Berichtje uit Egypte

zapnimf1kleinwit-op-lichtroze    “Ik zit niet in de ballon!” sms’te zijn moeder naar moose die ergens in vergadering gestrikt zat.

“En? Wat kan ik daaraan doen? Pak dan een boot op de Nijl? Een kameel door de woestijn?” dacht hij.

(Of hij dacht dat niet, maar dat doet er niet zoveel toe, want het is toch mijn blogstuk en ik schrijf nog steeds wat ik wil.)

Het journaal zag hij pas ’s avonds.

Advertenties

Waar is Jezus met zijn handoplegging als je hem nodig hebt?

zapnimf1kleindonkerroze-op-lichtroze    De eerste sneeuw van het seizoen viel op zes december.
In het geheugen gegrift, die datum, want ik viel ook. Hard. En niet voor de eerste keer.
Ik schoof onderuit met mijn stalen ros op weg naar ’t werk. Daar wachtte die tist op zijn schimmel op me. Uw zapnimf is namelijk het begeleidmeisje van de goedheilige man. Deze keer echter het ernstig gehandicapte meezeulmeisje van sinterklaas. Mijn rechterkant bleek blauw bevlekt en het schoudergewricht voelde aan als de uitgerukte arm van mijn vroegere barbiepop die er lukraak weer ingefloept werd door de debiele buurjongen.

Ondertussen zijn we aan de laatste sneeuwstuiptrekkingen van het seizoen (hoop ik) en die schouder zeurt nog steeds uit het gelid. Niet smartelijk genoeg om mezelf gillend voor een ambulance te werpen, maar serieus genoeg om medelijden met mezelf te krijgen. Vooral als ik een jas aantrek, iets zwaar moet tillen, op mijn rechterkant lig, bij het dansen doe alsof ik verdrink.

Vanmorgen vond ik een moment en ik gebruikte het om mezelf bij de dokter uit te nodigen tijdens het open spreekuur.
Wat was me dat?
Een twintigkoppig omhulsel van een besmettelijke griepplaag hoestte en reutelde me tegemoet.
De laatste keer dat ik keek was ik nog steeds geen influenzavirusvorser met zeeën van tijd.
“O maar”, wapperde ik hun infectie terug de kamer in, “ik ben blijkbaar toch nog niet ziek genoeg. Toedeloe!”

Ik maak wel een afspraak met Jomanda.

Hoe een ballon zich voelt nadat er iemand op gaan zitten is… ik weet dat.

zapnimf1kleindonkerroze-op-paars4    Al even wervelend als de processie van Echternach groeit het aantal textiel in mijn kleerkast.
Dat heeft een reden : ik heb een natuurlijk opgebouwde hekel aan kledingszaken. Aan paskotjes. Aan meeloerende winkeldames.
Sinds mijn volumekentering, is dé vraag van de dag of ik al veel nieuwe kleren heb gekocht. Misschien is het eerder als hint bedoeld, want die gratenteven zien mij toch ook al maandenlang rondhossen in welgeteld twee lange broeken? De derde hou ik verborgen, die dient om thuis schamel en schraal in te aarden.
Alle hoon en/of erbarmen van ’s werelds fashionista’s ten spijt, keuzestress, dat ken ik niet : eentje in de was en eentje aan het achterwerk. Het overzicht blijft bewaard zo. Simpel.

Ik wilde dat het blogstukje hiermede aan zijn sluitstuk was, maar helaas kwam een voormalige ‘schoonmoeder’ van puberzap wat roet in het eten strooien. Drie kleedjes stopte die tik in een zak voor mijn dochter die op haar beurt dacht dat ze mijn vergeten moederdag ermee kon afkopen.
Voor te lachen trok ik er eens eentje aan. De trut heeft maat 40. Eén minder dan ik. Bijgevolg is de mooiste niet rekbare little black dress enkel geschikt voor smaakvolle recepties waar ik mag blijven rechtstaan met beide armen gestrekt omhoog en mijn adem inhoudend als een parelvisser. Als ik toch respireer of ga zitten, ontploft de jurk met zekerheid. Nuja, dan hoeven ze mij niet meer met vier man languit in de wagen te schuiven zoals op de heenweg.
Voor te lachen trok ik bovenstaand niemandalletje dus niet aan. Het werd een aanspannend rekbaar retrostofje. Niet het minst mijn ding, maar ik moest zowaar gaan schuilen van de complimentjes als ik het op publiek uittestte.
(Zoonzap verdacht mij van anorexia. Zoonzap is foutief gefocust op wiskunde en wetenschap en kent niks van vrouwenaangelegenheden.)
Wie mij twee keer gelezen heeft, weet ook dat mijn ijdelheid zeer ontvankelijk is voor prikkelingen. Maar als ik in de spiegel keek, viel mij vooral veel boebelboebelboebel op. Het ontbreken van een strak lichaam. Dat bedoel ik dus met het laatste woord van de eerste alinea. Ineens moest ik van mezelf een kousenbroek, laarzen en surtout corrigerend ondergoed gaan zoeken in de meedogenloze kosmos van de modeverschijnselen.

