Over een niet zo heel lekker pepermuntje

zapnimf1kleinwit-op-lichtroze     Dus de pillen hielpen niet.
Daarom trapte ik vorige mooie maandagmorgen zelfaangedreven en met enige inspanning naar de dichtstbijzijnde kliniek, waar ik om 10 uur afspraak had met die straffe jongens en meisjes van de medische beeldvorming. Een scan en een echo van de rechterschouder was mij beloofd.

Iets dwingt mij een aparte alinea te wijden aan het wonder dat daar geschiedde: om tien voor tien werd mijn naam afgeroepen. Een mirakel! Tien voor tien!
Wil diegene die ooit van zijn/haar leven voor zijn tijd aan de beurt kwam bij de röntgenplatenpakkerij van het ziekenhuis nu zijn vinger opsteken? U wint een mooie serie zwart-wit afdrukken van de echografie van de ontstoken aanhechting van mijn biceps aan het schoudergewricht. Of een meganijge cd met plaatjes waar ik mezelf een stukje blootgeef.
Het mysterie werd een uur later reeds opgehelderd toen ik vanuit de wachtzaal de schelle stem van de baliedame hoorde telefoneren : “Hallo dokter dinges? Hebt u nog tijd om mevrouw huppeldepup ertussen te nemen, want die dacht verkeerdelijk dat zij om tien voor elf hier moest zijn ipv een uur vroeger.”
Wat deed ik een uur nadien nog steeds in die wachtkamer van om en bij de 30°C? Het is mij ook een raadsel. Wachten op mijn prentjes en de uitgebreide uitleg : op de scan zien we niks en op de echo een joekel van een ontsteking op eerder aangehaalde spier.

Het omgekeerde mocht ik ook al meemaken. Dat de trut die de patiënten doorsluist, mij compleet vergeten was.
Enkele maanden geleden dacht ik dat mijn voeten eraf zouden vallen van de koude. De dokters bij mijn laatste gastric bypass controle namen dit danig ernstig dat ze prompt mijn onderste ledematen gingen betasten en iets onder elkaar mompelden over zielige doorbloeding en te weinig hartslag -ik zweer het, die voelen hartslag in voeten- en in mijn plaats een afspraak maakten met de afdeling ‘voetenhartslag en aderdoorbloeding’. Ik zag mijzelf al met een afgezet been terug naar de parking hinkelen.
Alsof dat nog niet erg genoeg was, vergat die simpele vanachter haar toog dat ik om kwart voor drie een afspraak had. Ze legde mijn mapje achter zich en alle andere mapjes van alle andere mensen die zich na mij moesten zorgen maken over hun vatenstelsel in de benen, kregen voorrang. Eerst had ik dat nog niet door, totdat mijn versgekocht tijdschrift na twee uur uit was. En ik nog helemaal alleen in die wachtkamer zat.
“Bent u mij vergeten?” vroeg ik omstreeks vijven. “Ik stond erop om kwart voor drie.”
Het meiske schrok zichtbaar, keek naar het eenzame mapje en vond liegen gemakkelijker dan toe te geven dat zij mij achter haar rug onzichtbaar had weggelegd, de koei. “Neenee, durfde ze hardop te schijnheilingen, “u bent de volgende.”
“Ik mag het hopen, ik zit hier nog helemaal alleen. Allez? Jullie laatste patiënt is dus voor drie uur?”
Ze zette mij op een stoel in een gang met mijn mapje. Toen nam ze vlug haar handtas en verdween naar de kleedkamers.
Tot overmaat van ramp vielen de lichten vanzelf uit. Ik stampte en bokste wat in de rondte om die lampen terug te activeren. Nog een kwartier later werd ik gevonden door een verdwaalde dokter ‘maar wat doet gij hier nog?’ die ergens een verpleegster ‘Oei foutje van de firma?’ vandaan haalde en maar meteen consultatie deed tijdens de test. Uitkomst : “Niks mis met uw aderstelsel vanonderen, mevrouw.”

