Geheime kerstzap

    ‘k Heb mij op de valreep nog ingeschreven.
Zo kan ik reclaam maken voor al wie mee wil doen : tot middernacht kan je nog inschrijven.
En nu krijg ik schrik : stel dat men mijn zelfgeprulde dingen niet kan smaken, wat dan?

D’r zit er eentje naast vandaag!

   Mijn vrienden zijn speciale karakters, sturen zomaar sms’en die er een maand naast zitten.

“D’r is er eentje jarig vandaag! En ze mag/kan nog veel toert vreten. Geniet van een superdag en laat je nog eens extra verwennen he! Dikke x”

Dankuwel Frie, daar vanaf uw Franse berg, maar probeer volgende maand nog eens en dan voor echt!

Maar ik ga morgen wel taart eten. Zomaar, omdat er tofferds rondlopen.

Ik denk aan alles, alleen niet op het gepaste tijdstip

    “Neenee, slaap rustig verder, we halen het containerpark toch niet meer. Dat sluit over zes minuten.”
Moose schrikt zich een halve meter springstoot van de matras en frazelt : “Alsof jij eraan gedacht had.”
“Tuurlijk heb ik eraan gedacht, enkele uren geleden, maar toen was je mij net aan het euh… strelen, denk je toch niet dat ik dan zoiets ga zeggen?”

De rest van de dag was van hetzelfde kaliber : uitblinken in relaxen/niksen/lezen/ontbijten -allez, lunchen- op terras in pyjama.

Alle bladeren zien ineens ros.

Vurig blozen als een trapper in droge tijden

   Waar in de lente een metershoge takkenwal weg verhakseld werd, daar installeerden wij in de paasvakantie een vuurplaats.
Eerder diende die plek als privéspeeltuin, met schommel, huisje, glijbaan. Tot de ontbinding besloot dat de kinderen te oud waren om op verrot hout te verongelukken (de restbalken kregen een tweede leven als would be boomhut, ondertussen ook al zijn geest gegeven), daarna werd het de laatste rustplaats van onze woekerende bamboe en die plaats pikten we dan weer in om al het snoeihout van het vorig seizoen te accumuleren.

Een putje, wat overschotten klinkers en enkele rondslingerende treinbilzen, daarmee bouwde quatre mains zappelmoose twee zitbanken (waterpas!) voor rond de openluchthaard. Niet meteen milieuvriendelijk, wel knus en behaaglijk. Ook handig voor al de kromme stokken die te dik zijn om in de verhakselmolen te duwen en te dun om in de stoof te belanden. Na de aanschaf van enkele bekoorlijke kussentjes, waanden wij ons de woudlopers van de Noordertuin, de trappers van de bossen van Antwerpen. Yiehaaa.

Zodra ons kunststuk afgewerkt was, wilden wij die stookoven natuurlijk testen. Met een handvol straffe verhalen, een karaf wijn en iets knabbelbaars schaarde de troep zap zich rond het vuur. Knetserdeknets, vuurwerk, ontploffende dennenappels, vliegende gloeinaalden en een vuurzee van brandbaar bosallegaar en wij daarrond in hoogste stand genietend.

“Oeps”, sloeg moose in het heetst van de actie ineens zijn hand voor de mond, “was ik even vergeten, maar op het radionieuws zeiden ze dat het vanaf vandaag code rood is voor brandgevaar.”
“O.”
“Ai.”
“Zullen we voorzichtig de vlammen dan maar laten uitdoven?”

Uit schrik voor rampen bleven de heidekneuters zappelmoose naar de gloeiresten turen tot na middernacht. Hun stoere verhalen verpieterden zienderogen.

Enkele weken later was het zover op de Kalmthoutse Hei.
Maar daar zaten wij voor niks tussen.

De Kim Wilde in mij als een dolle hond door een forest en in zijn zanger

Dit non-event-blog-schrijfsel als nota aan mijzelf :

Zapnimf, neem in het vervolg een balsem en een kam mee naar het zwembad!

Net onder de douche vandaan zag ik eruit als een kwast met dreadlocksgeslierte op het einde.
De herfstlucht als haardroger op de fiets is een fijn gevoel, maar als je dan jezelf terugvindt in het schijnsel van de glazen achterdeur als een Robert Smith in betere tijden (alvast niet haartijden)…
Moose vindt een berg ontplofte pluche op mijn kruin schattig.

Toen ik me de volgende morgen uit bed hees, leek ik op een bosmonster dat in ‘the forest’ van the Cure zou kunnen huizen.

In de loop van de dag evolueerde dat naar iets dat geleek op Samson.
Moose vindt het hondgehalte van mijn kapsel koddig.

Terwijl het met het voorzien van het nodige gerei gewoon dit had kunnen zijn:

Allez ja, misschien toch ook niet helemaal, maar toch een beetje.
Moose vindt Kim Wilde maar niks.

Nummer 1 in het lijstje der bloembollenvermassacreerders, of niet?

   Een lijstjesmens, dat ben ik.
Een totaal incompetente lijstjesopsteller zelfs.
Hoe zorgvuldig ik ook de achterkanten van gebruikte enveloppen bijhoud -zeer geschikt voor dagelijkse lijstjes- het lukt mij nooit ook maar één reeks volledig af te werken. Behalve dan misschien het boodschappenkrabbeltje, als de kipsla niet uitgeput is.

