Het delirium van de orka

zapnimf1kleinlichtroze-op-wit    Mijn omgeving is bevolkt met dominantjes.
Naast mijn kinders, de bomma, de rechtergeburen, alle verkeersovertreders op mijn pad, een vierde van mijn leerlingen, nu ook de badmeester.
Anderhalf jaar enkele keren per week spetploeteren; vier lengtes schoolslag en eentje crawl maal tien, en pas dan roept die pief naar mij : “Wat doe jij nu?!” (wadoedegaana?)
Mijn baantjes waren afgewerkt voor die dag, ik stond rechtop in het water, klaar om te gaan douchen.
Ik kijk verwonderd om me heen of hij tegen mij praat. Hoezo, wat doe ik nu? Ik heb toch niet in het water geplast? Iemand op zijn neus geslagen? Mislukt waterballet afgedraaid?
Ondertussen molenwiekt hij beide gestrekte armen rond zijn schouderas (denk aan Popeye die rap zwemt in de tekenfilm) : “Jij probeert het wereldrecord crawl te breken of wat?”
Deze makke tuthola snapt het nog steeds niet en kijkt geïntimideerd naar de struise kaalkop. Zo’n Popeyehoedje zou ‘m beslist staan.
“Je moet uit-drij-ven. Uit-drij-ven met die armen. Jij zwemt te snel. Zo verlies je te veel energie. Komaan, probeer eens en minstens één seconde gestrekt blijven met die arm.”
Mijn grote bek moet blijven liggen zijn in mijn kleedkastje, want ik durf niet anders dan zijn bevelen op te volgen. Vervolgens verzuip ik de boel bijeen. Het proces van ademhalen correleert niet meer met de beweging en wil te pas en vooral te onpas lucht happen. De imitatie van een dronken orka, zeg maar. Mijn leermeester is niet geamuseerd. Hij verplicht mij tot nog enkele lengtes, terwijl hij aan de kant meetrippelt en de lucht droogmaait. Geëngageerd is de tiep wel.
Terwijl de rest van mijn medezwemmers met een sluik half oog dit tafereel gadeslaat en onder water ongegeneerd uitblaast van : ‘Chance dat hij die troela heeft uitgepikt en niet mij.’ klinkt het :
– “Waarmee denk je nu dat je bezig bent met je benen?”
– “Ik dacht dat dat zwemmen heette?” piep ik.
Als ik in het verleden al dacht dat ik sierlijk kon waterklieven (en in dat idee soms bevestigd werd door nitwits- blijkt nu), is dat inzicht nu in twee strenge badmeesterblikken verpulverd.
– “Je steekt je arm te snel in het water, je moet verder reiken.”
– “Zo’n benen gebruik je alleen maar in de spurt. Nu moet je trager peddelen.”
– “Naast je oor blijven met dat hand, je gaat schuin. Evenwijdig steken, die armen.”
– “Onder water rechtdoor trekken.”
Wanneer hij afkomt met zo’n reuzebikkel om tussen je benen te steken, boer ik alle borrels terug uit en waag het toch om te zeggen : “Jamaar, ik wil nu wel mijn petatten thuis gaan schillen.”
De orka zit zowat tegen het delirium aan.

De dagen daarna, als hij er niet is, oefen ik en oefen ik en oefen ik tot ik inderdaad in 18 slagen de overkant kan bereiken (ha! probeer een keer, beste lezertjes), maar met de ademhaling zit het nog niet helemaal koosjer. Nog steeds dreig ik te ontploffen van gevangen luchtbellen die niet het verhoopte parcours schuiven.
Maar Vik, ik mag ondertussen Vik tegen Popeye zeggen, lost met zijn tips ook deze onvolkomenheid weg.
Alsook de okseltik en de arm die niet te hoog uit het water mag komen.
En het spelen met de bikkel, die in ’t echt poolboy heet (niet te verwarren met een hete poolboy) heb ik ook al boven de knie.

                                       
De keer erop meent Vik dat ik een duikbrilletje nodig heb. Uiteraard stapt Brave Hendrika vanonder de droger meteen de Decathlon binnen. Dat had ik wel eerder mogen doen. Ineens zie ik iedereens fouten onder water. Uit-drij-ven! bubbel ik bij mezelf! Uit-drij-ven!

