Simpel als poep, net als kraak(je de pluimstaarttoef)

  

zapnimf1kleinlichtroze-op-paars   Geen plek meer vrij. De zon had zich dan ook gegoten over het terras.
Uw zapnimf met haar gemaal zo dood als een steen (nog niet, maar bijna – jaja stilaan, bereiken wij de status van fietsers waar het doorwintert) en (toch) zoekende naar een lesser voor onze dorst.
 
Hoe zuchtig van gemak toch van ons om de minst weerbare bevolkingsgroep in een vorsende blik van het oog hen nijdig als pis te maken. Dat lukt altijd met die ouden van weekdagen. Nochtans, wij smakten enkel zo ruchtig luid wijl zijn aan hun ijsje likten. Verontwaardigd zochten zij naar een oord om toe te vluchten en keken zij ons zo lelijk als foei aan.
 
Moose en ik trokken ons daar niks van aan en pikten de verworven zitmeubelen in. De gefietste kilometers zaten in mijn benen, dus legde ik mijn benen op mooses schoot in de hoop dat ze verder wilden geleiden tot in iemand die de vermoeidheid beter kon verteren.
Geholpen door de ‘water in mijn kelder’ broek, streelden de handen van mijn wildste droom in werkelijkheid mijn enkels en kuiten. Die doen dat automatisch als ik ze dicht genoeg in de buurt duw.
“Ha! Lieverd!”, loensde ik zelfingenomen, “zacht hè? Vanmorgen met het scheergerief erover gevlogen. Speciaal voor jou! (wat slechts een tikkeltje gelogen is, ik kon er zowat een Donna Summer kapsel in vlechten.)
 
Hij schonk mij zijn allerliefste glimlach. Die ene die kalmpjes verschijnt en dan transformeert tot een sabel : “En ook speciaal voor mij dit toefke wollig vergeten te plukken? Hier achteraan je been?”
 
Mijn sexy mood daalde terwijl mijn ogen ziende waren.
Tijdens de rit terug naar huis voelde ik grimmig hoe toefke telkens tegen de kettingkast streek. Ie-de-re trap!
En ik bedacht dat er veel te veel samenstellingen bestaan die nergens op trekken.
Ter afleiding.

Wie zegt er dat die van het onderwijs altijd klagen?

  

zapnimf1wit-op-donkerroze   Toet toet. Boing boing.
Kokki en Peppi.
Peppi en Kokki.
Allebei heppie
Meneers van inspectie.
Peppi een eitje.
Kokki kwaadaardig.
Vier dagen lang!
 
Toet toet. Boing boing.
Kokki en Peppi…
 
Neergestreken in onze educatieve biotoop. Eisend dat ieder woord gestaafd wordt met een document. Maar overbodige planlast? Daar mag je van hogerhand tegen strijden. Tot lagerhand je met de grond gelijkmaakt als je niet meteen kan bewijzen dat kind A een gepersonaliseerd traject aflegt.
Of je even alle raden wil opsommen en wie zit daar dan precies in? Naast oudercomité met ouders, een feestcomité met ouders en leerkrachten lijkt er ook nog een plaatselijk comité van het schoolbestuur te bestaan bevolkt met ouwe draken die niks met de school te maken hebben, een pedagogische raad en een ouderraad met leuke gecoöpteerden! Toftof! En kleur dat dat geeft aan onze manier van lesgeven als je dat wél weet.
 
Dit samengevat relaas is van horen zeggen, want uw zapnimf is slechts één dag gemeenschappelijk aanwezig met Peppi en Kokki. Vrijdag jongstleden. Een vreugdevol toeval heeft de lijnen van hun agenda op die dag toegespitst op gesprekken met collega’s.
 
Mijn taak vrijdag?
De klassen van de op gesprek zijnde confraters opvangen bij de zandbak en de speelplaats.
Van 8.50 u tot 15.00 u gezellig in het zonnetje met een mede-oppasser keuvelen, gezeten op de kant van een ministrand.
Goh, d’r zijn ergere manieren om je geld te verdienen.
 
Leve Peppi en Kokki!
Behalve als ze willen terugkomen.

Aarzel niet! Word de nieuwe gebuur van zapmoose!

  

zapnimf1kleindonkerroze-op-paars   Het oprukkend bouwsel liet ons het voorbije jaar toe ongelimiteerd te fantaseren.
Werd het een bejaardentehuis? Het grootste tuinkaboutercentrum ter wereld? Een landingsplatform voor F-16 vliegapparaten? Een crèche voor high-societywezen? Een magazijn voor opgezette mammoeten?
 
Hoe voortvarend in richtingloos gespinsel toch alweer van uw zapnimf.
Niks van dit alles.

buurman_001knip
 
  

U KUNT GEWOONWEG MIJN GEBUUR WORDEN! (vierhonderd meter rechts in ’t straat) Wat een buitenkansje zeg!
Dan komt u bij mij koffiedrinken en zal ik bij u komen zwemmen.

buurman_009knip

buurman_011knip

 

  
U mag het eendenkroos in onze vijver bewonderen en dan zal ik als tegenprestatie een keertje in uw jacuzzi komen pauzeren.
Tof! En in de herfst planten we die doos bloembollen van de Aldi in mijn tuin.
 
WAAR WACHT U NOG OP? Deze kans kan je toch onmogelijk laten liggen?
 
Maar euh… ik help alleen maar mee met gras afrijden als je je zo’n tractorgrasmaaier aanschaft.
 
