Voor u en u en ook voor u, en omdat gij het zijt, ook nog voor u. Eigenlijk voor alleman, want ik ben in een vrijgevige bui.

Wie aan een oogkwaal lijdt, wens ik ook veel beterschap (of een loep), maar tot zolang kan je ook gewoon klikken om de foto te vergroten.

Voor mij nog een pakske cultuur, Hadrianus, Ambiorix en Imodium

Als we dan zover naar het westen kunnen reisen, vonden we dat we dat ook wel oostwaarts moesten doen.
En wel om Tongeren te vereren met ons bezoek. Zomaar. Omdat we over Sagalassos hoorden. Omdat we nog nooit in het Gallo-Romeins museum zijn geweest. Omdat we bij strootje trek Tongeren bovenhaalden. (Utrecht, Trier, Luik, Hasselt, Eindhoven… ooit komt het ervan.) Omdat moose nog verlof over heeft.

Bij vertrek-kilometer vijf -nog twee van de autosnelweg verwijderd- voelde ik me ineens niet lekker. Kwaaltje in de onderbuik, dacht ik en ik friemelde ongegeneerd mijn (nog net iets te spannende) broek open. Vier seconden later herkende ik het kwaaltje : “Help, ik moet een wc vinden en snel”, kermde ik. In dezelfde jammerkreet suggereerde ik mijn ouders, zes kilometer verderop, maar nog steeds dicht bij een autostrade om daarna niet te veel tijd te verliezen. Telefonisch beval ik de oudjes van de pot vrij te houden en eventueel voor te verwarmen. Dit alles terwijl ik doodsangsten uitzweette : dat is de auto van het werk, die wil je niet onderschijten. Onwillekeurig dacht ik aan Music For Life en aan mezelf als Vlaanderens bijna eerste slachtoffer. Als dat nog veel voorkomt, kak ik mezelf nog wel een keertje dood. Zou ik mijn geld terugvragen en lekker aan mezelf besteden? Hoeveel kost een familiedoos Imodium?
“Hier -Aaaaahhh- woont Griet (collega), maar ik knijp nog wel even!”
“Oeoeoeoeoe, links huis van Kathleen (ook collega), maar rij vooral verder want daar durf ik toch niet te bellen.”
“In die straat zou ik bij Christel (vriendin) kunnen gaan -auwauw- te laat, rap, zie dat je nog door dat groene licht geraakt!”
“O? Het is over. Gevaar geweken. Net nu we er zijn, zeg.”

In deze alinea gebeurt er vanalles dat ik niet ga beschrijven, maar dat wreed opluchtte.

Om u even af te leiden, vertel ik dan maar over vorige week, toen ik in goed gezelschap doorheen het mooie Pellenbergse landschap wandelde en ineens last kreeg van winderigheid. Ja, in de darmen, ja. Orkaankracht. Automatisch houden beleefde wichten als ikzelf die drang tot petomanie op. Hoe meer berg er nog beklommen moest worden, hoe krommer ik ging lopen van de pijn. Tot de apotheose kwam en ik van de zeer moest overgeven. In de auto naar huis heb ik me aan gedwongen flatulentie gewaagd en tegen de tijd van thuiskomst kwam ik terug tot mijn leeggelopen zelf, gespeend van alle voormalig leed.
Ironisch genoeg had ik enkele dagen voordien nog van de daken geschreeuwd dat deze maaggehalveerde sindsdien geen, ik herhaal, geen scheten meer liet. Tjonge, God straft onmiddellijk. En een teveel aan ui is van het menu geschrapt als ik uitwaarts verplichtingen heb.

Telkens moet ik bij bovenstaande en soortgelijke grollen denken aan een vroegere blogster die allerlei Belgische wantoestanden aanklaagde en daarbij zich met de opgeheven vinger afvroeg waarom wij blogwurmen daar weinig reactie op hadden en liever over onze eigen drollen schreven.
Omdat ik helemaal gedomineerd word door mijn eigen spijsverteringsingewanden, tiens! He-le-maal! Altijd!

Terug gezellig met de huisgenoot tegen 70 per uur achter een dashboard in een autostoel gezeten, wierp ik dé vraag van de dag op: “Schat, zou ik nu de enige zijn wiens leven zo beheerst wordt door mijn blaas en mijn darmen?”
Hij: “Welnee, lief, bijlange niet, maar die anderen hebben een stoma.”