Maar soit, mijn oorspronkelijk stukje ging de andere kant uit. Mijn pijnlijk gewricht zou professioneel onder de loep gehouden worden.
De vriendelijke begeleidster dreef me in een kleedhok. Uit gewoonte trok ik mijn laarzen uit. Oeps, de trui en de t-shirt met lange mouwen was genoeg. Het topje mocht aanblijven.
Toen overviel mij het schaamtelijkste moment van de week. O hemeltje. Hosanna in den hoge. En mijn arm ook bij het ontvellen van al die kledij.
Ik rook mijn oksel.
IKROOKMIJNOKSEL.
*ogen stuiteren paniekerig als kaatsballen rond*
IKROOKMIJNOKSEL!!!
En een spikkel deo. Not okselfris. Not done. Not-itie aan mijzelf : deodorantenfabricanten aanklagen. Hoezo? Vierentwintig uur geen onaangename geurtjes onder de arm verzekeren, terwijl zo’n publiciteitslellebel een zwaar parcours met springen, lopen, dansen, hottentotten aflegt en geen spat druipt of meurt? Arme ik stond anderhalf uur eerder nog onder de douche, sproeide overvloedig geurvreter in de holte, fietste een kilometer of zeven en wachtte een tiental minuten in een broeikast die volgens de plakkaat als wachtzaal aanzien werd. Bovenal, ik ben keicool. Letterlijk. Het zweet slonk het afgelopen jaar rechtevenredig met de afname van de body mass index. Geen druppel huidvocht verloren deze winter. Maar als het erop aankomt ga ik stinken.
Genoeg gezeverd. De kwaal kende ik nu. Hoe luidde het herstel?
Ik flapperde met mijn armen als vleugels. Dat deed pijn.
Ik blies als een ventilator in overdrive richting stank.
Ik ging tekeer met mijn -reeds gebruikte- zakdoek.
Ik ging tekeer met mijn zakdoek en een klodder speeksel.
Ik wreef met een pepermuntje uit mijn tas onder mijn oksel…
…dat ik gauw in mijn mond stak op het moment de verpleegster aan de deurklink morrelde.
Ik zag het omgekeerde flesje handenontsmetting uitvergroot aan de muur hangen, maar kon geen aanvaardbare smoes bedenken waarom ik die hygiëne precies tot mij wilde nemen en dan ook nog op een ongebruikelijke plek.

Een van de twee vrouwen bij de apparatuur plaatste mijn arm in positie. In een volgende stand. En nog een keer anders. Met mijn vingers gekruist, hoopte ik dat die meid kampte met een snedige snotvalling.

Diep in mijzelf stelde ik een lijstje op met alle andere klinieken in de buurt, waar ze me nog niet geroken hadden.
Voor als ik nog eens ongelukkig val.

Update :
Voor vier uur ’s namiddags zat er een spuit cortisone in het plaatsje waar het wreed zeer deed.
Voor vier uur ’s namiddags werden mijn oksels nog eens schraal geschrobt. Speciaal voor de huisarts.
Voor drie uur ’s namiddags zat er in mijn sacoche een deorollertje. Een sterk.
Voor zaterdag weet ik of ik voor de eerste keer in mijn leven een kinesist ga zien. Negen keer ineens.

Advertenties

Waar is Jezus met zijn handoplegging als je hem nodig hebt?

zapnimf1kleindonkerroze-op-lichtroze    De eerste sneeuw van het seizoen viel op zes december.
In het geheugen gegrift, die datum, want ik viel ook. Hard. En niet voor de eerste keer.
Ik schoof onderuit met mijn stalen ros op weg naar ’t werk. Daar wachtte die tist op zijn schimmel op me. Uw zapnimf is namelijk het begeleidmeisje van de goedheilige man. Deze keer echter het ernstig gehandicapte meezeulmeisje van sinterklaas. Mijn rechterkant bleek blauw bevlekt en het schoudergewricht voelde aan als de uitgerukte arm van mijn vroegere barbiepop die er lukraak weer ingefloept werd door de debiele buurjongen.