Watte crisis?

buurman_003knip

Waar is toch dat zebrahondje voor?

  

zapnimf1kleindonkerroze-op-wit   Vandaag pakken we het ervan.
De drie L’s vragen aandacht : lui, lamlendig en (ik wil een) lolly!
In plaats van u zelf te ontroeren, wilde ik het deze dag overlaten aan Susan Boyle. Zo dacht ik. Maar die griet rijdt al overal rond op ’t internet. Doorlopen dus.
 
Een pasklare vervanger dan. Wel een leuke. En zou ik een messenpuntje geleerd willen doen, dan zou ik verwijzen naar de mondegreens van De Gentse Zwijger en mij interessant kunnen maken met een variant ervan : het opduikende Nederlands in vreemde songteksten. 

 

Keutelachtige ingeving met vellen

 

zapnimf1kleinlichtroze-op-donkerroze   Yeah yeah yeah.

Je ziet scheel van de honger.
Alleen de gedachte aan die twintig euro die je al op zak hebt gestoken, weerhoudt je ervan om de eerste de beste voorbijflanerende flurk van zijn rookwaar te beroven.
En dan krijg je je meest keutelachtige ingeving sinds die keer dat je dacht dat loopplanken op vijf meter hoogte niet konden krakken : “Laat ons een fietstochtje maken, schat. Voor mij ligt zo’n knooppuntenkaart. Ik brouw wel een toertje in elkaar.”
 
Vierenveertig kilometer later, tel je de vellen die nog aan je staartbeen hangen.
 
Ziehier : De rondgang doorheen dorpen waar je de boerenstiel nog kan ruiken. Of toch een halfje, want toen zeiden de batterijen van het fototoestel ‘njet’. De straatkapelletjes met Maria verbeeld je je er maar bij.
(Die broebel in het midden is een zapmoosespiegeling die een hart moet voorstellen terwijl de beesten het water kwamen verstoren.)

fietstocht-omgeving

Zapnimf in de mist? De anti-rokersmist!

  

zapnimf1kleinlichtroze-op-wit   Maandag.
In mijn hoofd ben ik vanaf nu bijna niet-roker. Nog anderhalf pakje te gaan. Anderhalf pakje mentale oplading. Nog dertig keer mezelf ‘yuk’ en ‘bah’ toewuiven bij het opsteken van iedere stinkstok. Velerlei onwelriekende adems reminisceren. Gele vingers detesteren. De schaamte heroproepen bij het halfjaarlijks tonen van mijn onderste gebitsbinnenkant aan de tandarts en haar ‘Tssssss’ opnieuw hoor-voelen, hoe dat ene geluidje erin snijdt. “Tsssssss… cafeïne, nicotine?”
Helaas vooral ook verkeerdelijke indoctrine. Onbewijsbare stellingen over de combinatie gezelligheid-communicatie en hoe daar meerwaarde aanzit als er iets aan je mondhoek bengelt. Het uitlachen van die ene collega die op vijf meter potsierlijk met beide handpalmen frisse lucht wil scheppen als hij in de buurt van het rokershol gluipt (want het is een gluiperd!).
Enfin. En een rekensom leert mij dat ik jaarlijks tweeduizend euro rijker zou blijven : een poetshulp, een uitheemse vakantie, jezelf onbeteugeld op de boekenbeurs loslaten…
Euh… een bedelaar vooruithelpen in het leven. De belastingen blijmaken. Mensen omkopen die het stil moeten houden dat ik zogezegd gestopt ben met smoren.
 
Dinsdag.
Nog net genoeg saffen om woensdagnamiddag te halen, uw zapnimf geraakt stilaan in de piepzak. Ze deelt haar voornemen mee aan een rook-vriendin die haar betweterige buurvrouw wil ontlopen en bijgevolg mijn tuin heeft uitgekozen om in te gaan liggen. Vriendin lacht net iets te hard. Ik damp net iets te veel.
 
Woensdag.
’s Middags pretendeer ik alsof er nog steeds niks op til is. Ik maak mezelf wijs dat die sigaretten waarlijk vies smaken. En steek er nog een op. En nog een. Laat het vooruit gaan. Tegen mijn zin laat ik de allerlaatste beschikbare branden. Ik inhaleer en blaas. Zet de gedachten bewust op stop.
Niemand die het weet, ik zou nog vlug de Colruyt kunnen binnenwippen… Naah. Gedaan met repeteren. Voor echt nu. Ja? Zeker? Ja.
Eey, ik ben al een kwartier gestopt!
 
Donderdag.
Het bewijs is geleverd. Ik woon in een commune waar niemand interesse heeft voor zijn medebewoners. Moose noch de vier zaps hebben ook maar iets in de gaten. Sinds gisteren 16.00 u ruik ik naar roosjes, ruft mijn bek niet meer, verdwijn ik niet meer ieder kwartier naar buiten en moeten ze het zonder mijn rokershoestje stellen. Even wordt het nog spannend, als ik na het avondeten meteen naar het ziekenhuis (onze pa) wil vertrekken en zij veronderstellen dat ze nog één sigaret de tijd hebben om te lummelen. Maar niemand die het uitspreekt.
Ik speur naar afkickverschijnselen, maar behalve de goesting om met een broodmes onze katten te scalperen, vind ik er geen. De cold turkey van Pall Mall is niet echt om over naar huis te schrijven. Heldhaftig vechten tegen koppijn, trillende vingers, verborgen verleiders… het is duidelijk inflatie in het heldendepartement.
Of misschien toch één vergeefbaar blaampje deze dag : ik zoek en vind roltabak van over de honderd jaar oud in moose zijn jas die hij vandaag uitzonderlijk niet draagt. Zei ik al dat mijn zelfgedraaide shaggies nog meer zuigen (anti-betekenis) dan mijn kookkunst? Ach kom, die vier trekjes aan iets dat zelfs niet benoemd kan worden als sigaret, die vergeef ik mezelf.
Mijn moeder herkauwt een item over fijn stof dat ze op televisie heeft opgevangen en dreigt met een schuddende wijsvinger. Ik zwijg. Iedereen zwijgt.
 