Misschien ben ik iets te vooruitstrevend in mijn doelstellingen van die dag? Schoolwerk, huishoudelijke taken, mensen die ik moet bellen of mailen, welke winkels er afgelopen moeten worden, grote kwarweien… minstens de helft wordt opgeschoven naar het lijstje van morgen. De grote krachttoeren verdwijnen soms miraculeus van het papier wegens chronisch gebrek aan goesting, sommige taakjes lossen zichzelf op, mensen bellen naar mij in plaats van andersom en vuile ramen lopen ook niet weg, dat kan in een ander seizoen ook nog altijd.

Bovendien mag de invloed van externe stoorzenders ook niet onderschat worden : vriendinnen die urenlang bellen net als ik op het punt sta naar de winkel te vertrekken. “Het zijn vanavond boterhammen, schat, ik ben er niet geraakt.”
Of buurvrouwen die binnenwippen tijdens het typen van een blogstukje. Niet dat ‘blogstukje schrijven’ ooit op die lijst geraakt, er zijn nu eenmaal dingen die als vanzelfsprekend gelden. Wc-bezoek staat er toch ook niet op? Maar! Het plan was wel om na het bloggen de bloembollen te planten in de tuin. Diezelfde bloembollen die al drie weken van het ene naar het andere lijstje verkasten. Het weer leende zich uitstekend om deze verrichting die dag te laten plaatsvinden en mijn mentale toestand had zich er ook al op voorbereid.

“Waarom werk je taterende buurvrouw niet fluks buiten?” hoor ik u al denken.
Dat is, lieve lezertjes, omdat op dat andere eeuwige lijstje,  dat van de sociale prioriteiten, altijd  ‘gezellig samenzijn’ het wint van al de rest.
Stel dat ik morgen het loodje leg en iemand zegt : “Sja, ze heeft dat leuke feestje gemist, maar alla, haar strijk is toch helemaal klaar.”Hoe knullig klinkt dat? Erger : hoe zielig is dat? Vooral ook omdat ik niks strijk, maar u begrijpt de moraal… euhm… het epicurisme van het verhaal. Kom gerust allemaal in gekreukt textiel naar mijn begrafenis! Welkom welkom!

Tegen de tijd dat de vertellingen uitgewisseld waren tussen buurvrouw en mijzelf, lag de schemer reeds op de loer. In een extreme bui van bloembollenaandrift, besloot ik toch deze klus te klaren. De tuinbloggers slaan nu alvast hun ogen ten hemel, want ook al geniet ik graag van het groen, erin werken blijft een opgave. Dus liet ik het bloembollenapparaat (waar je een koker aarde uit de grond mee trekt, geen flauw idee hoe het werkelijk heet) voor wat het was en nam ik mijn toevlucht tot het grove materiaal. Ergens in het donker groef ik in wat nu het mislukt bloemenweitje is, een grote put voor de witte tulpen (30 stuks) – huppa in bulk erin), een gat voor de blauwe druifjes (50 stuks), de paasbloemen (ook veel) kieperde ik een eindje verder in de grond en dan nog iets roze, waarvan ik de naam reeds vergeten ben, kreeg ook ergens een gezamenlijk graf.
‘Vijf centimeter tussen iedere bol’ blokletterde het karton aan het zakje, ja hoor ik ben me daar op mijn kop gevallen zeker? Dat is drie weken werk. Dan nog liever een bloembollenvermassacreerder.

Resultaat volgend voorjaar op dit blog. Of net niet.

En de poembak, de poembak, euh… de douchebak is kapot

    De douche liep al weken niet meer door.
Moose kocht een zuignaptuig waarvan ik altijd dacht dat het diende om vastzittende baby’s uit een niet meewerkende baarmoeder te sleuren, maar dat was brol, de afvoer bleef tegenpruttelen in geuren en kleuren : stink en grauw.
Vervolgens namen we toevlucht tot de manuele rioolrat die we daarop moesten kapot snijden, want hij bleef steken in het afvoerputje. Daarna probeerden we de hogedrukreiniger met toebehoren eens uit. Er gebeurde toen vanalles opzienbarends, maar iets herstellends was daar niet bij. Tenslotte hielden we het bij hard bidden, maar ook dat bleef vruchteloos.

Zulke noodsituaties vragen smekend de inmenging van (uithalende stem) MEGABOMPA aka SUPERPA, gewapend met een gezonde dosis vakkennis en inventiviteit. En stiekem ook met een slijpschijf. Daar ging mijn douchebak… eraan. Huppakee sprongen de tegels aan de zijkant. Het eerder euvel is verholpen, maar douchen is er vooreerst niet bij. Nog eventjes wachten tot vader-gelegenheidsloodgieter ergens een nieuwe bak kan installeren en het tegeldebacle kan rechttrekken.

Maar van de voorgaande alinea wist ik niks (vaders verrassen graag, ik wilde hem graag verassen nadien) toen ik vrijdag na het werk een puist in de badkamer wilde uitknijpen of een wenkbrauw plukken. Uw zapnimf vond haar wascabine zo terug :

Waarop zij terug naar beneden snelde en om een paniekaanval de kop in te drukken, de koelkast opensnokte op zoek naar troostvoeder. Misschien niet haar beste idee van die dag. Daar sneuvelde het voorpaneel.