Ondertussen zijn we aan de laatste sneeuwstuiptrekkingen van het seizoen (hoop ik) en die schouder zeurt nog steeds uit het gelid. Niet smartelijk genoeg om mezelf gillend voor een ambulance te werpen, maar serieus genoeg om medelijden met mezelf te krijgen. Vooral als ik een jas aantrek, iets zwaar moet tillen, op mijn rechterkant lig, bij het dansen doe alsof ik verdrink.

Vanmorgen vond ik een moment en ik gebruikte het om mezelf bij de dokter uit te nodigen tijdens het open spreekuur.
Wat was me dat?
Een twintigkoppig omhulsel van een besmettelijke griepplaag hoestte en reutelde me tegemoet.
De laatste keer dat ik keek was ik nog steeds geen influenzavirusvorser met zeeën van tijd.
“O maar”, wapperde ik hun infectie terug de kamer in, “ik ben blijkbaar toch nog niet ziek genoeg. Toedeloe!”

Ik maak wel een afspraak met Jomanda.

Op naar de reliek van de patroonheilige van de overgezondigen

    Zo voorbeeldig gezond dat een mens kan zijn.
Zeg gerust überblakend, fitter dan een kiplekker pluimbeest van Koen van Mechelen.
Dat staat buiten kijf dat het eerder beschreven individu, uw eigenste vitale zap is.
Zwiepzwiepzwiep! (dat zijn mijn valide ledematen die mijn bewijsvoering wildzwiepend onderstrepen.)

O o o. Met de teller van het wikplatform op min 46 kilo’s na bijna zes maanden, zou ik die dokteurs van de maagknipsels vandaag eens een poepie (maat 44) laten ruiken met mijn de-beste-van-de-klas-attitude. Het was immers tijd voor een halfjaarlijkse controle.
Ik oefende alvast hooghartig : “Met mij alles ‘dik’ in orde, dokkie!” waarbij ik zwoel zwaaide met de niet meer bestaande onderkin(nen).
Ons afspraakje lag vast op 9.20 u en ik rekende uit dat ik in deze staat van opgepept welvaren, best nog een slagje in het zwembadwater kon wagen voordien. Van zeven tot kwart voor acht. Dat zou wel haastwerk worden, maar alla, men moet wat over hebben voor zijn onberispelijk sportlijf.
De schwung zat er stevig in, toen in het kleedhok ‘Swimming in the pool’ uit radio Nostalgie neerdaalde. Naakt en onbeloerd kan een minidansje leiden tot extra vreugde. En het diagnosticeren van het ontbrekende badpak tot het ter plekke verpieteren van de feeststemming. Dat hing nog ergens op een verwarming. Thuis.

Om deze blunder wat te verzachten, plande ik alvast een megaverkwikkende smoothie in de agenda van de namiddag.
Djeezes, hoe heilzaam van mij toch alweer. Ik ben me er eentje. Waar gaat dat eindigen?

Wachten in wachtkamers heeft één groot voordeel. Het lijkt dat vooralsnog ik de enige ben die dat tot nog toe ontdekt heeft. Hetzelfde geldt voor kappersstoelen, de rij bij de autocontrole, in een stilstaande file verzeild geraken en op de zitbank van mijn ouders : je kan er zo overheerlijk in je zelf meegebrachte boek lezen. Zonder te denken aan wat je eigenlijk zou moeten doen dat door de goegemeente als nuttig beschouwd wordt. Vandaag was dat in het dunne monoloogje van Dimitri Verhulst, dat past precies in de sacoche.

Over de organensnijgeneesman kunnen we kort blijven : hij viel zowat in zwijm en daarna verschenen er enkele verpleegsters zonder vlugzout maar met een naaldje om mijn bloed af te tappen. Waarschijnlijk om te kweken en later te verkopen als relikwie : een reliek van het vrouwwijf dat Sonja Kimpen van schaamte deed verschrompelen. Zoiets.

Ter compensatie van al dat vief gehannes, ging ik daarna wat in de smoorsels van Huisvrouw zitten koffie zuipen. Die woont namelijk in de schaduw van de kliniek. Zoals eerder via mail afgesproken, acteerde zij zeer realistisch wat verbazing op een kluitje, maar ze vergat mij vol te proppen met broodpudding, wat ik nochtans gewend ben van vroegere ontmoetingen.
Wat denkt die wel seg?
Dat er geen grenzen zijn aan die kranige, krasse en kwieke zwik?
Toert! Nu!