Vrijdag.
Goesting. In eten. Het spijtige van de zaak, is dat ik ook de overdaad aan calorieën tegelijkertijd heb verbannen met de rook. Hoe stom kan je zijn? Of ik ben niet-roker in mijn blote (omdat er dan niks meer past) of ik ben niet-roker en tevens voedselonthouder.
De jas is samen met de toebak naar mooses werk vertrokken. Klote.
Nog steeds niemand die mijn eenmansintoming appreciëert. Wegens nog steeds niet opmerken. Als ik mijn gouden jubileum vier met moose, zal ik hem wel inlichten dat ik ooit te kampen had met een verslaving, hij mag dan raden dewelke.
Ik wil nog steeds niemand vermoorden, maar de drang komt toch opsteken. Wanneer zal ik een halve dag niet aan roken denken? Hoe zal mijn actieplan verlopen als ik me weerom tussen doempend volk beweeg. Jee, ik ken veel doempend volk. Veel meer dan goed voor me zal zijn.
 
In een boekske las ik een geweldig woord : verkwanselen.
Uw zapnimf is toch een heldin. Zoveel druk op zichzelf richten. Als het haar niet lukt, dan is haar geloofwaardigheid verkwanseld.
Er is er al zo eentje ooit de mist in gegaan. Dat was te wijten aan een karakterstoornisje. Helaas heeft ze daar een heel gamma van.
 
Amehoelamijntroela zeg!

Jezus verrees een beetje kramakkelijk, uiteindelijk

  

zapnimf1kleinlichtroze-op-paars   In de periferie van het blogepicentrum registreert mijn dolend gezichtsveld allerlei lieflijke tableautjes van snuisterende kinders, paashazen in hun gekleurde aluminiumfolie die vanuit de takken van de bomen in hun statische vuistje giechelen om zoveel zoekpret op de begane grond. Portretten van een overdosis geglunder op -tig chocoladesmoeltjes en wie erg ijverig is in zijn paasschetsen, durft op zijn fotostek ook nog zo’n gedekte tafel vol lentegroen en zachtgekookte eitjes ertussen plooien, net zoals in de boekskes, waar niks van al dat gerei buiten de lijntjes van het groen-geel palet mag kleuren om het beeld niet te bezwaren. Jaja peis in overvloed bij de huisjes weltevree. Jezus knipoogt en ziet dat hij rustig kan verrijzen, ’t is allemaal onder controle.
 
Had je gedacht.
Genoeg gezeverd. Weg met die zever in pakskes. Volksverlakkerij!
De waarheid nu.
 
Al vanaf februari lonkten die paaseieren me toe vanuit de winkelrekken. Hoe verleidelijk ook – naast schandalig, maar dat debat heropenen we wel weer in september bij het verschijnen van de eerste kerstmarkten – ik ken mezelf en blijf er met mijn fikken vanaf, twintig kilo chocolade is zo binnengewerkt. Het werd dus een gebiologeerd kansberekenen nog een voorraadje in te slaan vooraleer de andere consumenten het laatste ei voor je neus wegkapen.
Een kleine week voor Pasen greep ik in de laatste bakken van de Aldi mijn kleinnood aan snoepgoed mede.
Helaas kende ik mezelf toch nog niet goed genoeg want een week is ruim voldoende om toch nog twee zakken te laten verdwijnen in, laat ons zeggen, de laatste tussenstop tot de toiletpot. De extra ingelaste winkelbeurt bracht geen soelaas, alles op, leeg en weg.
 
Voor alles – uitstapjes, gezelschapsspellen, meehelpen in huis – vindt dat gebroed zich te groot, maar paaseieren hohoho, “Die ga je toch verstoppen hè mama?”
Ervaring leerde mij ooit dat de avond voordien die ondingen wegmoffelen niet voor herhaling vatbaar is, tenzij het misschien paashazen met statische vuistjes in gekleurde aluminiumfolie betreft, want mijn gave eieren keerden terug als vochtuitslagschimmels.
Eén uur op voorhand hun dessert voor de volgende drie weken verbergen, was al even erg. De zon brandde er onsmakelijke gaten in.
 
Zondag geschiedde hier ten huize zapmoose, geleerd door het verleden, dus iets zeer spontaans :
“Owkeey mannen, nu gaan jullie spelen bij de buren en ik bel wel als we klaar zijn.”
 
Moose sloop als een karikaturale inbreker op zijn tenen doorheen de tuin, massa’s eieren zoek te maken. Ik liep er al even belachelijk achteraan met een notaboekje : “Vijf bruine bij vijver. Vijf witte linkerkant klimop. Vijf bruine rond terras…” Die keer dat na twee dagen de chocoladesaus van de luster naar beneden drupte, blijft dit geheugen teisteren. Je vraagt je af waarom. Er hangen geen lusters in de hof.
 