Vergeef me deze bewogen foto. Ik zal wat van schrik gebibberd hebben.

 

Kon ze weer haar verwekker verwittigen.

Ik dacht het niet, beste brokkendraaiers met pekes en erwtjes

   Kattenvoerafdeling, sectie achterlijken.
Gesprek tussen debiel en halfverstandje.

“Aay aay, ik heb een idee. Het nieuwe groen is vegetarisch. Gezond.”
“We spreken toch over de kat van katachtigen? De meest uitgesproken vleeseter van de orde der carnivoren?”
“Ja hoor, njammiegroentjes voor poesie. Tjakkaaaaa! Eat this!”
“En je denkt dat dit zal aanslaan bij de consument?”
“Uiteraard. Beetje kleur en variatie doen het altijd goed bij het klootjesvolk.”
“Het kost natuurlijk wel minder dan dezelfde hoeveelheid vlees. Dat is een fijne besparing.”
“Laat ons ervoor gaan : Lucky, brokjes in saus met kip en groenten! Yeah!”
“De baasjes zullen ons hiervoor eeuwig dankbaar zijn. Denk bonus! Denk wereldfaam!”

My cat is pertang not lucky!

Een huishouden vol paranormaal begrijpenden

   “Pfoe pfoe”, pfoepfoede ik vrijdagavond achter een copieus maal, gebakken door de frietzak.
“Pfoe pfoe, een heel leeg weekend voor ons en we kunnen niet naar de bib.”

Strikt theoretisch gezien zouden wij best naar de bibliotheek kunnen, want de vriendelijke juffrouwtjes achter de balie staan tot onzer beschikking tot het middaguur. In de praktijk openden wij pas onze oogleden omstreeks zaterdagnoen half één. In werkelijkheid kunnen wij dus de toekomst van zaterdagvoormiddag voorspellen en weten wij dat een uitje naar de bib onhaalbaar blijkt. Ik voel mij zowaar Gili van ‘Iedereen paranormaal’. Verplichte lectuur voor zweefteven en hun entourage om ze terug ter aarde te zuigen. Als je de kans krijgt om naar zijn show te gaan. Doen! Het beste wat ik vorig jaar zag.

Dus ik zei (man, soms word ik moe van mijn eigen) : “Pfoe pfoe, geen boeken voor ons om te lenen.”
Waarop de huisband recht sprong en mij met mijn frieten alleen liet om terug in zijn auto te duiken.

Mijn man begrijpt mij preventief.
(Eigenlijk is het een cadeau aan zichzelf, aan mij gegeven, maar daar gaan we niet over meuzzen, gezien ik ook een Dimitrilover ben. Beter dan die keer toen ik een neushaarverwijderaar kreeg.)

En toen zijn we dat weekend wezen fietsen in plaats van lezen.
Ver weg en met zichten beneden de verwachtingen. Hier staan we pal onder de E19. Toftof.

Zwierig zwemmend zoals zapnimf… achterstevoren

   Ergens lang geleden besteedde ik er al één lijntje aan : zapnimf gaat zwemmen. Het hoeft niet altijd Tiny te zijn.
Ondertussen herhaal ik dat gedoe met droge en natte kleren al ettelijke weken. Nog steeds wacht ik op de eerste spraakmakende botsing tussen bierbuiken, een zwembroek met stukspringende elastiek (van iemand anders welteverstaan) of een bijna-verdrinkinkje waarbij een redder ook eens zijn deskundigheid mag tonen. (Dit moet toch met stip de meest saaie job ter wereld zijn, niet? Je mag wel altijd in short rondlopen natuurlijk, maar ik ben er nog niet uit of dat nu een pluspunt is of niet.)
Afijn, ook in het bassin is het van geeuw, monotoon en zerp zwemmend. (Eén, één, één, één, één, … twee, twee, twee, twee, enz.) Tot nader order kan ik daar niks onderhoudends over kwijt. Maar ik geef de moed niet op. Eergisteren gaf ik iemand per ongeluk een schoolslagstamp. Ze werd niet eens kwaad. Pfft.

Secuur speurde ik experimenteel naar het beste tijdstip om zo weinig mogelijk medezwemmers in mijn vaarwater te krijgen, je bent egoïst of je bent het niet. Etenstijd (6u) maandagavond blijkt een prima uur om mezelf te water te laten.
De snoes (de volwassen versie) hier in huis die na zijn professionaliteiten altijd even belt om zijn komst aan te kondigen zodat ik ongeveer weet wanneer ik de ‘petatten op kan zetten’, belde maandag net toen ik wurmige dingen met kleren deed in een kleedhokje. Omdat ik later dan anders was, besloot ik best kon multitasken.