“Ge moet dat wel aan uw lezers vertellen!” siste hij, “hoe uw dunnere versie werkelijk is.”

   Gisteren keuvelde ik met een vriendin achter een kopje koffie waar ze zoetjes in pletste van stevia.
“Tiens,” dacht ik luidop, “dat is pas de dag dat ik uit het ziekenhuis mocht goedgekeurd door Europa om te mogen consumeren.”
Als je dan toch bezig bent met denken, kon er dit ook nog wel af : “En dat is precies twee maanden geleden, je weet wel, de totstandkoming van mijn nieuwe hervormde maagje.”

Ik moet zeggen, die beslissing heeft mijn leven positief beïnvloed. Het gaat goed met mij, dank u. Lijf en ik hebben ondertussen een prettige verstandhouding gevonden. Af en toe doet er zich een noodgeval voor waarin een wc (in zijn normale hoedanigheid) de hoofdrol speelt, maar eey, dat had ik tevoren ook.

Terwijl allerlei kennissen van het zevende knoopsgat mij proberen bang te maken – “En dieje eh, dieje kan niks warms meer eten, ook niet plezant zenne!” of “Ons moeder kan niks doorslikken waar een velletje aanhangt zoals een stukje tomaat, dus propt ze nu alles maar met saus of mayonaise naar binnen.” of “Mijn schoonbroer weegt terug 150 kilo, hij kan nog steeds niet veel boefen, maar hij verteert alles met veel calorieën met brio en dat een hele dag aan een stuk.” – huppel ik kakelend rond de geneugten van mijn nieuwe leven te verkondigen.

– Alles wat ik vroeger at, kan ik nu ook nuttigen. Warm of koud. Niks velletjes die in de weg zitten. De porties zijn gewoon gevierendeeld. Als je het niet weet, ga je mij ook niet vingerwijzen als ‘die dikke met de geknipte maag’, dan ben ik gewoon een kleine eter die ineens ‘genoeg’ zegt. Dat is geweldig, je eet tot je een ingebouwde rem voelt. Iets wat ik zeer zeker in mijn vorig leven miste. Op restaurant moet je je wel mentaal voorbereiden dat je het waar voor je geld niet meer allemaal aan de binnenkant van je buik mee naar huis kan nemen, maar uiteindelijk moet meesmokkelen via moose zijn ingewanden, waar op het eind van de rit ook wel weer volumineus bezwaar tegen gemaakt kan worden.

– U leest hier en nu de memoires van een huidig sportwijf. Met de kostenbesparing van onze algemene voedselkar, kon ik mij een jaarabonnement veroorloven om drie à vier keer per week mijn badpak te laten bezichtigen in ons gemeentelijk zwembad. Dat zwemkostuum maalt daar dan telkens veertig tot vijftig lengtes. Misschien moest ik eens berekenen of ik mijn pensioen niet kan financieren met de geldelijke overschotten van mijn maaltijdinkrimpingen? Tussen al dat waterlijk geploeter in, poog ik ook nog ons huishouden en mijn ambtenarijgedoe te beredderen per fiets. Oja, dit alles uit vrees voor een schrikbarend veloverschot en ook een beetje omdat ik ervan geniet.