Mijn engeltjes werden ten velde geroepen en het fototoestel lag binnen handbereik. Laat komen die uitstulping van samenhorigheid. Daal neder ; vreugde, dankbaarheid en ritmisch huppelende hartjes van verwondering… Ik fladderde mijn onderarmen er al prematuur van in de lucht, kwestie van overschotten positieve emotie te ventileren.
 
– “Afblijven! Ik heb dat wit het eerst gezien!”
– “En dan? We gaan die subiet toch verdelen.”
– “Wat zou dat geven als er zo’n ei uit een klok valt? Zo? (Kletst er een kapot op iemands achterhoofd)
– “Maaaahaaaaaa! Die stinkerd heeft mij geslagen en nu hang ik helemaal vol!”
– “Ge moet daarvoor niet stampen hoor!”
– “Ik heb er nog maar drie en jullie al vijf, dat is niet eerlijk!”
– “Kunnen wij daaraan doen dat jij niet uit je doppen kijkt?”
– “Niet duwen! Niet duwen! Pastnutocheensopjong!”
– “Ben ’t beu. Trek jullie plan.”
 
Moest ik een paashaas met een statisch vuistje in gekleurde aluminiumfolie gehad hebben, hij zou het laten kletsen hebben.
Op de poep!

“Geef me een steunpunt en ik beweeg de aarde” zei Archimedes

  

zapnimf1kleindonkerroze-op-wit   Mijn haarsnit waande zich de tweelingzus van het kapsel van Bert Gabriëls. Even futloos en vettig.
Geen erg, want dat paste uitstekend bij het teneergeslagen tafereel waarin ik verzeild was geraakt : aan een terrastafel koffie nippend met mijn depressieve vriendin. Opdoffers in de amoureuze, familiale, huishoudelijke en financiële sector waar zelfs geen olijkerd als ik tegen opgewassen was om haar gewoonlijke goedlachsheid terug boven te halen.
Zelfs haar balkon werd meegesleurd in de algemene ondergang. Ze bekloeg zich over de kapotte parasol, de bemoste tegels en de planten die feilloos aanleunden bij haar gemoedsstemming :
“Zie die bamboe daar in die pot, die is er nog erger aan toe dan ik!”
“Welneen jom, dat is een normaal winters verschijnsel, die komt er helemaal weer bovenop.”
Peut peut. Verkeerd antwoord.
Want plots hervond ze haar energie en wilde ze meteen die biologische ruifknakker van haar openluchtplekkie verwijderen.
“Die blaadjes gaan onder de tegels een smurrie veroorzaken die de afloop verhinderen en voor je het weet zit de onderbuurvrouw met een lek in haar slaapkamer. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben. En jij bent er nu toch.”
 
Alvorens te juichen om haar nieuwe levensdoel – dat laatste zinnetje bezorgde me tevens kippenvel – wees ik haar toch nog op enkele eigenschappen van het door haar geviseerde plantengoed : hij woog minstens tachtig kilo (visualiseer een megametsersbak met daarin anderhalve meter bamboe), de kluit was door en door verzadigd met alle regenbuien van de afgelopen maanden en ook een klein detail, ze woont op een tweede verdieping.
Vervolgens schakelde ik ongebreideld over op koetjes- en kalfjestalk : “Mijn haar moet dringend gewassen worden. Een Toyota Aygo Car Dance heb je al vanaf 10 190 euro, mét ecologische federale overheidspremie er bovenop. Wist je dat vier procent van de bevolking in Moldavië Gagaoezen zijn?” Maar die laatste had ze gemist want toen was ze al bezig met een zeil uit haar garage te oogsten.
 
“Eerst kiepen we die bak modder om op het zeil en halen de pot eraf.”
Zij vond de rottende kluit naar ‘zee’ rieken. Ik zou eerder gewag maken van ‘alle bemesting samen van alle akkers uit het goorste agrarische gat dat Vlaanderen rijk is’, de stank sloeg alles, maar toch vooral mijn verfijnde reukorgaan. We graaiden met blote handen in de drek om de wortel van overtollig gewicht te ontdoen. Helaas, na dat onbegonnen werk woog hij nog steeds meer dan een gemiddelde volwassene.
 
“Dan rollen we hem volledig in het doek en kiepen hem over de reling.”
Ik stond verwoed ‘time out’ te gebaren met mijn strontscheppen. “Hoezo, we kiepen hem over de reling? Jij bent je ervan bewust dat daar twaalf meter lager een straat ligt?”
De zieligheid had plaats gemaakt voor commanderen : “Zeg mens, zo doe ik het ook met mijn kerstboom, angstpaashaas! Komaan! Heffen!”
Veel beweging kwam er niet in dat struikgewas verpakt als lijkzak.
“Plan b : haal ik toch effe de buurman erbij!” en weg was ze.
Uw zapnimf bracht die lege tijd door met schietgebedjes. En ze hielpen. Buurman liep om acht uur ’s avonds al in pyjama, pasgeschrobd vanonder de douche. Gelukkig had ze nog voldoende decorum om hem in deze staat van pasgewassenheid niet aan de rottende odeur bloot te stellen.
 