“Zappie, ’t zit erop, ik kom naar huis.”
“Kreunkreun, goed hoor, ik ga meteen zwemmen, sta al in het paskot.” (Stroop broek af)
“Ik zat vast in een vergadering, vandaar dat ik zo laat ben.”
“Kronkel, zwier, klets klets (badpak uit de knoop), ja, ik merk het, doe rustig, waarschijnlijk ben ik toch nog voor jou thuis.” (probeer met één hand bruikbaar in badpak te stappen)
“Vanmorgen had ik file, van thuis tot aan Borgerhout was mijn gemiddelde snelheid 3 km per uur. Tegen half tien kwam ik op ’t werk aan.”
“Amaai, pokke. -ademhap- Het eten staat op het aanrecht, moest je toch voor mij thuiskomen.” (arm door bretel één forceren en arm door bretel twee krasselen)
“Goed, ik zie je strakjes dan, lekker zwe…”
“Aaaah aaaaah! Ik heb een te klein zwemkostuum meegegritst, eentje van de kinderen ofzo. Verdoeme! Hoe is dat toch mogelijk? Mijn borsten vallen eruit!” (Vloek nog wat lelijk in het ijle).
“Oei? Wat nu?”
“Wat nu?! Wat nu?! Gewoon terug naar huis hè? Al die moeite voor niks. O? Wacht eens. ’t Is nikske, ik heb het gewoon achterstevoren aangetrokken. Dag schatje! Tot strakjes. Om ter eerst thuis? Kuskuskus.”

Rijke stinkerds mogen hun badje overslaan

   De zon streed kranig tegen de neerslag en haalde het ternauwernood.
Wolkenhemel bracht formaties voort om u tegen te zeggen : majestueus en goddelijk met een zinnelijke piepstraal ertussen.
De lucht geurde naar een pasgeplukt herbarium onder een stoomstolp.
En heel nietig in dit schouwspel van splendeur en solemniteit* trapte een zapnimfie voor dag en dauw naar haar arbeidsbeslommeringen. Ze snoof. Ze snoof de odeur van het weldadig buitenleven. Ze rook een mengeling van bosdamp en sprookje. Humus en trollen. Tinkelbel in de beek. Nevelzweem vlinderend van het bladerdek op zapnimfs wapperlokken (al is die laatste amper een sprookjesfiguur te noemen).

Plots snuffelde zich daar een Eftelingtafereel tussen. Olfactorische glorieën met wuivende elfjes in een droomvlucht. De oksel van moeder natuur gestreeld door Fa’s sprankelde frisheid. Duizendeneen kleuren gemetamorfoosd tot een bouquet luchtige snuifstof voor de connaisseur.
U begrijpt de vervoering van mijn geurpapillen. Dat aroma! Dat parfum! Oeoeoeoe…

Plots fietste ik voorbij de oorzaak van al dit reukmoois.
Een robuuste rioolbuis loosde vanuit een naburige villa het sterk riekende badwater in de beek.

Bahbahbah!
Viezeriken!
Mijn natuur zomaar verstoren!

*schoon woord hè? Neen, ik kende het ook niet. (plechtigheid)

Bij the A-team vlogen de busjes ook altijd (en bleven intact)

   “Uw vrijer rijdt nogal vlotjes onze oprit achteruit af, vind ik.”
“Jamaar mama, A. kan heel goed rijden, wees maar gerust.”

(Wees maar gerust? We hebben het hier wel over dezelfde kerel die de voorbije winter over sneeuw en ijs een beek in schoof, die bij het eerste slecht weer startkabels nodig had, zichzelf vastreed in een bergje modder, die we al van ver -vroem vroem- horen aanmotoren en dus roekeloos zigzagt tussen de bomen van onze oprit.
Maar dat zijn allemaal externe factoren uiteraard. “En daarbij, moeder, gij zijt toch ook van de weg gegleden, een dik jaar geleden?” ’t Is waar, een in de buurt wonende dwerg met een hernia is toen achter mijn stuur gekropen deed allerlei schrikbarende dingen met mijn gaspedaal en het stuur, in die mate dat ik vreesde nog een auto uit één stuk terug te krijgen. Maar het is hem gelukt, terwijl ik nog op mijn knieën ‘danku danku’ gorgelde, kroop hij terug voor zijn haardvuur van zijn kabouterhuisje, iets uitkramende dat klonk als : “Ik zou rijk zijn als ik voor iedere wagen die ik hier deze week gered heb een euro zou krijgen!” En weg was hij.
Maar we dwalen af.)

Dit gesprekje vond plaats om zes uur ’s morgens in een bewasemde auto op weg naar haar stageplaats. Puberzap had ‘de vroege’.
De F*cking Lijn vindt dat er naar een uithoek van het land de eerste bus best kan wachten tot zeven uur. Tof tof en ‘een late’ is ook kindje ophalen, want als je in de linkse bult van de drie ten noorden van Antwerpen werkt of woont, mag je hopen dat je na half negen ’s avonds niet meer op enig busvervoer moet rekenen, wat dat wordt dan kinkloppen.
Maar alla, ’s middags zou haar vriendje haar komen afhalen aan het bejaardentehuis waar de dochter al enkele dagen de geriatrie en dan specifiek de dementerende poel van de 80-plussers onveilig maakt en ook wel schoon, zo tijdens een vroege dus.

Terwijl uw sportieve blogschrijfster diezelfde woensdagmiddag van haar werk de kilometers naar huis maalde en daarbij zeer moedeloos bijkans van haar fiets doodgemotregend werd, zoefde er een tweedehands beemer voorbij met daarin op de passagierszetel een vrolijk joelende dochter. Droge luxe is voor dat verwend nest een vanzelfsprekendheid. Dat verwerf je als je een fils à papa aan de haak slaat.

Nog een beetje later volgde er een sms : ‘Ik blijf bij A. eten.’