Noot : Dan krijg ik terplekke zo’n compassie met de stumperds uit (het tv-programma) ‘Obese’, die in 300 dagen 90 kilo moeten vermageren. Of zoals iemand het op tv zo mooi uit zijn gesportcoachte bekkie hikte : ‘afstand nemen van zijn omvang’. Eerst sturen ze een ongure regisseur op je af die eist dat je in je ondergoed voor heel De Lage Landen ogenschouwelijk laat betasten. En dit na ieder reclameblok opnieuw. Daarna komt een huppelkut met een schabouwelijk schermonwaardig accent van nauwelijks 50 kilogram je wat knuffelen als voorproefje op een louche boksbullebak wiens woorden nog nooit enige degelijke articulatie hebben moeten doorstaan, die je in primetime onverantwoord mag afjakkeren terwijl je huilend ergens in een publiek straatbeeld met loden gewichten staat te zwaaien. Later zwakken ze de dreiging een beetje af door een menslievender persoon in te schakelen die je zal begeleiden in de uitdrijving van de overtolligheid, maar die niettemin twee uur per dag fysieke afbeuling eist. Tof tof! Een diëtiste of wiedanook die je van slechte eetgewoonten kan helpen, daar doen ze bij de Nederlandse omroep niet aan mee. Wat ik van dit programma opsteek, is dat je twee uur per dag jezelf moet blootstellen aan een intensieve sportbeoefening. Dewelke? Variatie? En Hupsakee, in het beste geval verlies je 90 kilo. Zoek het daarna zelf maar uit. Ook met je zwabberend vel. Ajuu paraplu… om deze complete idioterie op hetzelfde Hollands niveau af te ronden.
Kon er geen private ruimte vanaf bij RTL ?
Vonden ze niemand die wel kan praten?
Zijn na 300 dagen de budgetten op? Waarom niet tot ze hun ideaal gewicht bereiken ipv nog een klets boven de 100 te blijven?
Wat eet de hoofdfiguur gedurende al die tijd?
Waarom moet zij/hij de helft van de tijd zelf het programma filmen? De cameraman is op reis?
Het minste wat van dit gedrocht geschreven kan worden, is dat ik -tesamen met hun opgevoerde dikkerds- op mijn hongertje blijf zitten. In mijn geval een figuurlijk.
Sonja Kimpen… kom terug!
(Oei, bij mijn research over deze voormalige astrante tru… hm dame… zie ik dat ze niet meer mag. De wél geschoolde dieetkundige lobby heeft een stok in haar commerciële wielen gestoken.)

– Ik zei het enkele lijnen geleden al: mijn hongers zijn tegenwoordig figuurlijk. En het zich toch nog eens voordoet dat een goestingske zich vasthecht aan mijn smaakpapillen, dan ben ik geswitcht van een zoetekauw naar een zoutdweper. Zo stond er een kermiskraam in mijn weg en kon ik niet anders dan aanschuiven bij de rij van de oliebollen terwijl de frietkantgeur in mijn neusgaten kringelden. Toen ik meende dat ik ergens het woord ‘bickyburger’ hoorde zweven, schoof ik alras vier passen zijwaarts en bestelde die magische vleespistolet, proefondervindelijk geleden uit mijn jeugd. Een bickyburger die overigens op niks trok, want het broodje was taai en er zat niet de juiste saus op en hij was koud, maar dit terzijde. En dit ook hoogst zelden weliswaar, ik eet doorgaans hypergezond. De augurk en sla zonder de hamburger, zeg maar.

– Vergeet de uitspatting van hierboven, want mijn zin richt zich voornamelijk op soep, fruit en dagdagelijks eten en minder op snoep of chips. Terwijl mijn vingers over het klavier deze letters doorspelen naar het beeld, vind ik het nog steeds even ongeloofwaardig lezen als het klinkt. Ik bid tot God en klein Pierke dat het zo mag blijven.
Mijn menu ziet er thans ongeveer zo uit :
’s morgens : twee tot drie cracotten met cottagecheese (of magere platte kaas, of iets anders zuivelig omdat ik dat graag lust, maar confituur mag natuurlijk ook)
tussendoor : iets melkproduct en fruit. Een bananenshake combineert de twee. Een smoothie loopt er ook lekker in, een yoghurtje, een potje pudding, de slagroom die ik bij de eerste zin bij mijn koffie kreeg…
’s middags : één boterham met iets, soep erbij kan ook.
’s avonds : een kleine portie warm eten, eender wat. Visualiseer ongeveer een vierde van een bord.
’s avonds later : een stukje speculaas zolang de sintvoorraad nog strekt.