Als ik dacht daarmee opgelucht te kunnen ademhalen, had ik het aardig mis.
“Nog één keer proberen, we nemen dat lastpak vast als een boeleke.”
“Ik weet niet wat gij, maar mijn reuzenboeleke woog tenslotte ook maar vier kilo driehonderd hoor!”
Tegen de verwachtingen in, lukte die stunt ons ook nog. We schuifelden naar de rand van waar het allemaal moest gebeuren. ‘Moeizaam gaat ook’ leek ons op het lijf geschreven te zijn…
 
Ineens ging het supersnel. Geholpen door een steunpunt en het hefboomprincipe, zwiepte het ingepakte gevaarte de dieperik in.
 
Verbijsterd bleef ik plakken op mijn plaats. Verbijsterd met open mond.
“Bahbahbah, sputterde mijn vriendin, er is vettige drab op mijn mouw terecht gekomen.”
En dan kreeg ze mij – verbouwereerd standbeeld – in haar vizier.
“Whaaaaaaa whaaaaaa haaahahahahahahaha! Jouw gezicht! Jouw nek! Jouw arm! Jouw mond! Jouw haar! Proest proest! Ik pis hier in mijn broek van het lachen! Moehaaaa!”
Uw zapnimfs rechterhelft volledig bescheten door kakgeurende modder. De klodders viezigheid in het haar, de kwakken droesem drupten van haar wang. Ik tufte onaangename vloeistoffen uit en mompelde : “Ik vond je toffer toen je nog gedeprimeerd was.”
Daarna brulde ik uit beleefdheid luidkeels mee.
 
Wanneer we eindelijk naar beneden durfden gluren, konden we een vuilwaterspoor volgen tot aan de overkant van de straat. De auto van de buurvrouw overspat met prut wat voor opnieuw aangewakkerde hilariteit zorgde :
“Dat zal haar leren… haar vent ontieglijk vroeg de badkamer insturen…”
 
“Wat ben ik blij dat je langskwam, ik ben weer helemaal opgekikkerd sè.
Kijk niet zo geslagen hond-achtig
Je haar moest toch gewassen worden.”

Ook Tibetaanse geestelijke, endemische plantensoort op Hawaï, een Corsicaanse en Spaanse gemeente en één stuk van Nederlandse improvisators

  

zapnimf1kleindonkerroze-op-wit   Het was 25 augustus 2008.
Uw zapnimf liet haar gêne achter de hoek en durfde in het landelijk dienstencoöperatief binnen te stappen en vroeg om poetshulp voor enkele uren per week.
 
Na zeven maanden absolute stilte van hun zijde, kreeg uw zapnimf een telefoontje dat kuisbijstand onderweg is. Het ontbreken van een bushalte voor de deur en wonen in de brousse werden als wachtreden meegegeven. De papieren zouden worden toegezonden. De mevrouw aan de helpende hand zou nog contact met mij opnemen. Ze heet Lama.
 
Maandag vond ik tussen mijn stapel nog-te-verwerken-administratie-en-voor-deze-rekeningen-ben-je-al-te-laat een ongeopende brief. Oeps, info en een contract over de poetsregeling.
– Getekend terug te bezorgen voor aanvang van de daadwerkelijke actie.
– Inschrijven en dienstencheques aanvragen en betalen.
– Gelieve het juiste aantal cheques klaar te leggen op voorhand. Indien niet in orde, mag je € 24 per uur ophoesten.
 
SCHRIK!
 
Jeee, dat werd een paniekbericht van mijnentwege naar de dienst. Nog drie dagen en ik had nog niet gehandeld. Ik zou al arm zijn vooraleer er een borstel aan te pas kwam! Vier keer 24 euro? En mijn ‘guanaco’ had ook nog niets laten weten!
“Maak u maar geen zorgen, Lama zal u daags voordien bellen en die boete is enkel als er herhaaldelijk inbreuk op wordt gemaakt. Via de site kan u zich inschrijven. Het wijst zichzelf allemaal uit, heel simpel.”, stelde een lieve Veronique mij gerust.
 
Nu ik weeral wist dat ik vele levels dommer ben dan lieve Veroniquen – d’r was niks simpel aan… zweten! – was het enkel nog wachten op ‘alpaca’s’ kennismaken.
‘Vicuna’ liet noppes van zich horen, terwijl ik een hele dag naast de telefoon op haar stem wachtte.
 
PRESSIEBIBBERS MAN!
 
Zei ik hierboven ‘… was het enkel nog wachten op…’?
Ik jokte. Naast ‘enkel wachten’ ontruimde ik tafels, waste ik vijf bergjes kledij van de overloop weg, maakte ik wc’s schoon (je kan een interieurverzorgster toch geen binnenpot laten schrobben?), plukte ik achtergebleven prullaria uit het decor en keek ik hopeloos naar zes volle wasmanden. Dat zou mijn aandeel worden tijdens de kuisvoormiddag.
Bovendien stond ik anderhalf uur vroeger op om verder op te ruimen, te wassen, schoon te maken, te plukken.
 
STRESS MAAT! EEN POETSHULP!
 
Het ‘Peruaans schaap’ daagde op. Dertien minuten te laat. Dertien minuten van nagelbijten, tafeltokken en ijsberen (en een mailtje naar huisvrouw voor eerste hulp bij te late poetsvrouwen).
Lama was een hele efficiënte Nederlandse van Marokkaanse afkomst (met een gps die haar verkeerd stuurde. En ik wilde nog brullen : daar heb ik al vijf blogstukken over geschreven!). Secuur, vriendelijk, kordaat, bij de pinken. Althans, dat was wat haar eerste indruk liet uitschijnen.
 
