklus moest uiteraard wel tot een goed einde gebracht worden.
Takketakketak takketakketak… mijn energie bruiste, stoomde en kolkte. Als je met dynamiek kon bakken… vijf taarten! Wat zeg ik? Tien taarten! Met fruit en zo’n schabouwelijke foto van een zuigeling erop en een kader van toefjes slagroom eromheen! Voor honderd man!
   
Tot de batterij plots ‘ploef’ zei. Ik keek naar de elektrische kabel (naast mij op de grond, duh-uh) alsof al die vlaaien tesamen in mijn aangezicht werden gesmeten. Pleite, al mijn ongesavede lijnen denkarbeid.
Om mijn mond het krijsen te verhinderen, stak ik er alras een sigaret in en onder een duistere carport gebruikte ik de eiken balken als stootkussen voor mijn kopkruin.
Zelfmutilatie voor niks. In tegenstelling tot de oude – weg is weg – pc, bleek de deze na heropstarten op elentriek toch op je vorig scherm terug te komen. Ik voelde de bloedstromen weer op gang komen.
En ’t ging vooruit.
’t Ging vooruit. 
Het ging verbazend goed vooruit!
   
Tegen zevenen, als de zapclan een ontbijthap kwam wegmoffelen, triomfeerde uw zapnimf haar laatste alinea in d’r gmail. Op school zou ze dit dikke bestand, nog voor de schoolbel tingt, afprinten (veel printers ten huize zapmoose, maar geen enkele die doet waarvoor hij gemaakt is) en verspreiden onder de confraters. Gadseminéé, wat was ze toch geweldig!
   
Welke fratsen ze ook uithaalde met opslaan en afdrukken, computer says no.
Zacht aaien, bezeten rammen : computer says no.
Zap says : “Aaaaaaaaaargggh!”
En : “Godverdoeme!”
   
Lichtelijk uit mijn hum liet ik een briefje achter in het pc-lokaal aan de ICT-kerel :
“Nen verpletterende uppercut voor diegene die ervoor gezorgd heeft dat ik mijn bestanden niet kan openen, laat staan afprinten! Ik zit hier vanaf achten te klungelen, straks wurg ik iemand!
Oja, David, mijn mail staat nog open, wil jij eens proberen…?”
   
David gaf me nadien mijn muilpeer terug : Zaptrien, jij hebt dat in een nieuwere versie word (docx) thuis getypt, ons ouw krel herkent dat niet. Sja, spijtig, afdrukken zal niet voor vandaag zijn.
   
Ik weet niet meer wat, maar toen deed ik iets theatraals.
En morgen ga ik een printer kopen.

Biecht en boete, een zoute en een zoete

 

   Is dat u ook al overkomen?
(Zeg ja! Zeg ja!)
   
Verteerd door schuldgevoelens.
Al is ‘verteerd’ in deze setting niet helemaal op zijn plaats. Het metabolisme kreeg klappen te verduren.
   
Het is vrijdagavond. Je zit met collega’s op een zonnig terras de laatste restanten werkstress te veraperitieven. Een sms’je van je geliefde bevestigt dat hij die avond inderdaad nog verplichtingen heeft tot na negenen en dat hij zichzelf wel ergens een broodje zoekt.
   
“Wat zal ik vanavond eten?” vraag je jezelf af uit eigenliefde. In dit thema blijvende, passeer je simultaan een kippenkraam langs de kant van de weg. “Een halfje voor hem en een halfje voor mij.”, loop je over van kwijl en genegenheid. Lieve attenties, het ontbreekt er mij niet aan. Verwennimf is dan ook mijn tweede naam.
   
Maar zover is het nog niet. Alleen gezeten achter een opgewarmd kieken, durft een mens zijn zin voor etiquette wel eens vergeten. Domesticatie blijkt een loos begrip, beschaving onbestaande. Je valt het beest aan en verscheurt het, krokante vetdruipvelletjes springen als vanzelf in je mond, het nekje peuzelen brengt je in extase, een witte malse bil dwingen je smaakpapillen tot bekentenissen : ik wil meer! Ik wil meer!
   