Genoeg op mijn kop gekakt!
Dit was het zorgeloze vervolg van de dag. Aanrader!

Goh, eerst kregen we een ticket gratis van een mevrouw die een plakker teveel had gekregen, daarna stonden we oog in oog met een kind dat als huisdier een kerkuil meegenomen had naar de ijspiste op markt en alsof dat nog niet genoeg was kwam Patrick Dewael ons nog goeiendag zeggen in een brasserie. Zotter hoeft het niet te worden. Wij zeggen toch nu al : Leve Tongeren!

Een plotse bruisbal van eenzamen

De poeha rond Kerstmis, wij kunnen best zonder.
Nuja, wij kunnen ook zonder, ik zeg maar wat, warme voeten, maar dat wil niet betekenen dat er hier niet intensief gebruik gemaakt wordt van het kersenpittenkussen (dat ik veel beter kan typen dan uitspreken en zulke grote oren heb ik nu ook weer niet, vergeleken bij Spock).
Bon, poeha en kerst. Eerst staken we alle kaarsen in huis aan, alle 1024, en daarna trokken we het tv-deken op tot aan de neus, vergaarden alle drie de pluizenbollen op onze schoot en zapperden alle fijne opgenomen programma’s achter elkaar en verzakten bij de tweede ‘Midsomer Murders’ in diep gesnurk.
“Deze heb ik precies al eens gezien.”
“Ik ook. Ik herken die grijze snor.”
“Weet gij nog…?”
“Nee.”
“Zullen we een andere nemen?”
“Kweeni.”

“Zgrrgggggezzzeeeegg.”

En uitgeslapen de dag nadien!

Wat natuurlijk keihard van pas kwam omdat we tegen de middag 150 km westwaarts moesten aanschuiven aan het aperitief. Ook daar hadden we vooraf tot soberheid besloten. Wat erop neerkwam dat de cadeaus werden afgeschaft en ik niet dronk. (Ik word sinds de operatie mottig van alcohol, altijd een Bob voorradig als het nodig is.)
Appelmooses ouders hadden hun aversie tegen warm eten ’s avonds als volgt verkocht : “Kom ’s middags, dan kunnen jullie lekker weer naar huis voor het donker wordt.”
Ook een manier om iemand op tijd het huis uit te kegelen natuurlijk, zonder onbeschoft te wezen. Maar dat het lekker en gezellig was, ook op de noen, dat betwist niemand.

Wat doe je dan, als je eenzaam terug op de straatstenen in de Westhoek staat op de vooravond van 25 december?
Je denkt dat Ieper wat te bieden heeft. Of eerlijker, je denkt dat helemaal niet, straten zijn toch leeg als elkeen aan een familiedis zit te schransen? Of de herhaling van een eucharistieviering ontleedt? Of op de vuist gaat met nonkel Leo omwille van een toekomstige erfeniskwestie? Of zielig in een hoekje Kerstmis verwenst?
Manmanman. De ijsbaan was daar open (maar de plassenwisserjongen bleek spoorloos), de kerstmarkt leefde voor een deel, en het verlichte straatbeeld was echt wel een fotoreportage waard (met statief). Helaas bleven we daar ook in gebreke. Fototoestel vergeten. Kortom, het was daar enig verpozen in de Ieperse straten.

Wat ik nog nooit meemaakte en de ervaringsdeskundige naast mij uit de streek al meermaals, was natuurlijk ‘The Last Post’ onder de Menenpoort. Dat leek me wel kerstig bij uitstek. Die koukleumende klaroenblazers bijstaan in hun eenzaamheid. Volk of geen volk, iedere dag toeteren ze daar de vermisten van de ‘Groote Oorlog’ opnieuw naar het collectief geheugen . De geroutineerde naast mij, plantte mij op een bepaald plekje, “Want ze zullen daar staan!” Meewarig schudde hij zijn hoofd naar de arriverende toeschouwers die het waagden van op ongelukkige plaatsen halt te houden.
Dacht ik dat het ritueel op kerstdag een eenzaam spektakel zou worden, had ik toch wel ferm ernaast gedacht. Van alle kanten stroomden andere solitairen, contactarmen, geïsoleerden, eenzelvigen, al dan niet met partner en kinderen, onder het dak van de poort? Het bruiste er van de stille aanhoorders. Aanhoorders van de vier klaroenspelers die zich uiteraard (tjonge, waarom trap ik daar toch steeds weer in?) niet aan de positionele choreografie van moose hielden. Zij verrichtten een ceremonietje met enkele stappen in een boogje om dan met vier naast elkaar van paretten te geven midden op straat. Iemand aan de andere kant bracht een ontroerende evocatie in tekstvorm, waarna er terug statig muziektonen de doden hulde brachten.