Bij het afscheid wisselden we e-postadressen uit : Lana.dingesadnogwatenzo.
“Làna?” lees ik verbaasd.
“Ja, wat dacht je dan? Je hebt me toch niet voor een beest uitgescholden zeker?”
“Uitgescholden? Neuuh. Mij misschien een heel klein beetje vergist, dat is al.”
 
PERTURBATIE ZEG, zou ik bijna durven schrijven, als ik wist wat het betekende!

En dan heb ik het nog niet eens over die allerlaatste volle stofzuigerzak die we hebben moeten uitpeuteren boven de container. Straks klaagt ze me nog aan voor een stoflong!

Help, mijn vader is MacGyver en Houdini tesaam!

  

zapnimf1kleinlichtroze-op-wit   ’t Was om te janken, zitten bij pakken en plaatsvervangend mede-lijden.
Ter tranensubstituut belde ik zondag de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis, want ik had toch nog een paar vragen.
– Waarom lag onze pa in een prikkelarme isoleerkamer?
– Wanneer mocht hij terug naar een meer bewoondere wereld?
– Waarom hadden ze hem een nacht (of meerdere) vastgebonden?
– Besefte hij dat hij – sociaal beest in het normalere leven – al meer dan een week eenzaam en alleen zijn ziektebeeld mocht dragen?
– Had hun geëxperimenteer met medicatie al iets constructiefs opgeleverd?
– Wanneer mocht hij eindelijk bezoek ontvangen?
 
Tegen mijn moeder, die zichzelf dagelijks telefonisch liet informeren door de verantwoordelijke van dienst, werd nog afgeraden om langs te komen. Twee uur later krijg ik als dochter te horen dat het misschien toch eens boeiend zou zijn te ontdekken welke impact een bezoek van ons ma (‘maar niet langer dan een half uurtje!’) (‘En voorlopig alleen maar mevrouw!’) op zijn verwarde geest zou hebben. Eens ter plaatse, maakte niemand er een probleem van dat ze ineens de volle twee uren bleef.
Mams, kei in het ontkennen, vond paps al helder en goedpraats. Opluchting en te nabije toekomstplannen alom. De positivo.
 
Omdat de bustocht met overstap slecht accordeert met de bezoekuren, spraken we af dat moose en ik haar gisterenavond zouden brengen. Om vervolgens te wachten in de cafetaria want alleen haar aanwezigheid was toegelaten.
In een behoorlijke staat van paniek stormde ons ma de eetgelegenheid binnen : pa was zoek. Die middag overgebracht naar een gewone tweepersoonskamer en nu al niet meer te vinden. We kamden de afdeling uit, we doorzochten de binnenplaats, we loerden in de tuin. Net toen mijn moeder tegen het verliezen van haar zelfbeheersing aanzat, rolde een verpleger-medezoeker mijn vader in een rolstoel de megadraaideur binnen. Mijn moeder geraakte haar zelfcontrole alsnog kwijt.
Pa stond op uitkijk bij de parking. Alsof hij niet wist dat betalen voor een ziekenvisite op mijn lijst ‘onethisch en bijgevolg te boycotten’ zeer hoog prijkt. Aan de overkant van de straat presenteren zich prima gratis gaatjes om je vierwieler in achter te laten.
 
Alla, in al deze commotie mochten blijkbaar teugels vieren, de gelegenheidsbegeleider vond het een uitstekend idee om ons kwartet in de eetkeet te droppen.
Na een resem emotionele momenten zoals weerzien, de brief van krulzap, de bewondering van moose zijn nieuwe zomerkapsel (lees : accidentje met de stand van de tondeuse), stoomde mijn vader in gang. Het werd ons al gauw duidelijk dat zijn volledige genezing nog een bergje te beklimmen had.
Hij maakte brandhout van de dokter, waarvan hij de capaciteiten in twijfel trok. Een gek gesprek tussen die twee werd geherfraseerd waarin mijn pa, volgens eigen zeggen, de ander onder tafel had geklapt. Toen mijn moeder een onschuldige opmerking maakte over de bussen en hun uren, bleef hij daar maar op voortborduren. Hij beet zich vast in onderwerpen waar wij al snel vanaf wilden. Kortom, de manie had nog geen opening gevonden om te ontsnappen.
 
Hijzelf daarentegen! Een heldhaftige bijna-verlossing uit de boeien geforceerd!
Daar lag hij dan, arme stakkerd in een naadloze kamer met niets dan een bed en zijn valse tanden. De pols- en voetbanden gaven hem net genoeg bewegingsvrijheid om zijn gebit te bemachtigen. (Vader imiteert een liggende Jezus die naar zijn tanden graait.) Het ijzerdraadwerk aan het verhemelte plooide hij (met één hand… uitbeelden) tot twee pinnen die in de schroef van zijn slot pasten. “Spijtig dat mijn onderste tanden op de kamer liggen, anders zou ik het jullie tonen.” Met denkbeeldige draaibewegingen aan zijn pols in de lucht, konden we het ons anders ook perfect visueel voorstellen. “De vijzen van de armen… allebei hè, helemaal los! En had ik tien centimeter meer speling gehad, dan kon ik aan mijn enkels!”
“Jamaar, pa, als je je handen kon vrijmaken, dan kan je toch sowieso aan je voeten?”
“Sja, je moest die schroeven op het laatst nog samenknijpen en er een truukje mee uithalen om effectief eruit te geraken. Dat lukte net niet.”
Hij haalde zijn schouders op : “Mijn tanden hebben nu ook niet meer de ideale pasvorm…” *grijns*
 