Terwijl de overige jeugdige inwoners van deze residentie ruzie maakten over de verdeling van de onverwacht vrijgekomen vissticks, ging onze telefoon over. Puberzap aan de andere kant van de lijn maakte kortaf gewag van een auto-ongeluk en rugpijn en naar de spoed. Ik bleef een beetje verweesd in de hoorn staren, maar dat hielp geen fluit om er extra informatie uit te persen. Dus puzzelde ik maar een eigenbereid verhaaltje bij elkaar :
spoed – auto zal niet kapot zijn
ze klonk nog behoorlijk levend – zo erg zal het allemaal niet zijn
kortaf – zij zijn in fout (en ik slecht gezind, slechts aan het begin van het etmaal spraken we de beginzinnen uit)

In de loop van de avond ondernamen we volgende communicatiepogingen :
De krulzuszap stuurde een sms, maar er kwam niks terug.
Ik belde, maar kreeg meteen voicemail.
Ik belde nog eens, een uur later, maar de act bleef dezelfde.
Ik belde later nog eens.
En nog eens.
Toen werd ik toch een klein beetje ongerust.
De klok wees half tien aan.
Ergens op een verkreukt kantje van een envelop in ons adresboek, vond ik het telefoonnummer van A. thuis.

Papa A. (Een inwijkeling uit Nederland) :
“Nou nou, hoe is het toch mogelijk, volgens mij heeft ie een black-out gekregen, want anders kan je daar niet op een geparkeerde auto knallen.” (geparkeerde auto?!)
“Sja, en die wagen is nu helemaal versjteerd, tjonge tjonge, waar zat die knul zijn verstand?” (naar de knoppen?)
“Volgens mij mankeren die luitjes niks, ach, beetje rug gekneusd, maar mijn vrouw is er toch maar mee naar het ziekenhuis, ze zal puberzap bij jullie afkieperen op de terugweg. Het duurt alleen allemaal een beetje lang.”
“Zegt die mevrouw van de geplooide auto : ‘Een minuut geleden zat ik er nog met drie kinderen in!’ Het belangrijkste is dat er niemand gewond is. Dat wordt dan een geval voor de verzekering, die zal nu wel stijgen.” (ja stijg! stijg!)

Een half uur voor middernacht schuifelde er een puberzap binnen. Schoonmama had de verkeersdrempels met wat overmoed overstegen. De scan sloot botschade uit, maar de spieren en pezen resoneerden als een stukgesprongen harp.

“Hoe is dat nu kunnen gebeuren?” hield ik mijn vraagtekens niet langer binnen.
“Er viel wat op de grond en A. wilde dat oprapen en de auto week af van zijn lijn. Ik riep nog ‘pas op’, waardoor hij aan het stuur snokte, maar we raakten de auto nog langs achter. Die schoot vervolgens vijf meter vooruit en wij vlogen over/tegen een paaltje aan de andere kant van de straat (nu stel ik mij een fragment van the A-team voor, die vlogen ook altijd met hun buske. nvdr.) en met een bonk kwamen we terug op het wegdek neer. We stapten uit en die mevrouw van het geraakte voertuig kwam aangelopen en was heel vriendelijk en ik maar wenen en sorry sorry sorry zeggen. (In dat huilgedeelte, kan ik mij helemaal inleven, zou mij ook overkomen, maar ik rijd niet op paaltjes en obstakels op vier wielen langs de kant van de weg. nvdr.)

“En dan die trut op de eerste hulp. Die heeft maar één dag voorgeschreven, terwijl ze gemeen lachend zei : ‘Morgen gaat het nog drie keer zoveel meer pijn doen.'” “Die had alleen maar aandacht voor A., omdat die zijn rug al eens gebroken heeft. Maar ik heb veel meer zeer!”

Met het doosje pijnstillers en de week rust van de huisdokter, gaat dit grote voorval krimpen tot een blaadje in het virtuele dagboek.
Maar laat ons wel met z’n allen bidden dat het vriendje binnenkort niet achterwaarts met een Porsche ofzo van de oprit schiet. In dat geval verplaats ik eigenhandig een boom naar het midden.

Anomalie van woensdag

     – De wasmachine springt twee centimeter hoog bij het zwieren.
– Krulzap heeft een nota gekregen op school dat ze op gesprek moet komen in verband met pestgedrag. Er stond een dikke dt-fout in (‘haar gedrag is verbetert’).
– Bij het grote winstgevende bedrijf Kelloggs hebben ze nog steeds niemand aangeworven die hun dozen zou kunnen nalezen.
– In het journaal lieten ze ooit bij een item over homo’s een niks gerelateerd stel naaktzwemmers in een zwembad zien.

Awel, op zo’n dagen is het moeilijk bloggen.

Misschien ook wel omdat puberzap nog steeds op de spoed zit met een zere rug na een autoaccident. Later misschien meer.

Bij gebrek aan een kapotte blitse kar… een wazige cornflakesdoos met een scherpe achtergrond.

Met Carmen op een sofa?

   Wat voorafging : zappelmoose wilde eens een echte opera zien in een echt operagebouw.
Het werd Aïda van Verdi. Altijd wel te pruimen voor beginnenlingen zoals wij.
Grootsheid, schouwspel, beroering, ophef. Dachten we.