– Op het ogenblik (twee maanden later dus) beweeg ik met 25 kilo minder over de aardkorst. Ook dit lijkt me redelijk onrealistisch, maar onze weegschaal is pas nieuw en nauwgezet. Tot u spreekt een gelukkig mens, maar vooraleer je proficiat zegt, ik heb hier weinig tot bijgebracht, feliciteer de chirurg in mijn plaats. De echte en niet de nepper die mij bij mijn controle ontving. Zat daar plots een vreemd manspersoon in dat kabinet. Eentje die met zijn wijsvinger zijn lichaam kracht bij zette tijdens zijn levietenlezing over hoe ik moet zorgen dat ik gezond eet en beweeg dat ik niet moet denken dat alles vanzelf in mijn schoot zal geworpen worden.
Bij nader inzien, richt uw bewondering toch maar tot mij.

De partner echter, is diegene die tot deze update aandrong. Niet eens om bovenstaande redenen.
“Ge moet dat wel aan uw lezers vertellen,” siste hij, “hoe uw dunnere versie werkelijk is!” Hij keek daarbij niet erg verliefd.
(Schat, lezers hebben is iets voor echte schrijvers, ten eerste. En ten tweede, zoveel lezers heb ik niet, willen die dat wel weten?)
“Over de krullen! Geef dat door. Andere toekomstige gastric bypassers met kroezel moeten dat toch weten?”
Moose denkt dat mijn krullen verdwenen zijn na de operatie. Ikzelf steek het eerder op 30 procent van de tijd rondlopen met nat zwembadhaar en geen tijd of zin om het te fatsoeneren. Net zoals in : het is te lang ondertussen, dat haar.

“Die hormonen hè, die hebben u omgetuned tot een harteloze heks. Sinds de operatie zijt gij niet meer zo lief. Niet dat je dat ooit was, maar nu loopt het toch echt de spuigaten uit. Zeg dat ook maar een keer.” Weerom keek hij niet verliefd.
Hmm? Misschien moest ik het karakter zapnimf een minibeetje terugschroeven naar aaibaardere proporties?

Ja seg, ik dacht dat ik na dat huwelijksaanzoek gewoon lekker mezelf kon zijn. Toch? Niet?

PS : Wat ik eerder verzuimde mee te delen, is dat ik ergens middenin mijn cyclus al drie maanden op rij -joepie- mijn maandstonden krijg. En daarna, mooi op schema, nog eens. Misschien een zwaardere pil vragen volgende keer? Laten we voor het gemak mijn bitcherigheid daar ook maar op steken. Leven in een constante staat van PMS is geen lolletje hoor! *geschrapt scheldwoord*

Hippocrates draaide zich om in zijn graf, boomtownratsdoktoorvanmijnvoeten!

    Na tien dagen moesten de draadjes uit mijn achtwondig buikvel geplukt worden.
Nadat ik merkte hoe dapper ik omsprong met die tien spuiten tegen tromboflebitis…
(Jaja, dokter, dat doe ik wel even zelf, plokplok. Om vervolgens met ogen dicht en verwrongen gezicht af te wachten tot mijn vent -ook waarschijnlijk met zijn ogen dicht want hij valt al flauw als hij op tv een naald ziet- dat onding in mijn dijbeen mikte. Waarop ik wat ijl krijste omdat de situatie dat vereiste.)
Dus na die cureerkleun bedacht ik dat die blauwe nylondraad die mijn middel met diverse knoopjes versierde, misschien beter aan professioneel personeel overliet. Hoewel ik ook een schaar en een pincet heb, hoe moeilijk kan dat zijn?
Toch toch, op vrijdag maakte ik een afspraak voor maandag, immers dan telden we reeds dag elf. De dokters eega pruttelde wat tegen aan de telefoon : hoe kon ik weten op vrijdag dat ik op maandag een geneesheer nodig heb? Achja, het is altijd mogelijk dat mijn huisarts zijn gade geschaakt heeft van een plaats waar het IQ niet welig tierde. Ik schrik van niks meer, behalve dan van een shot Fraxiparine (dat is dat spul van een alinea eerder).