Toen het lekker ding dat homo is en tegelijk de peter van krulzapje vond dat we nog eens uit moesten met zijn allen, voelde ik me verplicht om in zijn modieuze nabijheid mij ook op te tutten met jurk en snoerharnas onderaan. Pizza en film werd het die keer. De jongens merkten op dat ik er frivool voorkwam, maar een beetje bedrukt. Dat was de precieze uitdrukking, be-drukt. Tegen die tijd kneep het knellende lingerielijfje die halve pizza zowat terug uit mijn darmen naar diverse innerlijke pijnpunten. Tijdens de film, die naar het schijnt een lachfilm was, lag ik allesbehalve elegant onderuit pogingen te ondernemen om de romp te ontlasten. Iets horizontaals met de heupen naar boven. En de rest maar lachen. Ik maak me graag wijs dat het met de film was.
Kreunend sloeg ik het napraatdrankje over. Nog voor het portier van de auto van het slot knipte, stond ik er al halfnaakt naast te zuchten van hervonden genot. De terugweg werd er eentje van gierend lucht happen en lozen. Langs welke openingen, daar wil ik discreet over blijven.

Thuis pulkte ik driftig een vuile joggingbroek uit de wasmand en zwoer van eerst vijf kilo af te vallen vooraleer ik me ooit nog aan een kleed van magere geep waag.
Zonder speciallekes.

Tjonge, blaaskaakje moet verborgen talenten gehad hebben, denk ik dan zo

zapnimf1kleinpaars-op-zwart    Ze bracht hem mee naar ons huis, onze gezamenlijke vriendin, om kennis te maken.
(Minstens drie jaar geleden. Ik had nog nooit van een tablet gehoord.)
Later zouden we samen naar een gratis toneelfestival in een buurgemeente gaan.

Of we fijngevoelig wilden reageren, want de arme man was zijn nagelnieuwe faillissement nog aan het verwerken. Een tijdschriften- en boekenwinkel met drankgelegenheid. Maar dan voor lezende snobs. Allez, toch niet voor marginalen. Hij mocht graag dralen in de nabijheid van centen. Die van een ander, die van hem, het maakte niet uit als de wet van het fortuin maar gold. Allebei lieten ze hem gelijktijdig in de steek. Maar in de zaak stond wel een hele mooie koelkast voor drankjes te verkommeren.
Ja, oeps, onlangs uit zijn appartement gezet, wegens vele maanden huurachterstand. En toen kon ze toch niks anders dan hem onderdak verlenen, haar kraakverse vrijer van anderhalve week liaison amoureuse? Ach, op de (mis)koop toe een snuifje depressief, maar daar had ze nog niet zoveel van gemerkt, want grappig was de kerel echt wel. En lief. Vooral als ze alleen waren. Op een ander liep het nog wel eens mis. Een vleug arrogantie die soms doorschemerde. Misschien een overblijfseltje van zijn vorig leven, jeweetwel, dat met de rijke nepvriendschappen?
Natuurlijk zag ze wel dat het met besparen nog niet helemaal wilde vlotten. Geen vervanginkomen na zijn leven als zelfstandige, maar wel een schuldenberg en een Mercedes onder zijn gat. Met een gepersonaliseerde nummerplaat, iets met 911. Van een Porsche overstappen naar een Mercedes, dat was wat hij verstond onder zuinig leven. Hij had gevloekt toen hij onze oprit onder zijn wielen voelde : “Met mijn Porsche had ik me nog vast gereden in die putten hier!”