De sexy held van het verhaal, Radames, (denk een jonge Koen Crucke met geel haar en een buikje) vertrok op veldtocht naar Ethiopië.
Amneris, de Egyptische prinses, (denk reuzin) wenste hem veel geluk en gaf hem een pluchen olifant mee.
Bij zijn terugkeer strompelde een gehavende Radames met wit kostuum met vuile vegen weerom binnen en in zijn armen hield hij een half onthoofde knuffelolifant vast.

Dat vonden wij vrij bizar. Idioot bizar.

Feest feest! Radames had de strijd gewonnen. Op het thuisfront werd er duchtig gedaan alsof men een party hield. Confetti viel, zoals een kleuter je thee presenteert zonder thee, zo goot men zogezegde champagne in plastieken fluitjes. En zoals men bij ieder fuifje doet, trekt men de schoenen van de hogepriester (Ramfis) uit en gooit die in het wilde weg om je vreugde te uiten. Die schoen bleef in een vreemde hoek hangen tegen het decor. Aan het eind van de scène pakte de acteur/zanger zijn schuiten terug mee en bleef er een gat achter in het papieren decor.

Dat vonden wij heel erg grappig. Wapper wapper, de hele tijd.

Verder ging alles zowat mis, maar daar heeft mijn gemaal reeds over bericht.

U begrijpt mijn kiekenvel toen het management achter de opera het programma van volgend jaar in onze bus kieperde. Weer wat wils voor de leek : Carmen. Kijk zelf.

Slechts één doorntje in mijn oog. Zie je dat zinnetje : De jonge regisseur Daniël Kramer zorgt nu voor een onconventionele versie?

Dat hadden ze nu niet hoeven schrijven, se.
Wij gaan ooit wel eens naar Verona, wat ouderwets conventioneel doen.

Waarom zapnimf niet meteen wielerfanaat nummer 1 zal worden

   Kijk allemaal naar jullie beeldbuisje vanavond, want de sluitingsprijs wordt weerom gereden. Je zou er onze pa kunnen tegenkomen ergens in beeld.

Of kijk niet, wat kan het mij een zak schelen, stomme koers.
Behalve dan dat ik op die dag niet vrij in ons dorp en in de buurdorpen kan bewegen, want de hele regio ligt lam. ’s Avonds laat ligt ook de halve bevolking van Putte-niet-bij-Mechelen lam(gezopen). Waar is dat braaksel? Hier is dat braaksel!
Toestanden waar uw zapnimf niet warm of koud van wordt.

Toen echter vorig jaar de Tour door het dorp daverde, waren we aan onszelf verplicht van toch iets mee te pikken van die heisa. Het was immers geleden van 1973. De kleuter die ik toen vormgaf heeft daar nooit wat van geweten.
Dus. Op zondag 4 juli 2010 hupten zappelmoose in 100 graden Celsius en vele uren op voorhand naar de dorpskern. Het parcours werd afgesloten met nadarhekken en wie niet op tijd was, moest noodgedwongen aan deze of gene kant van de straat blijven. Wij kozen de kant van de drankstand. Mits wat ellebogenwerk, had het sextet zaps+moose zichzelf een uitkijktoren gecreëerd boven op een postmoderne zitbank van 20 meter lang. Zeshonderd medemensen kwamen op hetzelfde idee. Bovendien werden wij met ons hoofd bijna in de hangende plantenbakken gemanoeuvreerd, wat achteraf de zegen van de schaduw met zich meebracht. Van op mijn uiteindelijke plek, kon ik achter mij ook een glimp opvangen van het reuzenscherm dat voor de gelegenheid toonde wat Sporza uitzond. Nounou, we hadden het slechter kunnen treffen.

Met kitch en praal passeerde eerst een reclamekonvooi. Dit wil je echt niet doen als jobstudent : verkleed als iets met een zware pels petjes, sleutelhangers, folders, andere brol gooien en onderwijl met je kont op de muziek mee schudden of iets onverstaanbaars in een microfoon kwelen. Oh man, ik verveelde me reeds steendood en het peleton zou nog anderhalf uur op zich laten wachten. Zweten, puffen en dorst hebben (jaja, de drankstand, maar dan was je wel je plaats kwijt) zo herinner ik mij de namiddag.

Naarmate de tijd verstreek, richtte ik het gelaat meer naar het scherm. De renners doorkruisten Zeeland. Zeeland! Jeuj, dat ken ik. Zo rijden wij wel eens naar zee, vandaar dat het ook Zeeland heet. Hoe educatief alweer, die zap. Ik herkende de autoweg. Oeoeoeoeoe scherpe bocht naar rechts en meteen volle snelheid de baan op van Bergen op Zoom, Hoogerheide… Geen ontsnappingen (of wel, maar dat ben ik dan alweer vergeten) en tegen 45 km per uur raasden ze over de grens. Ik poogde winkeltjes te herkennen en de optieker, ja, daar de bakker, oooo, ze zijn al bij de nonnenschool, subiet zijn ze hier! Spannend! Het kruispunt! Tril tril.
Tegen die tijd stond ik zowat te springen op die houten planken.
“Daar sta ik! Daar sta ik!” schreeuwde ik, wijzend naar het scherm.
“Zoef zoef zoef” deed het achter mijn rug.
Dan pas, drong het live aspect van de opvoering door.
Tegen de tijd dat ik mij omgedraaid had, zag ik nog net de staart van koers door de bocht verdwijnen…

Dat ‘m voor mijn part terug 40 jaar uit ons dorp blijft! Stomme koers.