Tegenwoordig zwem ik vijf banen crawl op enkel armen met de bikkel tussen mijn dijen en vijf baantjes schoolslag. Nu en dan steek ik zelfs een heerschap voorbij dat op het eerste zicht keurig krachtig voortbeweegt, maar die eigenlijk maar wat zenuwachtig zwaait met die armen. Tssssss.

Vik vindt dat ik goed bezig ben.
Hij speurt alweer naar een volgend slachtoffer. Gegarandeerd een vrouw.
De rest van de redders vinden Vik een praalhans.
Ik glimlach als een dolfijn als ik hem tegen zijn volgende slachtoffer hoor : “Wat doe jij nu?” (Wadoeddegaana?)

Tasten in (het) Duister(s) geldbeugel

zapnimf1kleindonkerroze-op-lichtroze    De brievenbus is leeg op twee brieven na.
Twee loonbrieven zelfs.
Twee loonbrieven die een geïndexeerd bedrag zouden tonen. Yeah yeah.
De mijne draagt altijd zo’n leeuwtje links bovenaan. Ondergetekende krijgt haar pree van de Vlaamse overheid. Jeweetwel, zo’n verguisde ambtenaar die maar de helft van de tijd doet alsof ze werkt.

Vierkantige Vlaamse leeuwtjes zijn bijgevolg altijd voor mij. Deftige brievenopeners daarentegen zijn niks voor mij. Eén ruwe vingerhaal, één verminkte enveloppe en één blik daarna doen de vraagtekens uit mijn lieflijke hoofdje slaan. Bijna 1000 euro te betalen? Hoezo dokken? Ik moet krijgen! En mag het wat meer zijn? Ik frons, ik grom, ik overloop in gedachten, ik vermoed een boete, mijn humeur verdonkert eensklaps vijf maten in een nog te oerknallen eigen wereldbestel, ik onderzoek iedere letter op die brief om een reden voor deze ploerterige streek te ontdekken.
Van Duister?
Onze straat nummer 31?
Gossie, dat is de overbuurman…
… en zijn jaarlijkse verkeersbelasting die ik hier in repels gescheurd heb!

Hoeveel toeren mag je cilinderinhoud draaien voor 1000 euro? Mijn rekening bedraagt slechts een fractie van de zijne.
Nuja, bij ons staat er dan ook niet ineens een zweefvliegtuig op de oprit uit een zelfbouwpakket. Al zit daar niks van paardenkracht in. Vermogen des te meer. Je bent nu eenmaal een rijke Hollander of niet.

En ik ben het arme domme blondje dat het mag gaan uitleggen.

Sorry! schreef ik op de versnipperde briefomslag, nadat niemand in het volledig verlichte huis opendeed en ik op mijn hakken weerkeerde.
Sorry! Ik dacht dat het mijn loonbrief was. Hij zat in onze bus.
Helaas, het is een rekening. Voor u.
Nogmaals sorry.

En schaf u een lichtere wagen aan. Zijt ge niet beschaamd?
Maar dat durfde ik niet hardop te schrijven…

O maar, ik wil wel korting als ik uit ga.

zapnimf1kleinlichtroze-op-paars    Ergens vorige week plofte een mail in mijn bus.
Iemand nodigde zichzelf uit om bij mij een gastartikel te komen schrijven.

Ongeveer zo.

Geachte webmaster van zapnimf.wordpress.com,

Ik mail u namens de website Uitmetkorting.be en ik vroeg mij af wat de mogelijkheden zijn tot het plaatsen van een gastartikel op uw website; zapnimf.wordpress.com.

Ik kijk uit naar uw reactie!

Hartelijke groeten,

En ik zei terug : “Gij wilt gratis reclame? Steekteminuwgat!”
Maar dan beleefd.

Enkele maanden geleden kreeg ik ook al een aanbod van iemand anders die vond dat ze bij mij een forum moest krijgen voor het aanprijzen van weetikveel.
Toen ik anderhalf jaar geleden bij iemand anders las dat er ineens iets van alcoholische drank aan de achterdeur stond, viel ik als een naïef trutje uit de lucht : “Waarom word ik niet overgoten door lekkere drankjes?” schreef ik in het reactieluik. Mijn woorden waren nog niet koud of er bonkte al een gladde jongmens op mijn mijn virtuele deur van mijn postadres. Of ik geïnteresseerd was om allerlei produkten uit te proberen en er dan iets over te schrijven op mijn blog? Huh?
Ik dacht er twee dagen over na en droomde dat ik moest schrijven over over over… dingen die ik in het dagelijkse leven nauwelijks gebruik en wat voor een saai stuk dat zou opleveren, gezien ik teer op de kleine (herkenbare) mislukkingen des leven. Wat kan er mislopen met een dagcrème op je teut? In het beste geval een hallucinante uitslag? Fijn! De belevenissen van een vliegenmepper? How to use deze ketchup? Creatief met talkpoeder?