Of we fijngevoelig wilden reageren? De meneer was momenteel een beetje kwetsbaar. “Jullie weten van niks, laat hem in de waan.”
Dus bleven wij onze gewoonlijke zelf : beleefd en gastvrij.
De gabber legde zijn laatste model I-toestand met internetontvangst op tafel en probeerde ons te overtuigen dat wij onze prut waarmee je kan bellen en sms’en moesten inruilen voor iets gelijkaardigs. Slechts zoveel honderd euro. Een beetje verder in zijn relaas zocht hij een naam waar hij niet meer opkwam en wilde hem zoeken met zijn stoefgerief. Oei, ai, wij wonen in ontvangstluw gebied. Sta je daar met je duim op een waardeloze 600 euro te timmeren.
Even later passeerde de Rolex nog en zijn prijs (thuis had hij er nog een) en zo’n e-reader was toch ook wel interessant. Hij las al zijn boeken op zo’n ding, de veellezer. Interessante stuff only. Of moose al had gehoord van ‘The art of war‘, van een of andere Chinees, die… O maar, dat had moose wel. In zijn studententijd nota bene was dat voor zijn richting verplichte stof. De tactiek van Sun Tzu als krijgsheer werd later toegepast in de zakenwereld.
Bij nader inzien, was de broze kerel toch nog niet zo ver in het boek. Eigenlijk helemaal in het begin. Hij had de inleiding al gelezen.

Op dit punt was ik allang afgehaakt en verkocht ik wat olijk gezwets met onze vriendin, waarvan ik probeerde te doorgronden hoe zij in hemelsnaam erbij kwam zo’n geldbeluste zakkenwasser te willen redden/opvoeden.
Het heerschap zelf trachtte moose te imponeren met feiten en kennis en plaatsen in de wereld die hij al van dichtbij bezocht had. Moose gaf geen krimp en ik kromp in de tegenovergestelde richting : op reis gaan? Dat doen wij niet. Duur dinges? Welk nut heeft dat? Chique autobak? Ik rij fiets en niet eens bak.
Bovenop de beschreven mankementen, leek de gozer ook nog doof, want hij vroeg of we al eens in het enige zevensterrenhotel van de wereld waren geweest. Ja vooral : opgespoten zand, te warm en winkelcentra (zo stel ik me Dubai voor), daar wil ik echt naartoe.

Niks te vroeg brak het uur van vertrek aan. We vroegen aan blaaskaakje of hij met ons wilde meerijden. Neen, dat deed hij niet, met iemand meerijden. Neen natuurlijk niet, stel je voor, met iemand meerijden!? Andersom was ook niet aan te raden, verried onze vriendin, want tesamen met blutmans, had eveneens zijn kwijlende, ruiende hond intrek genomen. En zijn drie tieners in het weekend. Het was het beest dat de achterbank tot een geurig harig tapijtje herschapen had.

Onderwijl zijn pogingen om slim te lijken (terwijl mij het enige verstandige, ‘verkoop uwe dure brol en zoekt werk’, leek), wilde hij net voor vertrek toch nog even het kleinste kamertje opzoeken. Op de terugweg bleef hij hangen bij de boekenkast. DE BOEKENKAST, mijn grootste trots, mijn kleinood, mijn verzameling, mijn fijnste bezit. Euh… en ook die van moose een beetje.

Ziehier een fotootje uit de oude doos.

Hmm. tegenwoordig ziet ze er wel wat meer verwilderd uit, die boekenkast.

Gelijk vergaf ik de mens zijn zonden. Hoogmoed, iedereen lijdt daar toch een beetje onder? Verblind zijn door geld, sja, hij zou het nog wel leren. Alle begin is moeilijk. Tenslotte kwam de kerel toch uit de literatuurbranche? Als hij ons leespakket appreciëerde, was dat zijn volste recht en pluimen in mijn gat.

Toenmaals sprak hij :
“Amaai jullie hebben een kleine tv. Die kan zes keer in de mijne.”

De. Kwal.

Pik ik het wel of pik ik het niet?

zapnimf1kleindonkerroze-op-lichtroze1    Meestal schrijf je je uit de naad.
Zelf meegemaakt of zelf verzonnen. Lang en bezweet. Met veel poeha en te veel (bijvoeglijke naam)woorden. En zinnen zonder werkwoorden.

Behalve die ene keer.
Die ene keer pik je een paar foto’s van een ander.
Iemand onbekend pikt op zijn beurt dat rijtje op en linkt via facebook.
Ik weet niet wie, maar het moet iemand uiterst populair zijn, want ineens… tjakkaaaa

Kunt ge zien welke dag ik weer begonnen ben met schrijven?

Duizendennegen keer page geviewd.
Zeshonderdennegen bezoekers.
Dat is nog nooit vertoond bij de zapnimf, zegt wordpress.

Stoem hè?