Ik bedoelde boefjes!

    ’t Werd een beetje een druk weekend.
Zaterdag organiseerden wij een wandelzoektocht met de collega’s en gingen we uit eten ’s avonds met diezelfde moddertronies. Heel erg amusant, maar behalve het ineens bovendrijven van een zekere vorm van gekte bij enkele van mijn serieuzere confrators kwam er geen blogvoer uit. Het regende af en toe en wij vonden dat niet erg. Ik geraakte niet over een balk en ik vond dat ook niet erg.

Zondag beleefden we een feestje met de familie voor krulzaps 14e verjaardag. Om redenen die hierboven zijn getypt, hadden wij het onszelf gemakkelijk gemaakt en gewoon veel taart en chips binnengehaald. Er bleef nog een scheut pompoensoep over van de dag voordien en enkele chiabatta’s. Moose zijn druipneus en mijn overheersende verheugenis moesten het uitgenodigde volk afleiden van het gebrek aan eigengedraaide eetbare huisvlijt.
Om te schetsen hoe een eivol gepland weekend leidt tot gebrekkige culinaire creativiteit.

Meer zelfs, al dat tijdsgebrek resulteerde in datgene dat mij tot een uitstekende moeder maakt : delegeren.
zapzoon : extra tafel en 16 stoelen vinden
krulzap : tafeldekking
minizap : koffie, porto, glazen, drinken voorzien
puberzap : taartenschalen zoeken, chips verdelen, de living ordentelijk houden
Jaja, soms zijn het doetjes!

Daarop ziekte moose nog wat te bed en glibberde ik in bad met het tijdschrift van de ziekenkas. Diabetes, psychiatriegevallen, gemankeerde terugbetalingen van brandwondenverzorging en heel veel procenten vrouwen die afgeslagen worden door hun vent, daar kan je nog eens onbezorgd bij in slaap vallen, zo in het hete water.

De simultane zappelmoosedut duurde tot een van de kinderen gilde : “Mamaaaaaa! Volk!”
Waarop ik krijste : “Moooooose! Bezoek! Ga ontvangen, ik moet mijn haar nog wassen!” en ik voegde versneld daad bij schuim.
Waarop de geïnviteerden aan onze achterdeur “Hallooooo” loeiden.
En iedereen wat door elkaar chaos veroorzaakte in klank en beeld.
“’t Is (ex)schoonzus”, herkende ik luidruchtig naar een helper die al aangekleed was,”giet er wat porto in. Dan doet het er allemaal niet toe.”
“Ben er zo.”

Nu ben ik van het type : één stel kleren in de was en één stel aan het lijf volstaat. Ware het niet dat het hoopje lichaamstextiel de dag tevoren tot een slijkharnas geëvolueerd was. Hinkend met één been door het gat van de onderbroek (daar bestaan enkele exemplaren meer van) zocht ik de slaapkamergrond af. Meestal groeit er wel iets draagbaars op die bodem. Fluks plukte ik een broek vanonder een kast, maar een gepaste t-shirt of trui vond ik niet meteen. En al heb ik dan maar vier combineerbare kostuums, je wil niet weten welke hoop er tot aan de hoed van de kleerkast ligt te wachten tot de zelfvertering. Daar ging ik niet in rommelen, dat zou een dag tijd kosten.

Ting! (Dat is de gloeilamp die aanfloept in mijn gedachtenballon)

Daar bibberde voorbij mijn ooglens een gloednieuwe pyjama in beeltenis. Slechts één keer geshowd voor de huisgenoten als zijnde mama in haar nieuwe nachtoutfit. Waarom dat een spraakmakende manifestatie is? Van het ouwe krel bestaat nog slechts de nylonstructuur, al de opvullende wollen draadjes zijn euh… het voorbije decennium verdwenen in het wereldruim. Wedergekeerd tot rondvliegende pluche. Zodoende liep ik op luie dagen rond in sleetplek zonder meer.

Maar dus, ting ting enzo. Het bovenstuk van de pyjama kon doorgaan als zijnde hippe t-shirt met lange mouwen. Ik was zelfs zozeer bij de pinken dat ik ze controleerde op ‘goodnight’, ‘sleepdingens’ en melige geeuwbeertjes. Niks van dit alles : wat purper met witte motiefjes en zeer uitverkoren om mijn feestjeskledij te vervolmaken. Nog een vestje erover en geen kat die in duizend jaar erop zou komen dat ik rondbanjer in mijn slaaptrui. Schoonzus en rest, ik kom eraan!

“O nee, mama! Wat heb jij nu aan? Dat is uwe pyjama!”

Verjaardagscadeau terug afgepakt, lap rond hun oren, en mij grijnzend als een ongemakkelijke Tanja Dexters (lees : verfrommeld) op de taart gestort.
Zei ik ergens ‘doetjes’?

Licensed to Ill

    “Hypochonder, hypochonder!”
“Dit verdient een publieke verontschuldiging op het internet!”