Toen sprak mijn moeder : “Hoe zot kon je nu zijn (ma! foei!) om die gang onder water te zetten?”
Ochot ja, daar had hij gewoon een beetje pech gehad. Kan gebeuren.
Kijk, hij moest naar de wc, maar het toilet in zijn (toen nog gewone) kamer geurde naar chloroform (een kuisprodukt zo bleek) en hij wilde niet verdoofd worden. Dus zocht hij in de gang naar sanitair. Toevallig hing daar een blad aan de deur : buiten gebruik. Alsof hij zich daar iets van ging aantrekken. Terwijl hij op de pot zat, viel zijn oog op de lavabo. Hij vermoedde dat het euvel daar ergens moest gezocht worden. Zijn reparateursgenen namen het ongewild over.
Voor hij zijn verhaal verder zette, deed hij zijn metalen horlogebandje uit. Hij toonde ons de scherpe kant van zijn slot.
Weerom vond hij onderaan iets los te schroeven en zijn uurwerk werd zijn tournevise. Of we dat snapten? knipoogde hij. Helaas verliep het vervolg niet geheel naar plan. Het water spoot hem uit de opengedraaide kier helemaal nat en hij zat nog vast op de plee, zijn behoeften te verzorgen. “Moesten ze daar nu zo kwaad om worden? Ik heb het toch terug dichtgedraaid?”
 
Laten we wel wezen. Van inborst zijn wij best gevoelige zielen. ’t Was bleiten of lachen.
’t Werd bleiten van het lachen. Alle vier.
 
Tedekke pa, vergeet uw pillen niet te pakken! ’t Is nog nodig.

Alexander Graham Bell draait zich om in zijn graf

  

zapnimf1wit-op-paars   Omdat ik gisteren slechts twee uur en vijfenzeventig minuten gebeld had met in chronologische volgorde :
 
– Mijn ex-man. Eigenlijk probeerde ik zapzoon te bereiken, die jarig was, maar zijn gsm wimpelde me meteen met een suf antwoordbericht af, dus contacteerde ik ex om via die omweg alsnog mijn zoetgevooisde smakkerds op de juiste wang te krijgen.
– Mijn moeder. Omdat ik vernam dat het feestvarken aldaar zijn cadeau was gaan innen. Alsook om op de hoogte te bijven van de dagelijkse stand van vaderlijke zaken .
– Chelone. Omdat dat een geweldig mens is. En daar mag je wat tijd voor uittrekken.
– Huisvrouw. Omdat ik mezelf ervan wilde vergewissen of ze nog leefde. (eey, ze had al een week niet meer aan de telefoon gehangen.) Ze leefde nog. Redelijk heftig zelfs. Véle minuten lang.
– Mijn moeder. Nog vergeten af te spreken voor die avond. Ik reed haar later naar het ziekenhuis. Onze pa mag sinds zondag terug met mondjesmaat bezoek krijgen.
 
(Ik hervat even) Omdat ik gisteren slechts twee uur en vijfenzeventig minuten getelefoneerd had, sprong mijn bloemkooloor in een kramp toen een tikkeltje later een schallend tringtring mij verplichtte van de hoorn opnieuw ter hand te nemen.
 
– “Met Tony Huppeldepup van politie zapdorp.”
– “Huh!?”
Al erken ik mijzelf als de braafste resident van ons dorp, het blijft altijd even een altegader orgaanwippen als de arm der wet eraan komt snokken via plotseling contact.
– “Ik zou zapzoon moeten hebben.”
– “Uuuuuh-huu?!”
Voor mijzelf sta ik in, maar voor de streken van zapzoon, de net iets minder welgeaarde inwoner van ons dorp… Ik denk dan per ongeluk aan die keer dat hij van onze tuin een illegaal kampvuur maakte, beboet werd op de bus, met een verkeersbord thuis kwam dat hij ‘gevonden’ had.*
– “Het gaat over dat ongeluk waar hij bij was.”
– “Ieeeeeee-uuu?” (De h kon er van opschudding niet meer af.)
– “Welja, twee weken geleden, waarbij zijn vriendje opgeschept werd en hij de auto nog net kon ontwijken. Hij zou eens een verklaring moeten afleggen op het bureau.”
– “…..” 
“Euh… daar weet ik niks van?”
– ” ’t Was ook niet erg hoor. Niemand gewond, maar kunnen wij eens een datum afspreken?” (Terwijl ik zeventig procent van zijn cerebellum hoorde kronkelen : “Mens, wat voor een ongeïnteresseerde moeder moet jij zijn, zeg, dat je dat niet weet?”)
Het was de bevestiging die mijn twee zinnen eerder knalgespatte moederhartbrokjes nodig hadden om bestrooid te worden met zout : mijn zoon houdt zijn leven voor me verborgen! Boehoehoe!
Rotjoch!
 
Ondertussen was die bloemkool aan mijn kop al geëvolueerd tot een zelfstandige tentakel en in een mum stond ik opnieuw oor in oor met mijn moeder. Of zoonzap zich nog steeds schuilhield bij haar.
Neen, maar ojaaaa, van dat ongeluk ‘Allez, weet gij dat niet?’ daar had ze alles tot in de kleinste details van gehoord.
 
Gezien die praatbanaan reeds vergroeid was met de schedel, kon ik in eenzelfde moeite mijn alteratie wel kwijt aan moose, zo dacht ik.
– “Hoezo, jij kende dat verhaal niet? Tegen mij heeft hij dat in geuren en kleuren uitgesponnen.”
 