Koud als een bevrozen huilebakje wiegend op Adèle

zapnimf1kleinlichtroze-op-paars    De chauffageketel was kapot.
Natuurlijk net wanneer er ’s nachts en buiten hartstikke gruwelijke koude temperaturen werden opgemeten.
En omdat het lot gemeen is, op zondag. Wanneer verwarmingslui niet lastiggevallen mogen worden omdat ze op hun enige vrije dag hobby’s moeten uitvoeren, ijsvissen ofzo.
Als overlevingsstrategie herinnerde ik mij onze ingebouwde houtkachel. Zelfs zonder aanmaakhoutjes -krulzap gaat haar schoolwerkjes van houtbewerking waarschijnlijk toch niet missen- friemelden we vele kwartieren later ‘behaaglijk’ in 18 °C. Onder een dekentje. Met alle opgewarmde kersenpittenkussentjes rond gevoelige organen geschikt.

Op maandag wist de vrouw van de CV-keteloplapper aan de telefoon dat de man al begonnen was aan zijn werktaken, maar zonder gsm, want die lag zonder batterij op de tafel thuis. Duh! Waarom had het mens geen CB-ontvangst met haar vent? Een Walkie Talkie? Een babyfoon voor mijn part? Neen, een platte mobiel.
Maar, zij zou hem laten terugbellen, ooit.

Ook nog op maandag, fikte ik de laatste blok droog geboomte op. De ooit-om-te-knutselen-plankjes gingen er vervolgens aan. De stukken schroten die in de open haard passen, volgden. Daarna ondernam ik met de kruiwagen een speurtocht in de tuin naar brandbaar materiaal.

Omwille van iets met weinig zoden en een dijk paste ik de koers aan :
Ik jogde ter plaatse. Ik sprong touwtje. Ik danste op mijn laatste muzikaal cadeau van moose : Adèle. Maar wegens wat wiegen, gezien het muziektempo, hield ik dat snel voor bekeken. Ik baalde mezelf een stekker. Een stekker aan een ingebeeld strijkijzer.

We spreken kwart voor acht ’s avonds.
De haardroger stond net gericht op de onderste ledematen als de loodgieter annex installateur/reparateur me aan de lijn vroeg.
Of ik de zekeringenkast al had nagekeken?
Uiteraard, ik ben niet volledig uilskuiken.
Of ik het opstartknopje al geprobeerd had aan de ketel zelf?
Allicht, wat dacht hij wel?
Mazouttekort konden we uitsluiten?
Tjeeeee. Komaan! Twee keer die fout maken in een ver verleden was genoeg. Nee! Duizendvijfhonderdliter op zijn minst nog in die tank.
Alles in orde met de thermostaat? Daar ligt de oorzaak nog wel eens : batterijen op.
Zot! Het scherm was leesbaar en die batterijen waren nog niet zo lang geleden vervangen.

Raar. Hij zou de volgende morgen voor zijn andere verplichtingen langskomen.

Moose bekeek toch maar eens de batterijen. Die zagen er niet uit zoals het moest. Beetje smurrie her en der.
Tegen middernacht, na het laden van andere batterijen, ontdekten we dat er in sé niks mis met de brander was.
Twee dagen kleumen omdat een batterij het niet ineens tegoei begeeft.
Aaaarggghhh.
(en ook een beetje oef.)

Van uw blogvriendinnen moet je het hebben

zapnimf1kleindonkerroze-op-wit    Weliswaar heb ik mijn kroost er dan wel voor verminkt, maar zo’n eerste bril, dat is toch heel speciaal hoor.
Geen ruit of spiegel of ik blijf er secondenlang pronkend hangen als een navelstaarderige fat.
Geen tv-programma of toneelstuk of ik zet met veel vertoon mijn bruin-blauwe sieraad op de neus.
(Als je de kans krijgt om ‘De God van de slachting‘ op het podium te zien : doen doen doen! Met Els Dottermans, Frank Focketyn, An Miller en Oscar Van Rompay. In een regie van Jan Eelen.)

Iedere keer ik een nieuw bekend persoon zie, doe ik van ‘tataaaaaaa’ en schud ik als een parkinsonner mijn omkroonde glazen in de kijker.
Zo ook toen ik Leen Sanseveria en Afwas-elke mocht ontvangen. Die kwamen wandelen en koken.
Leen :
“Mjaaaaaaaaaa?”
“Zet uwen ouwe eens terug op?”

Ik roloogde eens heel ostentatief, dat valt nu extra op.