Ik plengde een op zijn plaats vallende kersttraan.
Hij ook.
De poeha was ver te zoeken.

En dan zei hij : “In de jaren 80 stonden ze wel daar.”
En ook : “Ik denk dat de kat in mijn kofferbak gepiest heeft.”

Naast hebberig toch ook een beetje geverig

Dat kerstcadeau verzinnen voor een medeblogger is niet zo simpel als het lijkt. Niet iedereen gooit zijn privé, interieur, tuin, diepe roerselen van de ziel, zijn belachelijke missers op het net, zo blijkt.
Het moodboard waarop ik mij mocht baseren gaf gerbera’s en schriften en films en muziek en een kleurenpalet. Dat is natuurlijk allemaal heel aardig, maar uiteindelijk kan ik toch niet meer doen dan weeral mijn eigen ding. De vergaring van de bloemen gaven bij de gemaal enige frustratie, maar hey, ik mocht mijn onmogelijke ideeën wel in werkelijkheid omzetten, hij diende enkel met een winkelkar door Ikea te denderen.

Graag gegund aan Bieke :

Een nieuwjaarskaart

Eén cadeaudoos. Oftewel een schoendoos beplakt met de onderleggers van een etentje met de collega’s die allemaal braaf hun eetpapier afgaven. “Hier pak aan, ik heb er nog niet op gesmost.” Voltooid met een strik.

Ik hoop dat je alcohol lust, Bieke. Nog meer hoop ik dat de rosé te degusteren valt, gezien de fles louter is gekozen vanwege de purperen hals.

Een zelfgevouwen doosje met magneten. Omdat ik alleen maar doosjes met magneten kan frutselen.

Een cd -oeoeoe risico- met een handvol ‘word-vrolijk-deuntjes’ erop gebrand. Weeral een excuus om het doosje op te luisteren met papier van eigen makelij.

Omdat ze qua kleurentint in het concept passen. Omdat ik ze voor een appel en een ei op de kop kon tikken. Omdat de doos ook wat cachet van een ander met metier moet bezitten.

Een gepimpt schriftje. Met verdomse namaakbloem. Daar zat oorspronkelijk wel een steel aan dus. Ge-zweet!

En toen durfde ik dat kleingoed niet naar de post te brengen. Jullie willen niet weten wat voor een simpel gedrocht er onze balie bevolkt. Die fles had niet eens de weegschaal gehaald, daar ben ik zeker van, laat staan het sorteercentrum. Er zat dus niks anders op dan zelf naar de andere kant van het land te rijden en erop vertrouwen dat ik mijn doos aan een voordeur zou kunnen installeren. Wat ben ik toch een gemeenzaam gokkertje. Vriendelijke buren hebben die taak op zich genomen en met verve, want ’s avonds vond ik een dankmailtje in de virtuele schuif.

Eer je me krankjorum verklaart, toevallig sprak ik die dag af met een medeblogster (de wereld loopt er over van!) die ook in diezelfde andere kant van het land woonde. Dat heet : twee vliegen in één klap.

Door een andere hand vastgelegd, mijn knutsels in mooiere kleuren ook bij Bieke te bezichtigen.

Voor de hebberige honger van de lezende en schrijvende nimf van een reuze Secret Santa

Je bent hebberig of je bent het niet.
Ik ben het wel.
Daarom deed ik dit jaar mee met Tess’ Secret Santa, nadat ik twee jaar de kat uit de boom heb gekeken. Hebberig, maar ook afwachtend, of eerder gebrek aan initiatief.
En zie! Mijn kleine krachtinspanning tot inschrijven loonde! Dit vond ik vandaag in de bus :

Iemand had heel goed opgelet bij de linken die je moest doorgeven en koos voor een boek dat helemaal mijn ding is.

En voor al mijn ideeën (die nu eigenlijk op allerlei losse papiertjes bij de pc rondslingeren en evenveel keer kwijt geraken), kreeg ik het volgende. Let wel, zei de bijbehorende brief, de cover is niet zomaar toeval.