Terwijl ik me wentelde in de identificatie van Remi, Alleen op de wereld, verstoken van allemans gevoelswereld, zo eenzaam en kindlozig, werd er voor de verandering nog maar eens gebeld. Het onderwerp van alle narigheid zelf, van bij bomma, wanneer hij nu juist verwacht werd bij de politie.
 
– “Hoe komt dat jij mij dat verzwegen hebt? Ik ben je moetie, je liefste mama, waaraan je alles kwijtkan, dat weet je toch?”
– “O? Vergeten zeker? ’t Is gebeurd bij papa. Jij had waarschijnlijk een vergadering toen ik het aan moose uitlegde. Heeft hij dan niet…?”
– “NEE!”
 
Een trauma zal hij er alvast niet aan overhouden, troostte ik mezelf dan maar een beetje.
En ik rukte vleesscheurend een sprekend handvat van mijn kop.
 
 
*Edoch, hij kent de politie ook anderwijs : het vinden van een dode hond in een zak, het vinden van een weedplantage(ke), het laten pikken van zijn fiets.

Daar is de lente, daar zijn de bosjes…

  

zapnimf1kleinpaars-op-zwart   De horten en stoten van zijn – op twee na – overwinningsroesadem waren nog niet uitgestorven.
Vanaf de laagste tree van het triomftrapje glunderde zoonzap me toe dat hij zich wilde inschrijven in een heuse atletiekclub. We spreken vier jaar geleden, ergens tijdens een scholencross.
“Ach,” suste ik mezelf, “kinderen en kuren van voorbijgaande aard, laat ons daar maar aan toegeven.” Hij had ook voor een workshop ‘kleurboekprentjes tatoeëren’ kunnen kiezen.
 
Ondertussen heeft hij in die branche zijn eerste wereldrecord achter de kiezen. Gefêteerd door Elodie Ouadraogo zelfs. En Sebastien Godefroid. En Catherine Jacques.
Nounounou! Mijn kind, sportief schoon kind! We wachten geduldig tot hij gecontacteerd wordt om reclame te maken voor Pizzahut.
 
De waarheid dan nu?
Dit feit hoeft niet geklasseerd te worden onder ‘zeer bijzonder’, gezien deze discipline nog niet eerder beoefend werd in het Guinness Recordboek. Zijn zus – ik pak liever de bus dan dat ik twintig meter fiets – heeft het trouwens ook op haar naam. Samen met de vijfhonderdzevenendertig andere medeleerlingen van hun school. Maar een rondje achteruitlopen met optredens en ambiance in ruil voor een dagje les, is natuurlijk mooi meegenomen.
 
Het punt is, dat zapzoon toch al jaren zijn liefde voor de atletiek warm houdt.
Al uit zich dat zelden in onze traditionele conversatie wanneer ik hem na zijn trainingen oppik :
– “Ah zoon, hoe ging het vandaag?”
– “Bwa, goed. Beetje hoogspringen, beetje horden.”
En dan zijn we uitgeklapt.
 
Zo niet echter vorige keer :
– “Ah zoon, hoe ging het vandaag?”
– “Hihihi, geweldig! We zouden sprinten vandaag, maar eerst moesten we, om ons op te warmen, een rondje door het park lopen. Onze groep had daar weinig zin in en wij sneden bijgevolg een stuk af doorheen de bosjes.”
Waarop hij in lachen uitbarst.
“En… en… en… hahahahahaaa, daar lagen er twee te – ’t is duidelijk lente – mmmpfffgrrrpf… te euh… vogelen, moewfaaaa!
 
Volgens mij gaat hij die atletiek nog niet meteen opgeven.

“Je weet toch dat dat erfelijk is?” zeiden mijn vriendinnen

  

zapnimf1kleindonkerroze-op-paars   Waarom liet je ze toe?
Waarom liet je ze des nachts vrijlijk derwisjen als een onstuitbare tol? Die niet te stoppen gedachten?
Mijn wekenlange bevelen van slaap, al was het maar opgewekt door een pil, negeerde je.
‘Superioriteit!’ en ‘sneller raderen dan uitspreken’ werden je metgezellen.
Plannen deed je, iedere dag nieuwe denkpistes bewandelen, voorgetreden in de donkere uren van insomnia.
Onze lede ogen keken toe. Naar het continuüm waar wij niet toegelaten werden, waar je fantasma een ware vorm kreeg.
In ons machteloos antwoord schreeuwden we ten einde raad om een ambulance. Een middel dat jij, koning van de manie, maar matig kon appreciëren. Getuige het kapotte brilglas dat achterbleef in de gang.
 
Ja, ik heb het tegen jou, pa.
Rust, genees en word je vroegere ik weer eigen. De depressie wacht op je, wij zullen er ook zijn.
 
 
Mijn vader heeft voor de derde keer in zijn leven (de eerste dateert van voor mijn geboorte, de tweede is een jaar of twaalf geleden) een manische opstoot. Deze resulteerde in een psychose om schrik van te krijgen. Opname kon niet uitblijven. Zes dagen psychiatrie en nog steeds mag er niemand op bezoek.
(De vorige keer kwam hij ervan af met medicijnen en genezing in huiselijke kring.)
 
 
Oja, pa, hou je daar koest, wil je?
Ook al moesten wij ermee lachen, het verplegend personeel vond het minder lollig dat je hun sanitair saboteerde zodat de gang helemaal onder water stond…