Mja, voor ik dat doe, heb ik een vraagje.
Is er een geneeskundige lezer die mij kan vertellen of de incubatietijd van een snotvalling met wat keelpijn vier dagen duurt?
En nog eentje :
Waarom hebben mannen zo weinig weerstand tegen snot?

Allez dan… sorry schat dat ik durfde twijfelen aan je twee eenzame niesjes van woensdag. Natuurlijk ga je bijna dood van de vreselijke pijnen die je neus-, keel- en oorzone teisteren. Vergeet je zakdoek niet, morgen.

Very good indeed am I with stupid stokskes die tag heten.

Oh God. ’t Is weer van datte.

‘You’re it!’ Tuurlijk am I it. I am altijd it. Its middlename is pineut.
Waarom? Waar-oem God? Wat heb ik u ooit misdaan?! (Behalve dan Hollandse Jaqueline in het vijfde studiejaar tijdens naaien met mijn naald in haar gat geprikt.) (Jaqueline was religieus.)
Nogmaals : Why? Because it is also nog in it Englisch too. Tag? Stupid seg.

Maar dan. Toch weeral een slimme die de vraag heeft uitgevonden :
Schrijf tien zaken op over uzelf. Al dan niet geweten.
Nou breekt mijn klomp! Wat is dit? Luiewijvenleesweek in tien puntjes?

Dan heb ik voor u een kleine verrassing, uitvinder van de imbéciliteit, ik heb namelijk 467 puntjes die iets over mijzelf vertellen en die heten : ‘De weergaloze fratsen van ene zapnimf’. Al geef ik toe dat dat ‘weergaloos’ in de mate dat de jaren verstrijken, een beetje tanende is. Wie die doorspit kent mij beter dan mijn eigen moeder. Alsof ik dit tegen haar zou durven vertellen.

Ysabje. Je zal het geweten hebben. Heb je een beetje vrije tijd dit weekend? Dank je wel hoor, meid. Ik hoop dat je gretig genoeg bent om heel mijn leven te lezen.

Omdat alles al eens geschreven is, voila, uw zapnimf in tien terugkerende puntjes.

1. Zeer behulpzaam, zelfs tegen mijn zin.
2. Wankele gezondheid, vooral ledematen en onderbroeken die zich niet gedragen zoals het hoort.
3. Onder invloed van hormonen wil er al eens een lelijke eigenschap komen bovendrijven.
4. Muziek – en mooselover. Allez, soms, als ’t uitkomt.
5. Lezer en dichter.
6. Natuurliefhebber.
7. Helpt de misdaad bestrijden.
8. Heeft heel haar hebben en houwen gerenoveerd sinds de vrijer introk.
9. Leuk beroep, vergt soms wat flexibiliteit.
10.Vier leuke kindertjes, altijd lachen met dat stel.
Puberzap (die ondertussen bijna het volwassendom intreedt)
Zoonzap (die zijn wilde haren is kwijtgespeeld)
Krulzap (met als motto : eerst doen dan puin ruimen)
Minizap (niet meer zo mini, kuren nog binnen de perken)

Oja. 11. Ik ben niet zo aan stokjes. Willen jullie dat onthouden?

Geef het ziekelijk wezen in huis een zakdoek

   Moose : “Hatsjie! (Kop achteruit, mond open, neus opgetrokken, ogen tot spleetjes, spanning opbouwen… en nog eens) Hatsjieee!!
Nog steeds moose : “Ik ben ziek.”

Zapnimf : Rolt ostentatief met haar ogen.
Nog steeds zapnimf : “Welnee, schatje, je hebt exact twee keer geniesd.”
Nog steeds zapnimf in stilte lippend met haar rug naar moose : “En nu moogt ge verder leven, hypochonder.”

Het bewijs is geleverd (in de brievenbus)

Jos.
Jos Vanvenrooij.
Laat die naam wat rondjes draaien op de tong.
Ja, die Jos heeft een boekje geschreven over zijn ijverige huismannenleven : ‘Een baantje van niks‘.
Dat doet hij al heel lang en fijntjes. Alhier het bewijs.

Eergisteren geleverd, vandaag achter de kiezen. Zo vlot.

De criticaster in zapnimf moppert : “Daar had je gerust nog een paar jaar kunnen bijplakken, Jos! ’t Is te dun.”
De slijmbal in zapnimf kirt : “Grinnikjes en glimlachjes om zoveel weloverwogen pedagogie (die rechtschapen Nederlanders doen toch veel harder hun best om hun kinderen goed op te voeden dan wij ik.) en een bulderlach met de recensies op de achterflap :

“Ik wist niet dat je zo leuk kon schrijven” Je moeder
“We hebben uw boek met belangstelling gelezen” De uitgeverij
“Levendiger dan foto’s” Je vrouw

Gelukkig dat boeken tegenwoordig gedrukt worden in leesbare typografie, want Jos zijn schrijfmotoriek komt nog niet overeen met de universele. Is ie zo aardig om een voorwoordje te plaatsen voor nadergerichte… is het quasi onleesbaar.

Help iemand (Jos?) Help! Wat is dat eerste woord?
Wogzoll / zlogral / ??
Voor (mijn naam),
ook wel zap, internet nimf
met hartelijke groet
WLz (ik vermoed dat dat ‘Jos’ betekent)

*smelt* zucht : “Ooooh” (tenzij dat eerste woord iets lelijks wil zeggen)