Hartelijk dank Ine, je zit er pal op en je hebt mijn hebberige honger helemaal gestild.
Ook voor jou een knallend jaar waar de hoogtepunten de dipjes ruimschoots overtreffen.

Het kan natuurlijk niet voor alleman het feest van de vrede zijn

Vond ik plots dit midden op de oprit.
Omdat het vilbeluik te duur is en voor begraven ben ik te lui dus werd het een zwaaielige zwier aan de staart zodat rattelijf een boogje beschreef tot in het bosje achter het huis.
Waarmee ik weer de buik van een of ander roofdier heb blij gemaakt. (Want toen ik wilde wijzen aan moose was ie ribbedebie)
Altruïsme, that’s me.

Waar is de week ineens gebleven?

   Maandag zat ik in bad en las ik mijn boek uit. Plots was het late namiddag en het water koud. ’s Avonds ging ik zwemmen voor de eerste keer na de operatie. Mijn velkrimpplan : drie keer in de week een kilometer zwemmen.
Dinsdag had ik ineens door dat Kerstmis wel heel rap eraan komt. Kon die kerel niet een week wachten met geboren worden? Ik spast nog in die knutselkramp om mijn secret santa van iets zelfgefabriceerd te voorzien. Waarom wentelen ideeën in je kop steeds tegen lichtsnelheid en als je ze wil uitvoeren heb je een extra zee van tijd nodig. In die flow bedacht ik dan ook nog dat er weer kerstkaarten gemaakt moeten worden. Hellup! Ik ben al dagenlang aan het prutsen. Oja, ’s avonds personeelsvergadering.
Woensdag deed ik verder op datzelfde elan, moest ik Ava papier leegkopen en snollen in Lucas creativ (tekengerei), die toevallig naast een teakwinkel overstock staat en waar ik dan ook maar even een ommetje in maakte. O, oeps nog even de Colruyt binnenspringen voor vogelzaad en frietvet, want de schoolkerstmarkt komt eraan en ik moet nog 100 minivogeltaartjes in elkaar draaien. Dan ineens ook maar de Standaard binnen, de Aldi en de Action aandoen (boeken, eten, euh… vanalles) en -ik begrijp er niks van- toen was het zes uur, tijd om te gaan zwemmen. Geloof het of niet, wanneer ik mij later in de avond voor mijn pc kroop, bleek het internet het niet te doen tot slaaptijd. Het is mijn week niet. Heb ik wel het Groot Nederlands Dictee gemist natuurlijk, al was het maar om te schieten op die ouwe knullerd die nog nooit van articuleren en uitspraak heeft gehoord. Martine! Genees snel!
Vandaag -grrrr- eerste echte werkendag en mijn tandvlees ligt al uitgestald om op te lopen. Omwille van alle verplichtingen hierboven, natuurlijk niet door die lieve kindertjes, die vandaag toch weer veel meer snot produceerden dan in mijn herinnering van vijf weken geleden. Dat ze daar eens iets tegen uitvinden, een anti-snot-gen inplanten bij embryo’s bijvoorbeeld.
Dat het maar snel kerstvakantie wordt, zeg.

Iemand goesting om mijn kerstboom te komen optuigen? Want dat doe ik ook zo graag.

Daar moet ik mee trouwen? Hij is al zo dement als een kruk.

    Zoals altijd belde moose naar huis als hij van zijn werk vertrekt.
Deze keer herinnerde hij me eraan dat hij eerst nog naar de tandarts moest.
Ik vertelde over een rare telefoon die ik kreeg van de toekomstige ‘schoonmoeder’ van puberzap.
Ondertussen merkte ik dat moose met vanalles anders bezig was. En vloeken. “Maar vertel maar verder, zappie.”
Over de clemantines die ik nog vond voor sinterklaas. “Mor enfin?” bromde hij.
Bij hem was de dag ook vooruitgegaan. “Zucht zucht…”

“Wat is er toch?” haalde ik hem terug naar de aandacht.
“Ik zoek godverdoeme al tien minuten mijn telefoon.”

Tja. Mag ik er nog eens over nadenken, moose? Over dat jawoord?

Om alles om jou

   (vervolg)

Zodra ik zijn dinsdagavondbetrachting zag oppoppen in de agenda en de toornige stoom zich nog vormde in mijn oren, hing ik al aan de lijn om, zoals in betere tijden, mijn vriendinnen die avond naar hier te lokken met de belofte van nog eens een onvervalste meidenavond te organiseren. Mannen verboden-uitgesloten-uit den boze-feestje. Nah!