Zoals in zijn en mijn agenda genoteerd stond, bood ik me op zijn kabinet aan om 19.00u. Omdat wij een energiezuinig geslacht zijn als het op verplaatsing aankomt, had ik eveneens krulzap en haar injectienaald tegen baarmoederhalskanker in de auto en later in de wachtkamer gezet.
Er waren nog drie wachtende onwelwezenden voor ons. Als ik de Knack Wonen kan bemachtigen van de salontafel, vind ik dat geeneens erg.
De huismedicus daarentegen jeremiëerde steen en been. Dat hij kwaad was op zijn echtgenote omdat ze ons ‘aangepakt’ had, dat maandagen voor een geneespeer zijn zoals Bob Geldof ze bezingt en erger, dat sinds mensenheugenis niet doodzieken zich beter van een andere dag kunnen bedienen. Eey, alsof ik geen recht heb op zijn eed van hippocrates en krulzap, met onze -sorry hoor- luxeproblemen.
Om toch nog blijvend zijn ongenoegen te uiten, vogelpikte hij zowat de inhoud van de baarmoederhalskankerwerende vloeistof in mijn dochters bovenarm, het kind sleepte zich kreunend naar buiten en bij mij trok hij wel een heel ongeinig gezicht. Ik voelde hem de tijd uitrekenen dat mijn lichaamsnaaikunst hem zou kosten. Lap, weeral tien minuten extra achterstand. Plompweg knipte en trok hij, zonder bruut gedoe te schuwen. Toen zag ik plots zijn ogen groter worden, alsof een glimp paniek er zich nog bij wilde stouwen. Mijn sneetjes waren nog niet helemaal dicht en er welde bloed en huid trok en het postuur met de pincet ruilde dat ding in om raprap zijn plakstrips boven te halen en mijn lijf toe te tapen.
Het hielp zijn humeur nog meer de dieperik in.

Een dubbele rekening en met de mededeling dat ik toch nog niet in bad mocht, duwde hij me de donkere avond in.
Oja en of ik niet meer op vrijdag zou willen bellen voor maandag?

Zwiep zwiep, kliefde ik mijn eerste maaltijd doormidden

Na vier dagen onvrijwillige geheelonthouding, doch zonder honger maar met een adem waarmee ik een varaan kon vellen door er met enige luchtverplaatsing ‘Aaaaghhhh’ tegen te blaffen, kreeg ik eindelijk mijn eerste maaltijd geserveerd : een lekje Fristie en een bodempje appelsap met zwarte koffie.

Dank je wel, lief keukenpersoneel om er een mes bij te geven.
Oeoeoeoe, wat heb ik mijn Fristie in kleine partikels gesneden, mijn appelsap doorkliefd. Zwiep zwiep.

Dit werd mijn middageten: wortelmix, aardappelpuree, soep en pudding. En nog steeds geen diëtiste in velden of wegen te bekennen. Gemakshalve veronderstelde ik dat dit mijn toekomstige porties zouden worden. Zeer erg fout gedacht. Ik at -behalve van de soep, die ging er helemaal in- van alles een kleine helft en wist meteen hoe maagoverlast voelde. Help, straks scheurde mijn nieuwbakken maagje!

“Achjaaaa, je moet het wel zelf voelen dus, wanneer je moet stoppen met schransen”, was het advies van de vermagerteef.

Verder schreef ze me één vitaminepil per dag voor, twee tot drie weken gemixt eten en beschuitachtigiets ipv brood en dus de raad van op tijd te stoppen met eten. Wat me tot hiertoe goed gelukt is. (Lees : -14 kg)
Uw zapnimf overleeft sindsdien op twee broodmaaltijden, één keer warm eten en drie tussendoortjes bestaande uit fruit, soep en melkprodukt.

PJ, Huysentruyt, Meus… en ik, de arme kneus

Het vrouwtje in het bed naast mij zag eruit als een overjaarse PJ Harvey. Eentje met tattoos op armpjes als trommelstokjes en de hebbelijke gewoonte van overal Dag Allemaals en Story’s te laten slingeren. Twee keer naar de wc en ik was weer helemaal bij in het roddelcircuit.