Je concentreert je op het aflikken van je vingers, maar je blik dwaalt af naar de zak half kiek. Je steekt de laatste boterhamkorst met saus achter je kiezen, maar je goesting beukt genadeloos op je in :
“Pak het dan!”
“Wat niet weet, niet deert!”
“Trouwens, ’t is jouw beest, jij hebt het gekocht.”
“Hij heeft immers genoeg aan zijn Frans brood.”
“Wedden dat hij niet meer wil?”
“Je bewijst hem een dienst, wie wil er nu tegen zijn zin eten?”
   
Hapschrokslik. Daar verdwijnt – burps – zijn bil in je slokdarm.
Volgevreten leun je achterover en je aanschouwt de ravage. Afgekloven beenderen, bovenkledij die sporen draagt van het gelag, vettige tengels en een maag die tot aan je keel reikt.
Groot probleem! Dilemma!
Zelfs de gematigd begaafde teller weet dat er nog een rug ligt te wachten op degustatie. Eén rug. Eén rug waarmee je nu niet meer kan afkomen : “Schat, ik heb een rugje voor je overgelaten. Ja sorry, de rest heeft zich hinkstapspring in mij verschanst.”
Of : “Het was een gehandicapt kieken, lieverd… een driekwart, poot geamputeerd.”
Neenee, er zat niks anders op, het overblijvend vlees moest en zou ook nog kauwend verwerkt worden. De straf van de gulzigaard.
   
Als was je een crimineel, ieder beentje, ieder relict, ieder geurspoor moet vernietigd worden. Raam open, zakje pluimveekraam in een krant gedraaid en onder de laag koffiedik in de container verstoppen, zo doe je dat, je vrijer bedotten. Daarna heb je nog net de puf om tot aan de zetel te waggelen met het voornemen om er de eerste vierentwintig uur niet meer uit te komen.
   
Wat nu volgt, is helemaal complete verstandsverbijstering. Of vrouwelijk. Met het verstrijken van twee halve uurtjes, krijg je genoeg van die zoute nasmaak in je mond. ‘Compensatiezoet’ zeemt het in je onmogelijke spijsvertering. De rede brult : “Zwakzinnige zot!”, maar helaas, al één vrouw gekend die naar de rede luistert?
   
Kent u zo’n megapak mellowcakes? Ja?
Kent u de ezel en zijn steen om aan te stoten? Ja?
Kent u dat gevoel dat slechts een haar verwijderd is van het daadwerkelijke overgeven?
Om een volslagen catastrofe te vermijden, verberg je de drie laatste chocoladetetten in de deur van de koelkast achter de mosterd. Ondertussen ben je het eens met de hele schare lezers die, als ze dit lezen, met hun vinger tegen hun voorhoofd tikken.
Je gaat dit geheim mee in je graf nemen.
   
Als je betere helft thuiskomt, zie je hem stiekem (wel) drie omhulsels van chocoladerepen in de vuilbak werpen. Aha! Opluchting! Je bent niet de enige smiecht in de familie. Tijdens de voorbereiding van een afleidingsmanoeuvre mompel je algauw iets onhoorbaar waarin de woorden ‘ook iets bekennen’ voorkomen en je komt er niet meer op terug.
Naarmate de avond vordert, krijg je wel duidelijk over je lippen : “Vanavond niet, schat, ik voel me niet heel erg lekker.”
   
Je hoopt op het mechanisme van overspel : de partner is de laatste die het te weten komt. Dan formuleer je je biecht in een blog, omdat je zo’n eerlijke sukkel bent. Tegelijk hoop je dat hij het te druk heeft om je te lezen.
   
Zo niet…
Zoenzoenzoenzoenzoenzoen, lief! Ik zal het nooit meer doen!
   
O. Nu je er toch bent, ik moet nog iets vertellen.
Ik reed vanmorgen in de straat achter ons, die smalle…