Intussen probeerde moose mij te paaien met een alternatieve verjaardagsstrategie ; hij liet vier dagen op rij (za-zo-ma-di) een pakje achter op tafel met een briefje en kaarsjes erbij :
5 : om humor en om spel… gelukkige verjaardag! En ik pakte Boggle uit, een spelletje uit mijn jeugd dat ik onder druk van de nostalgie al jarenlang zocht. (Kinderen, als jullie dit ooit lezen… mama liegt nu… de sint heeft dit voor jullie gebracht, echt waar. Alsof ik mijn eigen cadeau zou doorgeven zeker, hihihi, tuurlijk niet.)
4 : om warmte en om geborgenheid… gelukkige verjaardag! (een kersenpittennekkussen en iets in die aard warmtesloefen) Ideaal om mijn verstoorde lichaamstemperatuur terug op te krikken tot 37 graden C.
3 : om seks. Euh… moetenjullienietwetenwatikkreeg. (Kinderen, als jullie dit ooit lezen… dat is allemaal niet waar hoor… wij doen niet meer aan seks, eikebah.)
2 : om gesnotter bij elke film… gelukkige verjaardag! Die was origineel. Deze keer pronkte daar mijn eigen ouwe keukenrolhouder op tafel. Hij geraakte terug op zijn plaats via het hoofd van moose.

De 1 was blijkbaar in alle tumult vergeten, want toen ik thuiskwam van een ziekenhuiscontrole dinsdagmiddag, las ik op een briefje wie er allemaal gebeld had en onderaan : ‘Amuseer je met de vriendinnen, je hebt het precies nodig.’
Ok. Dit was het moment. Dit was de stonde dat ik een floeren aap scheet, de mobiel greep en de toetsen mishandelde in de volgende sms : “Het enige dat ik nodig heb is een vrijer die zijn lief niet op de laatste plaats zet, die er zelf bij is als hij zijn pakjes geeft.” Vervolgens deed ik wat ik al een hele week deed : proberen mijn zelfmedelijden te verdrinken in een potje janken.

Op het eind van de middag stormde een zichtbaar aangedane moose hier binnen en gebruik makende van mijn verstomming greep hij me in een omhelzing beet vanwaar ik mijn geplande verpletterende uppercut niet meer uit de startblokken kreeg.

Hoor ik iemand ‘oooooh of aaaaaah’ zuchten en zwijmelend de handen bij elkaar slaan, toostend op een verzoenend einde?
Mispoes.
‘Rancuneus’ noemde Sterre het, bij hervertelling van het verhaal, maar Sterre is dan ook een verdomse overloopster, fan van moose, de tik. Alsof coleire zich zomaar laat verdrijven door een melig vastpakje. Niet toch? Emmers heb ik vergoten voor die gast.

Wel wilde ik nog even weten hoe het kwam dat hij ineens in de namiddag hier komt opduiken in plaats van op zijn arbeidsstee 60 km verder? De tofferd had zijn werkgever wijsgemaakt dat hij iets vergeten was voor het gastcollege van die avond dat hij nog moest oppikken.

Toen vriendin één verscheen was moose alweer zich gaan kwijten aan zijn belangrijke taken.
Geen beter medicijn dan een trosje ouwe vriendinnen. Het verdriet verdreef in een mum van tijd. Meer zelfs, ik vertelde hen het dolkomisch verhaal van Joke na en het volgende kwartier zat er niemand meer recht op zijn stoel. Tjonge, dat moet vanaf mijn persoonlijke prehistorie geleden zijn dat ik nog zo gelachen had. En van mijn geboorte dat ik nog zo weinig at van een volle tafel.