PJ was minder fortuinlijk op de afdeling gesukkeld. Dat weet ik, want dokters zijn zo begaan met de privacy van hun patiënten dat ze eerst met een ruk het gordijn tussen ons sleuren om met daarna met overmaat van decibels denigrerend op arme PJ in te beuken :
“Mevrouw, gij denkt toch niet dat gij vandaag naar huis moogt? (Dat was precies wat ze net met een nauwelijks hoorbaar stemmetje hardop haar gedacht had gepiept. Ook al omdat iemand, behorende tot de medische staf, haar dat had ingefluisterd.)
Uw bloedwaarden zijn niet in orde, je staat op de lijst voor nieuwe nieren, je hebt geen lever meer (zegt moose, ik heb dat niet gehoord, ik vraag mij af of dat kan.) En dan wilt gij naar huis? Laat me niet lachen.” (Niemand die dat voor te lachen vond, ik kan het u verzekeren)

PJ werd kwaad van onmacht en ik stilletjes samen met haar. Dat komt als een batterij ego’s binnengewerveld, om in drie seconden alle hoop in te slaan. Slaan ook, zonder acht, op hoe de patiënt zich voelt. Ze waren met vijf. Zoals altijd gehaast. En oppermachtig. En degoutant.
Vooral ook als je weet dat PJ de dag nadien, zonder noemenswaardige bijkomende onderzoeken -bloedwaarden waren nog altijd flut, de blaassonde ging mee naar huis en ze woog op de gram 40,400 kg- wel ontslagen werd. Spijtig voor haar moest ze op deze feestdag (11/11) nog een apotheker van wacht zoeken om haar te voorzien van blaassondes.

Dezelfde dikdoende heelkundige roedel stormde de laatste dag van mijn verblijf niet eens per ongeluk mijn kamer binnen.
“Hoe gaat het met u?” reutelde de opperhersteller der menselijk ras zonder iemand voor te stellen.
“Met mij gaat het uitstekend en wie ben u? U bent niet mijn diëtist (waarop ik zat te wachten), u bent niet mijn dokter, u bent niet de assistente van mijn dokter, wie bent u dan wel? Diegene die voor vandaag op de rekening komt te staan?” (ok, dat laatste was niet luidop.)
Zou dat de bedoeling zijn om achteloze ziekerdjes zo te intimideren?

Maar terug naar PJ.
Van slechte wil kan ik haar echt niet betichten, ze hielp me in mijn operatiekleedje toen ik er kop noch staart aan kreeg, ze wees op praktische zaken en ik kon haar dingen vragen. Kortom, ze was een ancien. Bleek dat ze reeds een maand gebruik maakte van residentie C425 te Wilrijk. Daarvoor ergens nog eens twee weken. Een logische gevolgtrekking daarvan was dat zij het bevel voerde over de afstandsbediening en over de radio. Op zich is dat geen probleem, ik ben niet hebberig als het op gedeelde media aankomt. Dat de radio al schetterde om half 8 ’s morgens, toen ik me nog bol en grootmagig installeerde, was hooguit een weinig irritant voor een rustliefhebber als ik.
Echter, een half etmaal later, wanneer ik volkomen groggy, van de wereld nog slechts flarden opnemend de kamer terug binnenreed, kon ik de tv op doven- en gehoorgestoordenstand niet eens matig appreciëren. PJ en haar bezoek waren zich van geen kwaad bewust. Moose vroeg of de tv wat stiller mocht, maar even later had er toch weer iemand +++++ geduwd.

De volgende morgen hervond PJ haar vreugde. Ze mocht huiswaarts keren. Dat uitte ze met een streepje muziek op volle kracht. En ten slotte wilde ze nog ons afscheid nog kracht bijzetten met een sterk staaltje van ironie. De meis mat een pink breed, haar buur lag daar voor de komende vier dagen zonder een kruimel eten en hoe vierde PJ ons laatste half uur samen?

Eerst ‘verblijdde’ ze me televisisch met een lekkerbekkende Jeroen Meus in Dagelijke kost.

En alsof dat niet genoeg was, schakelde ze na Jeroen rad over naar Piet -wat hebben we geleerd vandaag- Huysentruyt.

Dank je wel, PJ, succes nog met de ingewanden en bol het nu rap af!