Plots merkte ik op andere blogs wel op dat er aan productplacement werd gedaan. En veel. Wat me daarvoor niet zo meteen opviel. Wild werd ik er niet van. Behalve dan die keer dat er een reis naar Oostenrijk werd uitgedeeld. Wild van jaloersheid. Ik reis niet graag, maar dat vond ik toch een schone cadeau.

Natuurlijk weet ik nu nog niks.
– Hoe zou zo’n gastartikel eruit zien?
– Schuift dat wat? Frullen uittesten en er dan over gaan stoefen? (Ik hou meer van consuminderen, maar ik ben toch nieuwsgierig.)
– Waarom doen jullie het wel of niet?
– Krijg jij ook zo van die recruterende mails? Vinden jullie het ook lastig om ‘neen’ te antwoorden? (Ik ben van nature een ja-knikker)

Hoe denk jij hierover?

Viesviesvies. Als ik dat probeer, drupt de tuf van mijn kin.

zapnimf1kleindonkerroze-op-paars     Onderweg passeerde ik een jonge gast op een fiets. Ik reed met de auto. Hij draaide zijn hoofd, zijn kin ging een beetje de hoogte in en een fluim flikkerde met kracht de bosjes naast het fietspad in. Mijn gezicht nog op walg, zag ik dat het zoonzap was. Jakkes, zo heb ik dat joch niet opgevoed.

Het had evengoed de jogger kunnen zijn.
Of de werkmens die straatbeplanting snoeit.
Of de wandelaar met zijn hond.
Maar altijd iets mannelijk. Nog nooit zag ik een vrouw een groene snottebelslijm opsnuiven met de keel en weg schieten met een vreemdsoortige vering van de tong.

Naast :
– Waarom moet je niezen als je je wenkbrauwen epileert? (meestal vrouwen deze keer)
– Waar stonden Atlas zijn voeten op als hij de wereld op zijn rug droeg?

Vraag ik me vooral af : waarom rochelen mannen?
Iemand?

Berichtje uit Egypte

zapnimf1kleinwit-op-lichtroze    “Ik zit niet in de ballon!” sms’te zijn moeder naar moose die ergens in vergadering gestrikt zat.

“En? Wat kan ik daaraan doen? Pak dan een boot op de Nijl? Een kameel door de woestijn?” dacht hij.

(Of hij dacht dat niet, maar dat doet er niet zoveel toe, want het is toch mijn blogstuk en ik schrijf nog steeds wat ik wil.)

Het journaal zag hij pas ’s avonds.

Waar is Jezus met zijn handoplegging als je hem nodig hebt?

zapnimf1kleindonkerroze-op-lichtroze    De eerste sneeuw van het seizoen viel op zes december.
In het geheugen gegrift, die datum, want ik viel ook. Hard. En niet voor de eerste keer.
Ik schoof onderuit met mijn stalen ros op weg naar ’t werk. Daar wachtte die tist op zijn schimmel op me. Uw zapnimf is namelijk het begeleidmeisje van de goedheilige man. Deze keer echter het ernstig gehandicapte meezeulmeisje van sinterklaas. Mijn rechterkant bleek blauw bevlekt en het schoudergewricht voelde aan als de uitgerukte arm van mijn vroegere barbiepop die er lukraak weer ingefloept werd door de debiele buurjongen.

Ondertussen zijn we aan de laatste sneeuwstuiptrekkingen van het seizoen (hoop ik) en die schouder zeurt nog steeds uit het gelid. Niet smartelijk genoeg om mezelf gillend voor een ambulance te werpen, maar serieus genoeg om medelijden met mezelf te krijgen. Vooral als ik een jas aantrek, iets zwaar moet tillen, op mijn rechterkant lig, bij het dansen doe alsof ik verdrink.

Vanmorgen vond ik een moment en ik gebruikte het om mezelf bij de dokter uit te nodigen tijdens het open spreekuur.
Wat was me dat?
Een twintigkoppig omhulsel van een besmettelijke griepplaag hoestte en reutelde me tegemoet.
De laatste keer dat ik keek was ik nog steeds geen influenzavirusvorser met zeeën van tijd.
“O maar”, wapperde ik hun infectie terug de kamer in, “ik ben blijkbaar toch nog niet ziek genoeg. Toedeloe!”