Ineens bonkte iemand op de terrasdeur. “Toeme, S.” (die zou later komen), vloekte ik, “kom toch langs de ach-ter-deur!” Na enig geworstel met het gordijn, zag ik mijn eigen vier lendenvruchten op het terras staan met ieder een witte roos omklemd. Over een verrassing gesproken. Zij resideerden die week bij papa en nu kwamen ze uit zichzelf een boekenbon en vier rozen presenteren.
“Hoe zijn jullie hier geraakt?” ondervroeg ik hen.
“Met de fiets.” repliceerden ze.
Zoals iedere rechtgeaarde moeder dan zou doen, priemde ik met mijn vinger in hun buik : “Waar is jullie fluovest dan?”
Zoals ieder leugenachtig kind dan zegt : “In de fietstas van minizap.”
Leuk leuk als je koters je niet vergeten en dat bewijzen door veel moeite te doen.
De volgende stap was dat ik naar buiten moest komen. (Mor mannen, ik word maar 43 hoor, dat is niks speciaals). Op de oprit stonden een flinke hoop kaarsen, netjes in twee vendiagrammen gesorteerd en in de doorsnede stond een groot windlicht/kandelaar met daarin een kartonnen doos van een vogel annex fluitalarmpje.
Terwijl ik nog bezig was met mijn verbazing bij de lurven te vatten, schreed (ja, hij schreed) moose uit het bos met een rode roos. “Dat is net zoals bij de Bachelor” kwinkeleerde een van mijn minder begaafde feestgabbers.” Terwijl een andere hoorbaar begon te kirren en krulzap sommeerde om haar fototoestel te halen in haar tas binnen.
Het opgewonden tjilpen liet ik aan mij voorbijgaan, blaffen daarentegen : “Moest jij niet werken?”

“Pak die doos eens,” negeerde hij mijn gekef, “en kijk daar eens in.”
Ik vond dit.

“Word het eens geen tijd dat wij gaan trouwen?”

OVER EEN SLECHTE TIMING GESPROKEN! VENT TOCH!

Iedereen rondom ons juichte, oeoeoe-de en klapte. Puberzap dreinde onophoudelijk: “Ikmagtochgetuigezijn, ikmagtochgetuigezijn, ikmagtochgetuigezijn?” Twee andere eigen broedsels balkten in haar kielzog : “En wij willen bruidsmeisje zijn! Wat doen bruidsmeisjes eigenlijk?” Waarop de vriendinnen : “Ja, wij willen ook wel bruidsmeisje zijn!”

Ik hield mijn klep voor één keer gesloten. Jarenlang laat ik verstaan dat ik zijn officiële vrouw wil zijn. En dan kletst hij me dat nieuws in mijn gezicht op een tijdstip dat ik gewoon het liefst van al met een goeiendag -met pinnen- zijn ruggengraat wil breken.
Om aan te duiden dat ik utterly confused was.

Heel even overwoog ik om nee te zeggen, maar moose is zo’n consequente mens. Stel dat die ring terug in het doosje gaat om er nooit meer uit te komen, miljaardedju, dat kon ik toch ook weer niet riskeren.
“Mummlemumlehelemelmummjaamurrmrmrmrmrm”, murmelde ik.
“Heeft die trut nu eigenlijk al iets geantwoord?” stonden de vriendinnen geheel aan mijn kant.

“JAAAA-HAAAAAA” brulde ik hen toe. Waarop ik weerom begon te tranen en niet helemaal uit blijdschap.

“En dat je maar niet denkt dat je een roze kleedje met een strik gaat krijgen”, beet ik mini en krul toe. “Weet ik veel wat een bruidsmeisje doet!?”

—————————————————————————————————————————————————————————————–

Nou, die zin hierboven vind ik zelf een sterk einde van deze non-fictie, maar zoals dat in werkelijkheid meestal gebeurt, bedaarden al snel de gemoederen, drong het tot mij door dat de smiecht mijn verjaardag toch niet helemaal vergeten was.
(Het gastcollege werd door zijn collega gegeven, maar de dag nadien was het wel zijn beurt. De hele namiddag was een gehol om kaarsen, rozen en kandelaar, een afspraak met de goudsmid bij wiens uitstalraam ik altijd sta te geilogen naar de trouwringen, bij bompa de kaarsjes roderen en het distributiekastje op de oprit omver rijden, de kinderen halen bij papa)
Vervolgens kleurde ik van donkerpaars naar ultraviolet gelukkig en vergaf ik hem zijn voorbije weekend. Het feestje werd nog een voltreffer van formaat.
Op naar de zomer van 2013! Eerst nog een jaar vermageren en dan een zomer afwachten uiteraard.
En we leefden nog lang en gelukkig. De volgende morgen lag het laatste briefje op de tafel :
1 : om alles om jou… gelukkige verjaardag.

Toen, de avond was al ver gevorderd, kwam S. langs de achterdeur binnengevallen : “Zeg, weten jullie al dat ik op 31 maart ga trouwen…?”

Grienen, blèren, huilen, janken, schreien, snotteren, snikken in de poel der hormonenverderf en toch ook een beetje met reden

     Als ik mezelf herlees door afstandsogen, lijk ik wel gefabriceerd uit falderie en faldera. Rozerode trippelinkjes ondersteund met armtrillende vleugelslagjes. Lol, leut en lap-nimf, denderend gniffeltoeteren in een universum van jool.

Wat ben ik toch een jokkebrok.
Hele tranenvalleien doordrenken hier de tv-dekens, vervellen mijn wangen tot schuurpapier en spannen samen met de hormonensmeltkroes die verantwoordelijk is voor het beheer van de gevoelsmatige instorting op gezette tijden.
Alleen… ik kan er pas later later over schrijven. Als het leed al geleden is. Als het perspectief terug in proportie gepropt is. Stel je voor dat ik medelijden ga genereren. Met erbarmen weet ik geen blijf, dat is ongemakkelijk.
Vandaar dat de volgende woorden een week hebben moeten wachten. Het moet wel gezellig blijven natuurlijk.

Verleden week. Ik jarig. Iedereen lief. Behalve moi.
Namelijk : de agenda stond eivol per ongeluk. Hallo? En ik?
Dinsdagavond -mijn verjaardag, weetjenog?- ingekleurd als : gastcollege in Lessius Hogeschool Mechelen 19:00u.
Woensdagavond idem Leuven Groep T
Donderdagavond : generale repetitie winterconcert 3 december (hij speelt klarinet en ik mag ineens nog niet zeggen : ga je fluiten vandaag? Dan steigert hij. Snappen jullie dat nu?)
Vrijdagavond : tandarts moose
Zaterdagmiddag : verjaardagsfeest puberzap
Zaterdagavond : winterconcert harmonie moose
Zondag : tof bezoek uit bloggenland

“Aha”, bedacht ik lang geleden nog, “het weekend voor mijn verjaardag hebben we geen kinderen, laat de verwenning maar tot mij komen.” Dat was buiten zijn vrienden gerekend. Zij wilden afspreken. In een restaurant. Met ons. Ik gebaarde nog van ‘vrijhouden!’, ‘mijn weekend!’, maar moose gebaarde vriendelijk terug van kromme aas. Achja, dat werd dan vieren met een etentje in een verre provincie.
Tot ik van de chirurg hoorde wanneer hij mijn inhoudsmaat ging terugschroeven tot praktisch twee keer nihil. Alsof ik twee weken later mij zou kunnen volboefen in een eetkeet. Ik kon/wilde bijgevolg niet mee.
“Wat wil je dat ik doe?” wierp hij voor de vorm op.

En hier liep het danig mis.
Ik antwoordde : “Dat moet je zelf weten.” Dat moet je zelf weten? Dat moet je zelf weten? (krijsstem) Dat snapt een man niet. Nee nee. Kijken of er een hagedis op je gezicht gepist heeft en heftig uit iedere porie seinen : Blijf bij mij! Stel dat ding uit! Nodig die mensen desnoods naar hier uit! Laat mij toch niet zielig onhongerig, tenzij naar een sprankel liefde, verpieteren op de bank tussen Lewis, Taggart, de Tudors en Jan Becaus. Alle weekends van het hele jaar, maar niet dat ene waar we samen mij, moi, zap, ik, myself, me kunnen vieren! Boehoehoehoe.

Twee minuten later belde hij zijn maat : blablabla… dan kom ik lekker alleen… kwekkwekkwek.

(Zei ik al dat hij zondag verplicht verwacht werd op het sinterklaasfeestje van zijn werk? Pannenkoeken eten tot je barst. Joepie, nog een gelegenheid om te lopen grienen bij iedere ademhaal.)

wordt vervolgd

Hippocrates draaide zich om in zijn graf, boomtownratsdoktoorvanmijnvoeten!