Ik maak wel een afspraak met Jomanda.

Hoe een ballon zich voelt nadat er iemand op gaan zitten is… ik weet dat.

zapnimf1kleindonkerroze-op-paars4    Al even wervelend als de processie van Echternach groeit het aantal textiel in mijn kleerkast.
Dat heeft een reden : ik heb een natuurlijk opgebouwde hekel aan kledingszaken. Aan paskotjes. Aan meeloerende winkeldames.
Sinds mijn volumekentering, is dé vraag van de dag of ik al veel nieuwe kleren heb gekocht. Misschien is het eerder als hint bedoeld, want die gratenteven zien mij toch ook al maandenlang rondhossen in welgeteld twee lange broeken? De derde hou ik verborgen, die dient om thuis schamel en schraal in te aarden.
Alle hoon en/of erbarmen van ’s werelds fashionista’s ten spijt, keuzestress, dat ken ik niet : eentje in de was en eentje aan het achterwerk. Het overzicht blijft bewaard zo. Simpel.

Ik wilde dat het blogstukje hiermede aan zijn sluitstuk was, maar helaas kwam een voormalige ‘schoonmoeder’ van puberzap wat roet in het eten strooien. Drie kleedjes stopte die tik in een zak voor mijn dochter die op haar beurt dacht dat ze mijn vergeten moederdag ermee kon afkopen.
Voor te lachen trok ik er eens eentje aan. De trut heeft maat 40. Eén minder dan ik. Bijgevolg is de mooiste niet rekbare little black dress enkel geschikt voor smaakvolle recepties waar ik mag blijven rechtstaan met beide armen gestrekt omhoog en mijn adem inhoudend als een parelvisser. Als ik toch respireer of ga zitten, ontploft de jurk met zekerheid. Nuja, dan hoeven ze mij niet meer met vier man languit in de wagen te schuiven zoals op de heenweg.
Voor te lachen trok ik bovenstaand niemandalletje dus niet aan. Het werd een aanspannend rekbaar retrostofje. Niet het minst mijn ding, maar ik moest zowaar gaan schuilen van de complimentjes als ik het op publiek uittestte.
(Zoonzap verdacht mij van anorexia. Zoonzap is foutief gefocust op wiskunde en wetenschap en kent niks van vrouwenaangelegenheden.)
Wie mij twee keer gelezen heeft, weet ook dat mijn ijdelheid zeer ontvankelijk is voor prikkelingen. Maar als ik in de spiegel keek, viel mij vooral veel boebelboebelboebel op. Het ontbreken van een strak lichaam. Dat bedoel ik dus met het laatste woord van de eerste alinea. Ineens moest ik van mezelf een kousenbroek, laarzen en surtout corrigerend ondergoed gaan zoeken in de meedogenloze kosmos van de modeverschijnselen.

Toen het lekker ding dat homo is en tegelijk de peter van krulzapje vond dat we nog eens uit moesten met zijn allen, voelde ik me verplicht om in zijn modieuze nabijheid mij ook op te tutten met jurk en snoerharnas onderaan. Pizza en film werd het die keer. De jongens merkten op dat ik er frivool voorkwam, maar een beetje bedrukt. Dat was de precieze uitdrukking, be-drukt. Tegen die tijd kneep het knellende lingerielijfje die halve pizza zowat terug uit mijn darmen naar diverse innerlijke pijnpunten. Tijdens de film, die naar het schijnt een lachfilm was, lag ik allesbehalve elegant onderuit pogingen te ondernemen om de romp te ontlasten. Iets horizontaals met de heupen naar boven. En de rest maar lachen. Ik maak me graag wijs dat het met de film was.
Kreunend sloeg ik het napraatdrankje over. Nog voor het portier van de auto van het slot knipte, stond ik er al halfnaakt naast te zuchten van hervonden genot. De terugweg werd er eentje van gierend lucht happen en lozen. Langs welke openingen, daar wil ik discreet over blijven.

Thuis pulkte ik driftig een vuile joggingbroek uit de wasmand en zwoer van eerst vijf kilo af te vallen vooraleer ik me ooit nog aan een kleed van magere geep waag.
Zonder speciallekes.