    Na tien dagen moesten de draadjes uit mijn achtwondig buikvel geplukt worden.
Nadat ik merkte hoe dapper ik omsprong met die tien spuiten tegen tromboflebitis…
(Jaja, dokter, dat doe ik wel even zelf, plokplok. Om vervolgens met ogen dicht en verwrongen gezicht af te wachten tot mijn vent -ook waarschijnlijk met zijn ogen dicht want hij valt al flauw als hij op tv een naald ziet- dat onding in mijn dijbeen mikte. Waarop ik wat ijl krijste omdat de situatie dat vereiste.)
Dus na die cureerkleun bedacht ik dat die blauwe nylondraad die mijn middel met diverse knoopjes versierde, misschien beter aan professioneel personeel overliet. Hoewel ik ook een schaar en een pincet heb, hoe moeilijk kan dat zijn?
Toch toch, op vrijdag maakte ik een afspraak voor maandag, immers dan telden we reeds dag elf. De dokters eega pruttelde wat tegen aan de telefoon : hoe kon ik weten op vrijdag dat ik op maandag een geneesheer nodig heb? Achja, het is altijd mogelijk dat mijn huisarts zijn gade geschaakt heeft van een plaats waar het IQ niet welig tierde. Ik schrik van niks meer, behalve dan van een shot Fraxiparine (dat is dat spul van een alinea eerder).

Zoals in zijn en mijn agenda genoteerd stond, bood ik me op zijn kabinet aan om 19.00u. Omdat wij een energiezuinig geslacht zijn als het op verplaatsing aankomt, had ik eveneens krulzap en haar injectienaald tegen baarmoederhalskanker in de auto en later in de wachtkamer gezet.
Er waren nog drie wachtende onwelwezenden voor ons. Als ik de Knack Wonen kan bemachtigen van de salontafel, vind ik dat geeneens erg.
De huismedicus daarentegen jeremiëerde steen en been. Dat hij kwaad was op zijn echtgenote omdat ze ons ‘aangepakt’ had, dat maandagen voor een geneespeer zijn zoals Bob Geldof ze bezingt en erger, dat sinds mensenheugenis niet doodzieken zich beter van een andere dag kunnen bedienen. Eey, alsof ik geen recht heb op zijn eed van hippocrates en krulzap, met onze -sorry hoor- luxeproblemen.
Om toch nog blijvend zijn ongenoegen te uiten, vogelpikte hij zowat de inhoud van de baarmoederhalskankerwerende vloeistof in mijn dochters bovenarm, het kind sleepte zich kreunend naar buiten en bij mij trok hij wel een heel ongeinig gezicht. Ik voelde hem de tijd uitrekenen dat mijn lichaamsnaaikunst hem zou kosten. Lap, weeral tien minuten extra achterstand. Plompweg knipte en trok hij, zonder bruut gedoe te schuwen. Toen zag ik plots zijn ogen groter worden, alsof een glimp paniek er zich nog bij wilde stouwen. Mijn sneetjes waren nog niet helemaal dicht en er welde bloed en huid trok en het postuur met de pincet ruilde dat ding in om raprap zijn plakstrips boven te halen en mijn lijf toe te tapen.
Het hielp zijn humeur nog meer de dieperik in.

Een dubbele rekening en met de mededeling dat ik toch nog niet in bad mocht, duwde hij me de donkere avond in.
Oja en of ik niet meer op vrijdag zou willen bellen voor maandag?

Homo sapiens non urinat in ventum!

    Het domste wat ik vandaag in de vlucht mocht meepikken :

Homo ‘sapiens’ met bladblazer die de berm voor zijn villa bladvrij maakte tot net aan de scheiding met de buren…
… in een groot bosrijk gebied.

Straks nog effe tegen de wind in pissen ook?

Dat wordt proppen in de woonkamer

    Puberzap wordt ergens volgende week achttien.
Ondertussen is dat kind een schone jonge dame geworden met een eigen mening. Die mening zei een keertje dat ze toch graag een familiefeestje wilde. Tot twaalf jaar, gebeurt dat hier consequent en daarna een beetje hoe het loopt. Puberzap heeft de pech dat ze telkens tijdens de examens jarig is en dan durft zo’n festiviteit er al wel eens van tussen vallen.
Maar niet deze keer! Deze keer zou moedertje een heus kamvuurfeessie in elkaar steken, met allerlei warme hapjes en soepjes en warme wijn of chocomelk, of nog, jenever, een worstje op de bbq, met alle randanimatie van dien.
Mammie had de laatste tijd ook veel mensen aan de telefoon en het werd haast een automatisme op het eind de bellers ineens uit te nodigen voor de openluchtdis : “En kleedt u goed aan!” bralde ze erachteraan, terwijl ze door het raam een heerlijk winters zonnetje aanschouwde, blauwe hemels en nog steeds bebladerde bomen in de windstilte van de magnifieke november.

Zo telde ze vandaag zesentwintig luitjes die mee hoera komen brullen.
Daarna zag ze het weerbericht: zaterdag tot windkracht zes met veel regen…
Hmm.